Naar inhoud springen

Een inwoner van Carcosa

Uit Wikisource
The Collected Works of Ambrose Bierce (1910) door Ambrose Bierce, vertaald door wikisource

Een Inwoner van Carcosa'

Uitgegeven in New York & Washington door The Neale Publishing Company.

[ 308 ]

EEN INWONER VAN CARCOSA

Daar de dood verscheidene gedaanten kent – sommige waarin het lichaam blijft; en sommige waarin hetzelve tezamen met de geest ganselijk verzwindt. Veelmaals geschiedt dit verzwinden zonder het bijzijn van anderen (aldus is Gods wil) en, daar 't einde niet werd aanschouwd, zeggen we dat de persoon verloren is, of vertrokken op een lange reis – 't geen het geval is; maar het is ook al geschied ten aanschouwen van velen, gelijk talloze getuigen bevestigen. In één wijze van sterven sterft ook de geest, en van zulks is geweten dat het voorkwam wijl 't lichaam nog menig jaar in kracht verkeerde. Somtijds, gelijk waarachtig is betuigd, overleed de geest met het lichaam, maar werd hij na een tijd weder opgewekt op die plek waar 't lichaam gewis verging.


PEINZEND over deze woorden van Hali (God hebbe zijn ziel) en zoekend naar hun volle betekenis – als iemand die een vermoeden heeft, maar twijfelt of er niet nog iets anders zit achter hetgeen hij heeft gevat –, merkte ik niet waarheen ik was gedwaald, tot een plotse kille wind mijn gezicht trof en mij weer besef gaf van mijn omgeving. Met verbazing stelde ik vast dat niets mij vertrouwd scheen. In elke richting strekte zich een gure en desolate vlakte uit, bedekt met een hoge begroeiing van dor gras, dat in de herfst[ 309 ]wind ruiste en floot met de hemel weet wat voor raadselachtige en verontrustende suggestie. Her en der staken er vreemd gevormde en somber gekleurde rotsen bovenuit, die een onderlinge verstandhouding leken te hebben en die blikken vol onaangename betekenis leken uit te wisselen, alsof ze hun hoofden hadden opgericht om de afloop van een voorziene gebeurtenis gade te slaan. Een paar verspreide, geteisterde bomen leken de leiding te hebben over dit kwaadaardige complot van stille verwachting.

De dag moet ver gevorderd zijn, dacht ik, hoewel de zon onzichtbaar was; en al voelde de lucht rauw en kil, mijn bewustzijn van dat feit was eerder mentaal dan fysiek – het voelde niet als een ongemak. Boven het akelige landschap hing een laag, loden wolkendek als een zichtbare vloek. In dit alles school een dreiging en een voorteken – een zweem van boosaardigheid en onheil. Vogels, dieren of insecten waren er niet. De wind zuchtte in de naakte takken van de dode bomen en het grauwe gras boog voorover om zijn donkere geheim aan de aarde toe te fluisteren; voor de rest verbrak geen geluid, geen beweging de vreselijke rust van die naargeestige plek.

Ik ontwaarde in de vegetatie een aantal verweerde stenen, die hun vorm duidelijk [ 310 ]aan werktuigen te danken hadden. Ze waren gebroken, bedekt met mos en half in de aarde weggezakt. Sommige lagen terneer, andere helden over in verschillende hoeken, niet een stond rechtop. Het waren kennelijk grafstenen, maar de graven zelf waren verzwonden zonder ook maar iets van heuveltje of verzakking achter te laten; de jaren hadden alles genivelleerd. Massievere blokken, her en der verspreid, toonden waar ooit een pralerige tombe of een eerzuchtig monument smadelijk de strijd tegen de vergetelheid was aangegaan. Zo oud schenen deze overblijfselen, deze resten van ijdelheid, deze memorialen van vroom- en genegenheid, zo gehavend en verweerd en bevlekt – de plaats zo verwaarloosd, verlaten en vergeten, dat ik het niet kon helpen mij de ontdekker te wanen van het grafveld van een prehistorisch mensenras, dat zelfs geen naam had achtergelaten.

Vervuld van deze overpeinzingen sloeg ik enige tijd geen acht op de opeenvolging van mijn eigen ervaringen, maar dra dacht ik: 'Hoe ben ik hierheen gekomen?' Na een moment van bezinning leek dit alles volkomen helder te worden, en verklaarde het tegelijkertijd – zij het op een verontrustende manier – het zonderlinge karakter dat mijn verbeelding meegaf aan alles wat ik zag of hoorde. Ik was ziek. Ik herinnerde mij nu dat ik geveld was door een plotselinge koorts, en dat mijn gezin me had verteld dat ik tijdens mijn ijlen voortdurend had [ 311 ]geschreeuwd om vrijheid en lucht, zodat ze me in bed hielden om te beletten dat ik naar buiten zou vluchten. Nu had ik de waakzaamheid van mijn verzorgers verschalkt en was ik tot hier gezworven – tot waar? Ik kon niet eens gissen. Onmiskenbaar was ik behoorlijk ver van de stad waar ik woonachtig was – de oude en befaamde stad Carcosa.

