Naar inhoud springen

Eene reis om de wereld/XV

Uit Wikisource
San Francisco. Eene reis om de wereld (1880) door Doeke Hz Hellema

Van Amerika naar Azië

Yokohama. De Bluff.
Uitgegeven in Nieuwediep door J.C. de Buisonjé en Zoon.
[ 155 ]
 

XV. REIS VAN SAN FRANCISCO NAAR YOKOHAMA.

38°—18°—35e N.Br.; 122° W.L.—140° O.L. Gr.

Van den 18 Mei 1875 tot den 27 Juni 1875.

 

Van Amerika naar Azie over den Grooten Oceaan!

Vaarwel, schoon Californië! vaarwel jeugdige wereldstad! Vol verwachting waren we bij het binnenstoomen door de Goudenpoort — te spoedig verlaten we u weder, heerlijk San Francisco, met uwe energieke bevolking, uw goddelijk klimaat, uwe edelmoedigheid en uwen voorspoed. Ge hebt ons een beter denkbeeld van de Nieuwe Wereld gegeven, dan we hadden ontvangen in de Zuid-Amerikaansche republieken. Uwe toekomst, land van goud en graan en wijn is grootsch, en gij, jeugdige reuzin, zijt bestemd tot heerscheres over den oosterzoom van den Pacifiek. Vaarwel!

Dat was het Verre Westen, waarvan ons in vroegere en latere dagen verhaald werd.

Doch nog verder westwaarts, naar het Verre Oosten, ligt thans onze weg.

Vóór ons de groote Stille Zuidzee, die onmetelijke Oceaan, met zijne onvolledig bekende groepen van eilanden, duizenden in tal.

Vóór ons ligt de weg over dat onmetelijke blauwe water, een weg van 1600 geogr. mijlen, zonder rustplaats. Reeds 4200 zulke mijlen zijn door ons afgelegd, — doch, hoezeer we ook gewoon worden onzen weg te meten bij honderdtallen mijlen — toch blijft het oversteken van dezen Oceaan eene onderneming, die wel geschikt is, om er met zorg over na te denken! Konden we op de breedte van San Francisco en Yokohama dezen oversteek maken, dat zou 400 mijlen gewonnen zijn; doch dat voorrecht is alleen gegeven aan kolossale stoomschepen, zooals de City of Peking, met hun enorm stoomvermogen. Wij moeten tusschen de keerkringen den Noordoostpassaat opzoeken, en vinden op dien langeren weg dan tevens de brandende keerkringszon, die, omdat het zomer is in het Noorderhalfrond, op den middag liefst in top of nagenoeg in top zal staan.

Den tweeden dag na ons vertrek had een droevig ongeluk aan boord plaats. Een jeugdig, flink matroos viel van de voor-marsra op de loopplank aan S.B. [ 156 ]en was oogenblikkelijk dood, in zijn val twee matrozen, die op 't dek stonden, ernstig kneuzende. Een weemoedige ernst bezielde ons allen, toen den volgenden dag het lijk met de voorgeschrevene plechtigheid over boord werd gezet.

Onder de nalatigheden, die door den bevelhebber nimmer werden door de vingers gezien, behoorde het slapen op uitkijk. Het behoud van het schip is afhankelijk van steeds scherp uitkijken, van onophoudelijke waakzaamheid, dag en nacht. Werd de uitkijk op zijn post, hetzij op den boegspriet, hetzij in het voortuig, waar ook, slapende bevonden, dan werd hij aan den lijve gestraft, onherroepelijk. Thans, nu we den Grooten Oceaan zullen bevaren, waarvan ons vaarwater slechts voor een klein gedeelte is in kaart gebracht op eene betrouwbare wijze, terwijl het op de kaart krioelt van klippen, platen en eilanden, daar, waarlangs wij moeten trekken, zoo wordt aan de equipage met den grootsten nadruk door den kommandant verdubbelde opmerkzaamheid aanbevolen, terwijl hij tot zijn leedwezen gedwongen wordt, bij nalatigheid de straf te verdubbelen.

