Naar inhoud springen

Eene reis om de wereld/XIII

Uit Wikisource
Callao de Lima. Eene reis om de wereld (1880) door Doeke Hz Hellema

Van Callao de Lima naar San Francisco.

San Francisco.
Uitgegeven in Nieuwediep door J.C. de Buisonjé en Zoon.
[ 118 ]
 

XIII. REIS VAN CALLAO DE LIMA NAAR SAN FRANCISCO.

12° Z.Br, — 38° N.Br.; 77 — 129 — 122° W.L.

Van den 18 Maart — 25 April 1875.

 

De trek, lang 1270 geogr. mijlen, werd in ruim 38 dagen afgelegd; 31 Maart, 1 en 2 April (bij het passeeren van den aequatoriaal-stiltegordel), van den 13—19 April (cancer-stiltegordel), den 22, 24 en 25 April (bij het naderen van de kust, om koers te liggen), dus gedurende 12 dagen onder stoom. De middagtemperatuur klom van af het vertrek van Callao al spoedig tot 27° C. (21 Maart, 11° Z.Br.) varieerde tot den 7 April (13° N.Br.) weinig, was het hoogste den 5 April (10° N.Br.), zijnde toen 29° C., en nam nu regelmatig af tot aan San Francisco, tot op 14° C.

Bij de verwijdering van de kust van Peru werd de dampkringslucht, die in de nabijheid der kust zeer vochtig was, weldra opvallend droog, waardoor de toenemende warmte goed verdragen werd. Den aequatoriaal-stiltegordel passeerende, troffen we zeer vele regenbuien, door windstooten vergezeld, donkere, bedompte dagen met drukkende warmte: de dampkringslucht van 28° C, was met waterdamp verzadigd.

Het groote voordeel van het stoomschip kwam nu helder te voorschijn, niet het minst in hygiënisch opzicht: de manschappen behoeven niet voortdurend nat te blijven, het tusschendeks blijft droog; de lucht benedendeks, zelfs op 't dek, blijft frisscher, waardoor de ademhaling regelmatiger plaats vindt. Dit alles, wanneer intijds de regententen worden uitgehaald, hetgeen bij het zeilschip, dat onophoudelijk moet manoevreeren, niet doenlijk is. Den stiltegordel van Cancer doortrekkende, troffen we het watervlak van den Grooten Oceaan spiegelvlak, zagen veel drijfhout en hadden eene heerlijk zachte weersgesteldheid.

Gedurende dit traject waren we 28 dagen tusschen de keerkringen, en hoewel de weersgesteldheid frisch was gedurende de eerste 10 dagen, toen de Z.O.-passaat het schip gemiddeld 45 mijl in 't etmaal deed vooruitstevenen, en de stiltegordels, door de onwaardeerbare hulp der stoomwerktuigen spoedig werden doortrokken, — zoo was de verzwakkende invloed [ 119 ]der aanhoudende warmte waarneembaar aan de gevoelige constituties onder de equipage, doch vooral onder den Etat-major. In de longroom nam de eetlust bij sommigen af. Het aantal zieken bleef gering, enkele koortsen kwamen voor; een meerder gebruik van wijn en kinine werd noodzakelijk; het ziektecijfer was dan ook in de maand April hooger dan in ieder der vijf voorafgegane maanden.

 

18 Maart. In den achtermiddag worden de zeilen bijgezet. Vrij goede gelegenheid. Lichte maan.

22 Maart. Hedenmorgen ten 4½u. viel er een man uit de bakb. fokkerust over boord. Algemeen geroep "man over boord," in het holle van den nacht; we zeilden voor den wind, 8 mijls vaart. Het roer werd aan lij gelegd, ieder snelde naar achteren, want bij een dergelijk ongewoon rumoer springt zelfs de slapende op en is in een oogwenk op 't dek; eenigen zijn reeds in 't want; bij de lichte maan is er goed zicht op 't water. Niemand dacht aan de mogelijkheid van redding — daar klinkt het verrassende "hij is gered" ons in de ooren: de matroos Gaus heeft het wonderbare geluk gehad, zoodra hij te water lag, een vanglijn, die uit de sloep langs het schip sleepte, te grijpen, en kon daardoor op de hoogte van de bezaansrust, alwaar men hem aan zijn geroep ontdekte, gered worden. Dit is nu reeds de vierde man, die overboord valt en gered wordt (drie ter reede Falmouth); drie der equipage zeilden achter en kwamen aan eene volgende haven aan boord terug. We zijn dus nog even sterk als bij het vertrek uit het Vaderland.

