Eene reis om de wereld/XI
| ← Valparaiso. Almandra. | Eene reis om de wereld (1880) door Doeke Hz Hellema | Callao de Lima. → |
| Uitgegeven in Nieuwediep door J.C. de Buisonjé en Zoon. |
XI. REIS VAN VALPARAISO NAAR CALLAO DE LIMA.
33°—12° Z.Br.; 71°—77° W.L.
Van 27 Febr. tot 9 Maart 1875.
Deze trek van 334 geographische mijlen werd, zeilende in den Z.O. passaat, in 10 dagen afgelegd. De middagtemperatuur der lucht steeg regelmatig van 18° C. tot 25°. Gedurende de eerste week was de lucht droog en gevoelde ieder zich frisch en opgewekt.
3 Maart. Zachtkens drijven we voor den wind noordwaarts, veelal aan weerszijden lijzeilen. Het regelmatige leven aan boord, bij goed weder en zacht klimaat, komt zeer te pas als men vermoeid is naar lichaam en geest, zooals met mij het geval was, na een tiendaagsch verblijf te Valparaiso en Santiago.
5 Maart. We loopen in den Z.O. passaat 6 à 7 mijl. Het intertropicale (we passeerden gisteren den Zuiderkeerkring) passaatleven aan boord, regelmatig en kalm, doet ons goed. Het schip is geheel op zijn Oost-Indisch ingericht — tenue in 't wit — tegen den avond gymnastische oefeningen voor het jeugdige deel der bemanning.
Bij het naderen van de kust van Peru, sedert 7 Maart, was de atmosfeer zeer vochtig, kenbaar aan het klam aanvoelen van alle voorwerpen, het nat worden van het dek, zelfs van de zeilen en het ontstaan, bij gevoelige gestellen, van eene onaangename, drukkende gewaarwording door verhinderde huiduitwaseming. Deze groote mate van vochtigheid van den atmosfeer, vooral na zonsondergang, en in den voornacht, gevoegd bij den grooten rijkdom van de zee aan dierlijke wezens eener lagere organisatie (een sterk phosphoresceeren van het zeewater werd opgemerkt, waarbij het een vischreuk verspreidde, zoo sterk, dat het voor badwater ongeschikt was) maken het reeds zeer waarschijnlijk, dat het kustklimaat van Peru, en [ 93 ]wellicht van de geheele westkust van tropisch Amerika, tot zymotische ziekten praedisponeert. In den vroegen morgen van 9 Maart vertoonde zich voor onze oogen de hooge kust van Peru met de Cordilleros de las Andes. Bij het opgaan van de zon verborg deze zich voor ons, op een tiental mijlen uit de kust, gedurende geruimen tijd achter de hemelhooge bergen; aan den westelijken voet der Cordilleros blijft de opgaande zon natuurlijk zooveel langer verborgen. De Andes zijn voor de smalle strook lands ten westen eene ware parasol in den eersten morgenstond en duurt de dag alhier zooveel korter. Zulks moet op de luchttemperatuur van Callao, en nog meer op die van Lima, verlagend inwerken. Reeds was de zon een klein half uur op, voordat ze boven de bergkammen te voorschijn kwam. Spoedig waren de Andes niet meer zichtbaar, ze doken weg achter nevels en banken; in het N.O. teekende zich daarna het hooge Lorenzo-eiland af. Weldra stoomden we dit om en bespeurden we aan de schepen de reede van Callao.
Gedurende dit aanloopen van de kust trof de rijkdom aan visch en aan groote watervogels onze aandacht; groote scholen visch trokken rechts en links en gaven aan het water het voorkomen eener branding (evenals in str. Magelhaens het de zeehonden deden) terwijl de vogels, pelikanen, nog grooter dan albatrossen, de vlugheid dezer missen en met hunne breede vlerken lomp neerploffen.