 

De stemmen, die in de laatste jaren in Nederland zijn opgegaan en zich nog gedurig doen hooren tegen de toepassing van lijfstraffen aan boord van de oorlogsschepen, getuigen, zonder tegenspraak, van goedhartigheid; het onderwerp is belangrijk en wel waard veelzijdig behandeld te worden, waarvoor hier de plaats niet is; het zij mij evenwel geoorloofd, over dit onderwerp alhier eenige opmerkingen te plaatsen. De quaestie is nog niet grondig onderzocht; men heeft geen voldoend onderscheid gemaakt tusschen schepen in vaderlandsche havens en die op den Oceaan. Men heeft in dit laatste geval nog geen aanwendbaar equivalent voorgesteld.

Een oorlogsschip in den Oceaan is eene autocratisch bestuurde Staat in het klein. Zonder orde en tucht beantwoordt het niet aan zijne bestemming en loopt gevaar te gronde te gaan. Ieder, die eenigen tijd met Janmaat onder dezelfde vlag op het blauwe water geleefd heeft, weet dat ze kinderen zijn in verstand en alleen door verstandige en rechtvaardige tuchtmiddelen geregeerd kunnen worden. Ik ken voor bepaalde en herhaalde overtredingen, die bedwongen moeten worden, bijv. onachtzaamheid, waardoor het behoud van het schip in de waagschaal gesteld wordt; diefstal, waardoor de onderlinge veiligheid bedreigd wordt; insubordinatie, die door het militaire gezag nimmer door de vingers mag gezien worden; — geen humaner, practisch beter aanwendbaar, in de gevolgen minder nadeelig tuchtmiddel, dan lijfstraffen. Heeft de schuldige de verdiende straf ondergaan, dan gaat hij heen in vrede en wordt weder zonder zweem van afkeer [ 157 ]in den scheepskring, waar hij thuis behoort, opgenomen. Is zulks ook het geval in de burgerlijke samenleving, waar relatief even groote vergrijpen tegen de wetten gestraft worden met opsluiting in een gevangenhuis? Gaat de gestrafte na de herkrijging zijner vrijheid ook heen in vrede, en wordt hij ook weder zonder zweem van afkeer in den maatschappelijken kring, alwaar hij behoort, opgenomen? Is hij, na deze tijdelijke berooving zijner vrijheid, versterkt in zijn voornemen om niet meer te zondigen?

De afschaffer van lijfstraffen bedenke, dat aan boord van het oorlogsschip op het blauwe water, cellulaire gevangenis slechts bij uitzondering kan worden toegepast; provooststraf, als vervangmiddel van lijfstraf, is aldaar niet altijd aanwendbaar, zonder groote stoornis in den geregelden gang; een aanmerkelijk aantal schepelingen zou daardoor aan den dienst onttrokken moeten worden, terwijl deze straf zelve aldaar voor geest en lichaam beide vele nadeelen teweeg brengt, die gemist worden bij de toepassing van lijfstraffen. Een ander geval is het, op eene vaderlandsche reede of haven; dáár zou de lijfstraf vervangen kunnen worden door eenzame opsluiting aan den wal.

Evenwel heeft de humane strekking van den afschaffingsgeest in deze eene weldadige uitwerking. leder Nederlandsch officier is te veel doordrongen van den tijdgeest, dan dat hij niet in deze de gulden spreuk der ouden zal in 't oog houden: "fortiter in re, suaviter in modo". Evenmin valt te ontkennen de mogelijkheid, dat plichtsbesef en wilskracht, de gevolgen van werkelijke beschaving, meer en meer zullen doordringen tot die klassen der maatschappij, waaruit Janmaat en zijne gelijken getrokken worden; is dit eenmaal het geval, dan zullen geene zoodanige overtredingen meer plaats vinden, waarvoor nu nog lijfstraf moet worden toegepast; dan zullen de lijfstraffen vervallen, zooals ze bij goed samengestelde en goed gedisciplineerde bemanningen, zelfs heden ten dage, minder en minder noodzakelijk worden.