24 Maart. De gelegenheid blijft goed; we maken etmalen van 40 à 50 mijl. Voor den wind slingeren we vrijwat, de patrijspoortjes, sedert Callao meestal open, moeten gesloten worden. Heerlijke avonduren op de brug

28 Maart. Paaschzondag. Zooals gewoonlijk des Zondags na de parade wordt voorlezing gehouden uit het daartoe gebruikelijke werk. Hoe goed de schrijver het ook meent, jammer is het, dat hij zelf niet een paar reizen over het blauwe water heeft medegemaakt — zijn werk hadde aan bruikbaarheid gewonnen!

31 Maart. We passeeren voor de tweede maal de linie. Sedert een paar dagen zijn we in de stilte. Hedenmorgen ten 7u. werkt de machine. Het zwakke schip kan weder niet meer dan 35 slagen verduren, en dus niet meer dan vijf mijl loopen. Onder stoom zijnde, begint het roer weldra te stooten.

1 April. Afwisselend regen met stilte en wind, stoomen en zeilen. Zoo liggen we hedennamiddag te drijven, terwijl het water in stroomen van [ 120 ]den hemel valt. Het is warm, benauwd en donker in de longroom. Ik zit in de hut, 29 C, twee kaarzen brandende en het patrijspoortje open.

3 April. We schijnen in den N.O.-passaat te zijn, hoewel nog vrij schraaltjes, bij den wind, koers N.W., 4½ mijl.

Doch de lucht, de atmosfeer is verbeterd, niet meer dat doodend heete, vochtige en stille van de lucht van de laatste 4 dagen. Gisternacht hebben we de poolster weder begroet.

7 April. De gelegenheid is niet schitterende, doch we avanceeren stadig aan. De warmte neemt wat af, toch nog 28° C. in de hut.

13 April. Na een dag stilte, heden stoomen, 5 à 6 mijl, N. en W.

We zagen een blok hout drijven, waarbij eene menigte visschen zich ophielden.

15 April. De vierde dag van stilte (van 19° tot 24° N.Br. 123° tot 126° W.L). We naderen San Francisco linea recta. Hedenmorgen passeerden we den noorderkeerkring.

Als het stil blijft, moeten we blijven stoomen, hebben daartoe steenkolen genoeg.

We zien op het spiegelgladde oceaanvlak gedurig stukken van boomstammen, niet behakt, met schelpdieren omkorst, sommige omringd door kleinere en grootere visschen. Ze hebben ongetwijfeld zeer lang hier rondgedreven, te oordeelen naar het verweerde voorkomen der meeste. In de verte doen ze zich wit of zwart voor. Eene nauwkeurige kennis der zeestroomen dezer parages is noodig om de plaats van oorsprong dezer stukken hout te bepalen, terwijl van een anderen kant de nauwkeurige studie van dit drijfhout hun groeioord zou kunnen doen kennen en dus tot de kennis der zeestroomen zou leiden.

Deze ronddrijvende stukken hout gaven ons eene aangename afleiding. Voordat we wisten wat die aan den horizon opdagende voorwerpen beteekenden, werden er allerlei gissingen gemaakt; het gewapende oog meende eene boot te ontdekken en de verbeeldingskracht vulde deze met schipbreukelingen; neen, de boot vertoont geene levende wezens — ze zal misschien een paar lijken bevatten; ik zie het al, roept een der ijverige waarnemers, het is geene boot, het is een drijvend zeemonster; neen, verbetert een ander, mijn kijker is een albeslisser, en ik zeg, het is een stuk rondhout, kijk, daar komt er nog een aandrijven. Er wordt recht op aan gestuurd, en aan alle gissingen een einde gemaakt. Menig onzer zou gaarne deze stukken hout van naderbij bekeken hebben, doch de kommandant meende, zeker te recht, dat het de moeite van eene sloep te strijken niet zou beloonen. — Intusschen was ons nieuwe stof tot discours gegeven — allerlei denkbeelden op het gebied der zeestroomingen hielden ons bezig.