Nergens was een teken van menselijk leven zichtbaar of hoorbaar; geen opstijgende rook, geen geblaf van een waakhond, geen loeiend rund, geen geroep van spelende kinderen – niets dan de naargeestige begraafplaats, gehuld in een geheimzinnige en beklemmende sfeer, door mijn eigen verwarde geest. Was ik niet opnieuw beginnen ijlen, hier waar geen mens me kon helpen? Was het één grote begoocheling, voortgebracht door mijn waanzin? Ik riep luid de namen van mijn vrouwen en zonen, zocht met uitgestrekte handen naar de hunne, terwijl ik tussen de verkruimelende stenen over het verlepte gras doorliep.

Een geluid achter me deed me omkeren. Een wild dier – een lynx – was aan het naderen. De gedachte schoot door me heen: als ik in deze woestenij instort – als de koorts terugkomt en ik bezwijk, zal dit beest toeslaan. Ik viel uit naar het dier, schreeuwend. Het trippelde bedaard aan me voorbij op geen handbreedte afstand en verdween achter een rots. [ 312 ]

Het ogenblik daarna scheen er een weinig verder een mannenhoofd op te rijzen uit de grond. Hij beklom de helling aan gene zijde van een lage heuvel, waarvan de top zich nauwelijks aftekende tegen het omliggende terrein. Zijn hele gedaante kwam spoedig in zicht tegen de achtergrond van grijze wolken. Hij was half naakt, half in huiden gekleed. Zijn haar was onverzorgd, zijn baard lang en warrig. In een hand droeg hij pijl en boog, in de andere een brandende toorts waarachter een sliert zwarte rook hing. Hij liep traag en behoedzaam, alsof hij vreesde in een of ander open graf te vallen verscholen in het hoge gras. Deze vreemde verschijning wekte mijn verbazing maar geen vrees. Ik richtte mijn stappen naar zijn pad, en toen we bijna oog in oog stonden, begroette ik hem met een vertrouwd 'God beware u'.

Hij sloeg geen acht op me, noch hield hij zijn pas in.

'Goede vreemdeling', ging ik voort, 'Ik ben ziek en verdwaald. Ik bid u, wijs me de weg naar Carcosa.'

De man hief een barbaars gezang in een onbekende taal aan, liep voort en verdween.

Een uil op een tak van een vermolmde boom liet zijn naargeestige roep horen en kreeg uit de verte antwoord. Omhoogkijkend zag ik [ 313 ]door een plotse scheur in de wolken Aldebaran en de Hyaden! Dit alles had iets nachtelijks – de lynx, de man met de toorts, de uil. Toch zag ik – ik zag zelfs de sterren zonder dat het donker was. Ik zag, maar werd blijkbaar niet gezien noch gehoord. Welke verschrikkelijke betovering was over mijn bestaan gekomen?

Ik zette mij neer aan de wortel van een grote boom, om grondig te overdenken wat ik het beste kon doen. Dat ik krankzinnig was, kon ik niet langer betwijfelen, doch in dat oordeel onderkende ik een grond tot twijfel. Koorts had ik niet. Ik werd integendeel een opgetogenheid en een kracht gewaar die me volkomen vreemd waren – een gevoel van mentale en fysieke vervoering. Al mijn zintuigen leken op hun allerscherpst te staan; ik kon de lucht voelen als een dichte substantie; ik kon de stilte horen.

Een grote wortel van de reusachtige boomstam waartegen ik geleund zat, hield in zijn greep een platte steen omsloten, waarvan een deel uitstak in een holte gevormd door een andere wortel. Daardoor was de steen deels beschermd tegen de elementen, ofschoon sterk aangetast. De randen waren rondgesleten, de hoeken weggevreten, het oppervlak diep gegroefd en geschilferd. Glinsterende deeltjes mica waren te zien in de aarde eromheen – sporen van ontbinding. Klaarblijkelijk had deze steen het graf gemarkeerd [ 314 ]waaruit deze boom eeuwen geleden was ontsproten. De grijpgrage boomwortels hadden het graf beroofd en van de steen een gevangene gemaakt.

Een plotse wind vaagde wat dorre blaadjes en twijgjes van de bovenkant van de steen; ik zag de vlakgesleten letters van een opschrift en boog mij voorover om het te lezen. Hemelse God! mijn naam voluit! – de datum van mijn geboorte! – de datum van mijn dood!

Een horizontale lichtbundel spreidde zijn gloed over de zijkant van de boom, toen afschuw mij overeind deed springen. De zon kwam op in het rozige oosten. Ik stond tussen de boom en de brede, rode schijf – geen schaduw wierp zich op de stam!

Een koor van huilende wolven begroette de dageraad. Ik zag ze hurken, alleen en in groepen, op de toppen van onregelmatige bulten en grafheuvels die een helft van mijn woestenijzicht innamen en die zich uitstrekten tot aan de horizon. En dan wist ik dat dit de ruïnes waren van de oude en befaamde stad Carcosa.



Tot zover de feiten meegedeeld aan het medium Bayrolles door de geest Hoseib Alar Robardin.