Na te gaan, hoe in deze bij andere zeemogendheden wordt gehandeld, is eene tamelijk onvruchtbare vergelijking; tenzij met veel kennis van zaken en breed opgevat, de maatschappelijke toestand dier natiën worde in het oog gehouden. — De bedenking tegen lijfstraffen, dat aan den kommandant te veel macht gelaten wordt, blijft dezelfde tegen iedere straf, die door hem wordt opgelegd, doch valt geheel weg door de beteekenis van het kommando van een oorlogsschip in volle zee.[1]

[ 158 ]Den vijftienden dag werden we vergast op het gezicht van land. Den 25sten Mei was het eiland Mauï van de Sandwichgroep in 't gezicht. We zeilden met eene 9 mijls vaart tusschen dit en het groote Hawaii door, op een paar mijlen afstand van het eerste, dat glooiend oploopende, in het midden zeer hoog is. Hawaii was in wolken gehuld, slechts een oogenblik zagen we de hooge bergruggen met sneeuwvelden — 14.000 voet hoog. Toen de verkenningen plaats vonden, bleek al weder, zooals steeds, dat het bestek juist was. Ten 4 uur waren we door de passage heen, en zagen later nog flauwtjes het meer lage eiland Kadoolawee. De andere eilanden zijn van het oosten naar het westen: Lanaï, Molokaï, Oähu (het meest bevolkte, met de hoofdstad en haven Honoruru) en Kaüaï. Sommigen onzer betreurden het, dat we niet een kijkje namen op het eiland Oähu, wat het geval had moeten zijn, indien we steenkolen hadden noodig gehad. Geene boot, geen levend wezen zagen we bij het doorgaan der Hawaïpassage; met snelheid zeilden we door deze passage en met zonsondergang verdween het land, zooals het zich bij zonsopgang had vertoond: als blauwende strepen aan de kim.

Reeds den 19den Mei waren we binnen de keerkringen; den 27sten Mei werd de parallel bereikt, op welke we ons vele, vele dagen lang in eene westelijke richting zullen voortspoeden. Deze parallel ligt 5 graden binnen den N. keerkring. Het is warm, de thermometer klimt tot 30° C. Tweemaal gaan we onder de zon door en hebben dus afwisselend onze schaduw ten zuiden en ten noorden. Doch de Oostpassaat, vooral als hij in noordoostelijke richting waait, brengt verfrissching aan en bemoedigt het gemoed, steunt het geduld. Zoodra de wind verflaauwt, neemt de hitte toe, en worden des menschen bewegingen langzamer, even als die van het schip.

[ 159 ]Lieflijk verlichtte des zeemans vriendin onzen weg gedurende de eerste nachten na het vertrek van Californië. Zoo noode zien we haar telken avond later opkomen, om tevens haar licht te verminderen. Doch geen nood: "het volgende maantje zal ons in 't beloofde land brengen," zoo hooren we den vroolijken matroos uitroepen.

Hoe heerlijk zijn die avonden! Onvergetelijk zijn die kalme uren op de brug doorgebracht! Het lieflijke, doch weemoedige maanlicht maakt plaats voor het verheven, den geest wegsleepende stargeflonker. Het zijn wederom de oude bekenden uit het vaderland, die ons eenzaam pad beschijnen. Hoe kan men toch den sterrenhemel, aan het Zuiderhalfrond zichtbaar, roemen boven dien van het Noorderhalfrond? Met smart zagen we voor eenige maanden de noordster en langzamerhand mede den rondom haar wentelenden kring van sterrebeelden verdwijnen — thans blijft ze weder zichtbaar, die ster der hoop, al is hare hoogte niet aanzienlijk.