[ 121 ]17 April. Heden werd het lijk van een matroos overboord gezet, die aan eene uitterende borstziekte bezweek, na gedurende bijna de geheele reis in den ziekenboeg te zijn behandeld en verpleegd.

Deze is de eerste schepeling dien we verliezen.

Het in zee over boord zetten van een lijk heeft met militaire honneurs plaats en is steeds eene aandoenlijke plechtigheid. Indien de gelegenheid het toelaat, zooals thans, staat de equipage, voor zooverre zij niet tot den trein behoort, op het dek gerangeerd. Het lijk, in zeildoek ingenaaid en met een kogel aan het voeteneinde bezwaard, wordt op eene plank gelegd, met de Nederlandsche vlag overdekt, en rondgedragen door het baksvolk, waartoe de overledene behoorde; de officier en de adelborst zijner divisie, benevens twee baksvolken volgen; vier mariniers, die de salvo's doen, gaan voorop. Driemaal gaat de trein rond en worden bij het passeeren van het lijk de hoofden ontbloot en wordt door de wacht het geweer gepresenteerd. Aan stuurboordsvalreep wordt het lijk in zee gelaten, terwijl de schipper overluid de woorden uitspreekt: „Een! Twee! in Gods naam!"

De salvo's worden gedaan bij het opnemen van het lijk en onmiddellijk voor en na het overboord zetten.

18 April. We avanceeren al stoomende, langzaam doch zeker. Er is eene zware deining uit het Westen, waardoor we sedert gisteren zwaar slingeren; de bramraas worden daarom afgenomen.

19 April. Gisteravond zijn de zeilen bijgezet en zeilen we bij den wind, WNW., omdat we, in den noordenwind opstoomende, niet meer dan 4 mijl liepen; op deze wijze zouden we kolen te kort komen. We avanceeren nu wel veel minder, doch de voordeelen zijn: gemakkelijker ligging van het schip, uitsparing van steenkolen, terwijl we ons amuseeren met het zien vangen van zeevogels door de adelborsten.

21 April. Wij verlustigen ons heden in den goeden gang van het schip, nagenoeg recht op S.Fr. aan.

22 April. De gelegenheid is zoo matig; we staan nog niet noordelijk genoeg om San Francisco te beleggen. Dan weer stoomen, dan weer zeilen. Hoe meer we onder de kust komen, des te noordelijker en sterker wordt de wind. De laatste loodjes wegen het zwaarst.

We zagen heden den Oceaan bedekt met millioenen Portugeesche fregatjes (Physalia coerulea), welke soort alhier verschilt van die in den Atlantischen Oceaan.

De weersgesteldheid is heerlijk koel. De middagtemperatuur is 17° C. — Helder weder.

23 April. Harde noordenwind, dubbel gereefde marszeilen. Nog 33 mijl [ 122 ]van S.Fr., doch we liggen er beneden met eene 4 mijls vaart. Het is jammer dat we niet noordelijker staan. De hoop is op het ruimen van den wind, of op stiller worden, in welk laatste geval we kunnen stoomen, waartoe de schoorsteen blijft staan en het water in de ketels heet gehouden wordt. Het schip maakt zeer lastige bewegingen. We zijn het ruwe weder ontwend; echter blijft het helder. Harde wind, doch overigens regelmatig, bestendig. Woelige zee. Stormvogels.

24 April. Er wordt steeds gestoomd, volle kracht, tegen den harden noordenwind in; ten 12u staan we nog 18 mijl van S.Fr. De stroom, of drift, zet ons om de Zuidoost. We avanceeren 3 à 4 mijl in de wacht. Het is frisch koel weder. De zee is veel kalmer.

25 April. Hedenmorgen, einde hondenwacht, werd het vuur van Z. Farellones verkend. De loodsen houden zich schuil achter de Farellones, komen althans op ons schieten niet opdagen. Over de kust hangt een nevel, die op het einde der dagwacht optrekt. Voordat de noordenwind opsteekt, stoomen we de Goudenpoort binnen; het aanloopen van de kust, het binnenkomen van de baai, bij eene heerlijke weersgesteldheid en eene opgewekte stemming aller gemoederen, was zeer aangenaam.

Ten 12 uur komen we vlak voor de stad ten anker; nauwelijks zijn we hier, of de wind begint hevig op te steken, zooals dagelijks, hetgeen het ter reede komen, later op den dag, zeer zou hebben bemoeilijkt.