Naar inhoud springen

Eene reis om de wereld/XX

Uit Wikisource
Van Shanghai naar Hong Kong en Manilla. Eene reis om de wereld (1880) door Doeke Hz Hellema

Manilla. Philippijnsche eilanden.

Van Manilla naar Batavia.
Uitgegeven in Nieuwediep door J.C. de Buisonjé en Zoon.
[ 204 ]
 

XX. VERBLIJF TE MANILLA.

14°36' N.Br. en 120° 56' O.L.

Van den 6 tot den 12 September 1877.

 

Op een afstand van 3 à 4 Eng. mijlen, ongeveer ten zuiden van den mond der rivier Paesig, ankerde de Curaçao in 6½ vadem. De reede is bij storm niet zeer veilig, waarom oorlogsschepen gewoonlijk onder Cavite, 3 geogr. mijlen zuidwaarts, ankeren. Met den kijker kan ik aan den witten vuurtoren en aan het in- en uitgaan van sloepen en weinig diepgang hebbende schepen den mond van den Paesig herkennen, die Binondo scheidt van de oude Spaansche, door wallen en muren omringde, zoogenaamde militaire stad Manilla, die aan den linkeroever ligt. De stad is rechts en links langs den oever der baai begrensd door zoo ver als ik kan zien zich uitstrekkende lage en kleine woningen, als van inlandsche dorpen, met riet bedekt. De stad is, vooral aan het groote aantal kerken en torens en kloosterachtige gebouwen, van af het schip gezien, kenbaar.

De hoofdstad der Philippijnsche eilanden is gelegen aan de baai van Manilla, aan de oostkust van het noordelijk gelegene, groote eiland Luzon. Deze prachtige baai, overal ankergrond hebbende, is zoo groot, dat alle oorlogsvloten der aarde daarin tegelijkertijd kunnen ankeren. Van de reede van Manilla kunnen slechts de bergtoppen aan den overkant der baai gezien worden. De rivier Paesig voert noordoostwaarts tot de vermaarde Laguna, het groote zoetwatermeer.

Over de stad heen, die in eene vlakte gelegen is, verrijzen in het Z.O. en N.W. de blauwe bergen van San Mateo.

De bevolking van de omwalde stad Manilla en het tienmaal grootere Binondo, samen ongeveer 200.000 zielen bedragende, bestaat uit Tagalen, Chineezen, Mestiezen, Spanjaarden en blanke vreemdelingen. De nog grootendeels onbekende bergachtige binnenlanden van Luzon worden mede bewoond door de afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners, de Negritos en de Hygrotes (volgens den Oostenrijkschen natuuronderzoeker Dr. Körbel) van welke op de Papoeërs gelijkende wilden nog weinig bekend is. De [ 205 ]Tagalen vormen de groote meerderheid der aan Spanje onderworpene bevolking van de Philippijnsche eilanden; ze behooren tot het Maleische ras en spreken eene taal, die met het Maleisch groote verwantschap heeft. Alle Tagalen zijn christenen en leven onder het bestuur hunner "padras", rustig in de dorpen.

De Chineezen, de nakomelingen van Chineezen en Tagalen en die van Spanjaarden en Tagalen, zijn zeer menigvuldig, vooral in de hoofdstad. Hoe geheel anders is de verhouding van de Spanjaarden tot de inheemsche bevolking van Luzon als van de Nederlanders tot de inlanders op Java. Te Manilla dezelfde taal (Spaansch), dezelfde godsdienst. De Spanjaard heeft beide aan de Tagalen opgedrongen. Het gekruist ras schijnt alhier meer levensvatbaarheid te bezitten dan op Java. De Spanjaard is voor eene blijvende kolonisatie in de tropen geschikter, misschien omdat er nog Phoenicisch en Moorsch (Afrikaansch) bloed in zijne aderen stroomt. De Spanjaarden noemen zich te Manilla "Hyos del pais"; het repatriëeren ligt niet in hun verschiet.

 

De Philippijnsche eilanden bloeien niet, wegens den vorm van bestuur, het ultra-monopoliestelsel, de wanbetalingen van het gouvernement te Madrid. En toch is de bodem op de meeste plaatsen verbazend vruchtbaar, de hulpbronnen des lands zijn zeer vele, de bevolking is grootendeels goedaardig.