Onvergetelijk zijn die uren, in den kalmen avondstond doorgebracht aan het dek, op de kampagne, doch vooral op de brug. De brandende hitte is getemperd, het wachtvolk zingt het hoogste lied, geaccompagneerd door harmonica en fluit; meermalen tot middernacht duurt dit gezang, afgewisseld door grappen. Want gezond zijn ze, die rappe gasten, en opgeruimd blijft hunne stemming. Vroolijk stevenden ze den Atlantischen Oceaan over, zingende trokken ze door straat Magelhaens, zingende ging het langs Amerika's westkust en nog even vroolijk trekken ze over den Pacifiek!

Als hun gezang een einde neemt, worden onze gedachten aangetrokken door de altoos en altoos weder achter ons verdwijnende golven. Is daar geen einde aan die wereldzee? Overal, waarheen het oog blikt, de onmetelijkheid, de oneindigheid! Met hoeveel snelheid we ook voorwaarts stevenen, het gezichtsveld blijft onveranderlijk hetzelfde. Altoos die volmaakte kring, waardoor het blauwe watervlak van het hemelgewelf wordt gescheiden! En in het midden van dien cirkel wij in onze kunstige woning, wij, eene maatschappij in 't klein, die allen één doel beoogen: het maken eener behoudene reis. Groot is de verantwoordelijkheid van het hoofd van dezen drijvenden staat, aan wiens wijsheid is overgelaten het kiezen der richting van den weg over dat onmetelijke veld, het besturen der broze kiel, die, heden met zelfvertrouwen de statige golven klievende, morgen wellicht moet worstelen om 't behoud tegen die woedend bruischende en hoog opgezwiepte watergevaarten, die alles in hun wilde vaart medesleepen! In het midden van dien cirkel, zoo ver van de bewoonde aarde, drijft die kleine maatschappij, die met de groote zooveel gemeen heeft en haar in kunstig samenstel en vooral in tegennatuurlijke verhoudingen, zoo verre overtreft. Aan de [ 160 ]wijsheid van haar hoofd is het overgelaten, het geheel te leiden, in stand te houden. Groot is zijne verantwoordelijkheid! Doch kunt ge u een staatstoestand denken, waarin het eenhoofdige bestuur noodzakelijker is?

Gij, bewoner der vaste aarde, aanschouwt in de zon de bron van warmte en licht, de oorzaak van dag en nacht, de bewerkster der jaargetijden! Doch voor ons is ze de wegwijsster. In onze richting volgen we haren loop. Elken morgen rijst ze achter ons omhoog, elken avond daalt ze vóór ons onder de kim. De elkander controleerende tijdmeters vertellen ons, hoeveel we vorderen op onze reis rondom den aardbol. Want we maken onze dagen langer, dewijl we ons bewegen in dezelfde richting als de schijnbare beweging der zon. Vóórdat wij de koningin des dags zien verschijnen, uren vooraf was ze reeds zichtbaar voor de bewoners van het lieve vaderland — of, wilt ge 't anders: zoodra we den halven omtrek der aarde overschreden hebben, zal onze opkomende zon eerst na vele uren voor het vaderland zichtbaar worden.

Daarom, heden den 4den Juni, Vrijdag, waarop we 180 graden in lengte met Greenwich verschillen, — daarom hebben wij morgen den 6den Juni, Zondag, ten einde vrede te houden met de groote maatschappij, die we zoo vurig hopen terug te zien! Plechtstatig wordt het door den kommandant aan zijne onderhebbenden bekend gemaakt, dat van den kalender zal worden afgeweken, dat de maand Juni van dit jaar voor ons 29 dagen zal hebben, en de eerste week een dag minder zal tellen; dat de naaste dag des Heeren een etmaal zal vervroegen, om Hem ons dankgebed op te dragen! Bereidwillig en onderwijzend verklaart de bevelhebber aan de oningewijden op zijnen bodem, hoe het komt, dat ze een dag minder in hun leven tellen, zonder dat daardoor hun leven één oogenblik wordt verkort.

Den 18den Juni passeeren we wederom den kreeftskeerkring, terwijl de zon ten 12 uur in het toppunt staat. De parallel van 18°30' is sedert den 13den Juni verlaten; de poolster staat elken avond hooger; — de zon komt niet meer precies achter ons op, gaat niet meer precies vóór ons onder. Doch de verfrisschende wind, die de zeilen deed zwellen, heeft ons verlaten. Wederom beschijnt de zachte maan ons avondpad, doch ze blijft alweder elken avond langer ten achter.

Spiegelglad is het watervlak, brandend heet de warmte van den dag. Daar ligt ze, de trouwe Curaçao, die zich zoo dapper weerde — machteloos hangen de breede zeilen aan de hooge masten — ze is vermoeid, en blijft op de plaats in rust.

Uit de diepte van het grondelooze, blauwe water schieten opaliseerende stralen stervormig te voorschijn, als de weerglans van het zonlicht uit de diepte. [ 161 ]Moet het zoo blijven? Met de doodsche kalmte, de stilte der oneindigheid rondom ons, zou dat het einde zijn van ons bestaan? Met innige meewarigheid denken we aan onze lotgenooten, op andere plaatsen van de aequatoriaalen keerkringsstiltegordels, die in dezen machteloozen toestand dagen, ja weken moeten verblijven, ten prooi aan hitte, regen en aan door onlust doodende eentoonigheid!

Den 22sten Juni wordt de schroef in beweging gesteld en is het eene uitkomst dat het schip zich over het spiegelgladde water beweegt.

24 Juni. We vorderen, halve kracht stoomende, 30 mijl in het etmaal. We ontmoeten breede streepen vischkuit — gele verkleuring. — Het blijft zeer warm.

25 Juni. Heden passeeren we het eiland St. Petrus, dat bij den dag gezien wordt, en des avonds verdwijnt: eene hooge rots, met drie heuvelen, bar en dor. Schoone stoomgelegenheid.

26 Juni. De wind wakkert aan en worden de zeilen bijgezet; opgebankte vuren. We zeilen met eene 7 mijls vaart recht op Yokohama aan. Zelfs worden de marszeilen gereefd, doch tegen den avond weer stoomen.

27 Juni. Einde hondenwacht wordt het vuur van Nosima herkend. We passeeren het Vries-eiland. Ten 7 uur zijn we aan den ingang van de baai van Yeddo, alwaar we eene zeer sterke stroomkaveling ontmoeten, door twee elkander hier ontmoetende sterke zeestroomen. Voor en na kalm water. Het is eene heerlijke gelegenheid; zacht, aangenaam weder. We stoomen dicht voorbij het oostelijke land, hoog oploopende tot bergen van 400 voet met zachte glooiingen; alles begroeid en bebouwd en dicht bevolkt. Talrijke visschersprauwen in de baai. In het westen zien we den vermaarden heiligen berg der Japanneezen, den Foesi-Yama, wiens top nog met sneeuw is bedekt, zijnde een berg van 15,000 voet hoog, met afgeknotten kegel. Kort na den middag komen we ten anker ter reede van Yokohama, te midden van eene menigte oorlogsschepen en koopvaardijschepen.

 

Zoo hebben we dan op eene zeer voorspoedige wijze den overtocht over den Grooten Oceaan volbracht. Van de talrijke eilanden en banken op de kaarten vermeld, als liggende in onzen weg, hebben we er geene enkele gezien; toch zullen deze eilanden en banken voor een gedeelte bestaan, doch hunne plaatsbepaling is ongetwijfeld foutief. Dit is het juist, wat het varen in zulke wateren zoo zorgwekkende maakt.

 

Ons leven was in dezen tijd geenszins onaangenaam; we hadden ons voor, gesteld, dat de reis over den noordelijken Pacifiek lang zou duren en erop [ 162 ]gerekend, dat het nog kon tegenvallen; we wisten vooraf, dat we in al dien tijd, behalve onzen bodem en wat deze bevat, niets dan lucht en water zouden zien; we beseften het gevaar, dat deze lange, eenzame weg, zonder vluchthaven onder het bereik, voor ons kon opleveren wegens het ongenoegzaam bekende vaarwater. Doch met iederen dag, waarop we een goed aantal mijlen op den weg vorderden, werd het vertrouwen in de toekomst versterkt. De frissche passaatwind temperde de keerkringshitte Er werd niet gestoomd en de zeilen verkoelden het schip, droegen krachtig bij tot verfrissching van den scheepsatmosfeer. De volgende dag geleek in alles op den voorafgaanden, doch de eentoonigheid deerde ons niet: eene geregelde afwisseling van bezigheden, zoowel bij de officieren, als bij de equipage, verbande de verveling. Deze plaag bleef onbekend. De Zondag alleen gaf eenige, doch voldoende afwisseling: de inspectie van het schip door den kommandant, daarop de godsdienstige toespraak, het achterwege blijven van de exercitiën, de vrije tijd voor de equipage, kenmerkten dezen dag; de koks hadden het dan wat drukker, want de hofmeesters brachten extra blikken in de kombuis; in den longroom stond in de voormiddaguren gewoonlijk des Zondags eene extra versnapering gereed ter verfrissching, bijv. eene terrine heerlijke karnemelkspap, of iets dergelijks, en hij, die zich zelven met zijne vrienden eens tracteeren wilde, kocht uit den wijntoko eene flesch champagne (een uitmuntende morgendrank tusschen de tropen op den Pacifiek), waarbij de draaipiano van den eersten officier zich lustig liet hooren. Voor hem, die den band met zijne betrekkingen, ook op den Pacifiek, levendig hield, was de Zondag de geschiktste dag om de correspondentie bij te houden, de indrukken van eene week aan het papier toe te vertrouwen, welk papier ter eeniger tijd, zoo hij hoopte, zijne bestemming zou bereiken. De onderlinge verstandhouding in alle kringen was goed — rustig ging alles in zijn werk; reeds meermalen had men, onder andere te Valparaiso en te San Francisco, opgemerkt dat de officieren van de Curaçao op een vertrouwelijken voet met elkander omgingen.

De onderlinge goede verstandhouding is dan ook een eerst vereischte om het leven aan boord dragelijk te maken. Groote intimiteit is volstrekt niet noodig, zelfs dikwijls gevaarlijk, omdat ook te groote vertrouwelijkheid zoo lichtelijk tot groote verwijdering kan leiden.

Wel is waar zagen we weinig anders dan lucht en water, dan hemel en zee, doch in de heldere nachten bood het uitspansel een prachtig schouwspel aan, dat den waarnemer steeds boeide; als de luchtstrooming weinig snelheid had, en omstreeks het middernachtsuur, of wanneer nog andere, minder bekende omstandigheden er toe bijdroegen om den dampkring den hoogsten [ 163 ]graad van doorschijnendheid te geven, dan vooral hadden we gelegenheid om de groote verscheidenheid in kleur van de sterren te observeeren, zoowel van de sterren der eerste grootte als van kleinere. Onder de sterrekundige werken, aan boord aanwezig, werd door ons de populaire sterrekunde van den heer Brinkman dikwijls ter hand genomen. De beschouwing van den sterrenhemel met behulp van een doelmatigen kijker, was voor ons dikwijls eene bron van genoegen, die den geest op eene aangename wijze bezig hield, het gemoed tot zachten ernst stemde en eene heilzame afleiding gaf in de eigenaardige beslommeringen van het leven op zee.

En wat inzonderbeid ons het leven gedurende dit gedeelte der reis betrekkelijk aangenaam maakte, was de goede gezondheid die ieder genoot, waardoor de geest opgewekt bleef, het gemoed tegen onlust werd bewaard. We hebben het onwaardeerbare voorrecht, dat de bemanning gezond is, zoodat wij te Yokohama arriveeren, zonder een enkelen zieke.

Toen op den verjaardag onzer geliefde Koningin de kommandant eene toespraak richtte tot de geheele bemanning, wees hij o.a. op dit groote voorrecht en was het voor den schrijver dezes eene aangename verrassing, toen de spreker met waardeering gewaagde van de bemoeiingen van den overste Hellema, omtrent alles wat op de gezondheid der bemanning betrekking heeft, hierbij bevelende, dat van deze openlijke hulde aanteekening zou worden gehouden in het scheepsjournaal. Zoo iets moet den officier van gezondheid bij de Nederlandsche Marine goed doen. Het neemt evenwel niet weg, dat niemand meer dan de schrijver dezes overtuigd is, dat de geneesheer alleen, zonder volle medewerking van den kommandant en den eersten officier, zeer weinig ten goede kan doen, en dat ten slotte, voor alles en boven alles, 's Hemels zegen op de reis moet rusten om eene voorspoedige reis te maken: immers zonder geluk vaart niemand wel.

Van de verplaatsing in de lengterichting over den grooten afstand van 100 graden, hebben we geen nadeel ondervonden. Toch zal de verplaatsing over zulk een grooten afstand, in de lengterichting, tusschen de keerkringen, in den regel nadeeliger inwerken op den gezondheidstoestand der scheepsbemanningen, dan eene even lange reis in de richting van den meridiaan, al loopt deze door de tropen, terwijl gene reis een verblijf in de tropen meebrengt van vrij wat langeren duur. Sommige schrijvers beweren, dat de invloed eener verplaatsing in de breedte verschilt van die in de lengte; ik ben van oordeel dat zulks zeer afhankelijk is van den parallel in het laatste geval; dat de meer of min aanhoudende temperatuursverhooging het hoofdmoment is en dat het eentonige afzeilen van één parallel geen voordeel kan opleveren.

 

 
  1. Bij de wetten van 14 Nov. 1879, (Staatsbladen n°. 194 en 193) zijn de zoogenoemde lijfstraffen afgeschaft bij de Nederlandsche Marine en vervangen door berisping, arrest, strafdienst, provoostarrest, inhouding van soldij en degradatie, (disciplinaire straffen), terwijl aan het Hoofd van het Dept. van Marine de bevoegdheid is toegekend, om onverbeterlijke schepelingen uit den dienst te verwijderen; de straffen voor crimineele vergrijpen zijn als hoofdstraffen: de doodstraf, gevangenisstraf, cassatie en detentie; als bijkomende straffen: eerloosverklaring, vervallenverklaring van den militairen stand, degradatie en vermindering in klasse. Deze belangrijke wijziging is voorafgegaan door de oprichting van kweekplaatsen voor de Marine, nl. van opleidingsvaartuigen, alwaar de gezonde jongen wordt gevormd tot bruikbaar oorlogsmatroos, bij wien lijfstraffen als tuchtmiddelen moeten kunnen worden ontbeerd. Sedert deze wet in werking is, worden, meer dan vroeger het geval was, de onverbeterlijke sujetten uit den zeedienst verwijderd. In de geschiedenis van de Nederlandsche Marine zal de wettelijke afschaffing der lijfstraffen vermeld worden als eene verhevene daad, die der Natie en der Hooge Regeering tot eere strekt. Moge weldra de ervaring leeren dat de juiste tijd daartoe gekozen is, en dat deze gebeurtenis krachtig zal bijdragen tot de verandering der volksopinie. Het "naar het oorlogsschip met den deugniet!" verandere weldra in "de jongen is waard om op 's Lands vloot te dienen."