Deze belangrijke archipel, zich uitstrekkende ongeveer van 5° tot 18° N.Br. en van 120° tot 127°. O.L.Gr., staat onder souvereiniteit van Spanje. Magelhaens en na hem (de beroemde zeevaarder liet in 1521 op een dezer eilanden, Zeboe, het leven, bij gelegenheid van een gevecht met inboorlingen) Legaspi veroverden voor de koningen van Spanje deze in het Verre Oosten gelegene landen, die reeds vele jaren vóór de komst der Spanjaarden aan de Portugeezen bekend waren, welke er handel dreven. Het is vrij zeker, dat in de negende eeuw Mahomedaansche stammen van Maleisch ras zich op de kusten van de Philippijnsche eilanden hebben nedergezet, waarbij de inboorlingen naar de bergachtige binnenlanden verdrongen werden. Na de komst der Europeanen werd de Mahomedaansche godsdienst door den christelijken verdrongen en was de groote ijver der Spaansche geestelijke orden een machtige hulp voor de uitbreiding en instandhouding van het Spaansche gezag. Er bestaan echter nog onafhankelijke stammen, die den Koran behouden hebben, terwijl in de binnenlanden een groot aantal stammen hunne onafhankelijkheid handhaven. De jongste Spaansche schrijvers, zoowel als de officieele opgaven, geven aan dat op Luzon en verder op Mindanao en de Visaya-groep ruim, 7 millioen inwoners onder Spaansch gezag staan. Doch dit gezag laat veel te wenschen over, als noodwendig gevolg van de [ 206 ]gebrekkige kennis aangaande de binnenlanden. Reeds drie en een halve eeuw heerschen hier de Spanjaarden en nog zijn met de maagdelijke bosschen bedekte berglanden voor hen zoo goed als ontoegankelijk, zelfs het binnenland van Luzou, op betrekkelijk geringen afstand van de hoofdstad; nog steeds moeten gedurig expeditiën waar de verschillende eilanden afgezonden worden om opstanden te bedwingen.

Zoolang de westkust van Centraal- en Zuid-Amerika aan het gezag van Spanje onderworpen was, bestond er een uitgebreide handel tusschen Manilla en vele steden van dit gedeelte van Amerika, voornamelijk Acapulco en Payta. Reeds in het laatst der 16de eeuw trokken jaarlijks vele groote galjoenen met kostbare ladingen gevuld en met een groot aantal kooplieden, zeelieden en soldaten bemand, van uit Manilla naar Acapulco, later naar Payta, en terug, hadden steeds langdurige reizen, waren soms langer dan een jaar onderweg van Manilla naar Payta. Als er geene groote tegenspoeden waren, trok Spanje groote voordeelen van dezen handel, doch de wonderlijke en onhandelbare, doch steeds eene kostbare lading bevattende galjoenen werden meermalen geroofd door kaperschepen, die geregeld jacht op hen maakten; vooral de Engelschen legden zich toe op deze jacht. Met het eindigen van het Spaansch gezag in Amerika eindigde ook deze handel van Manilla op Amerika.

Manilla, nl. Luzon, is zeer onderhevig aan aardbevingen. De treurigste overleveringen en herinneringen bestaan van die van 1601, 30 Nov. 1610, 30 Nov. 1645, 20 Aug. 1658, 1675, 1699, 1796, 1824, 1852, en 1863, van welke laatste ik nog de overblijfselen zag in enorme ruïnes van kerkgebouwen in en nabij de stad.

De warmte was ons hier vrij dragelijk, hoewel de middagtemperatuur constant boven 30° C. was; doch de warmteproductie in het schip heeft tijdelijk opgehouden, en bij zonsondergang brengen onweersbuien en regenbuien verkoeling aan; boven Cavite en Manilla pakken de donkere wolken, van het gebergte afkomende, zich samen en onder geweldige donderslagen begint het te regenen, bij tusschenpoozen, tot aan zonsopkomst, echte tropische regens, alsof het van den hemel wordt gegoten. Alsdan is het onder de regententen zeer benauwd. Daarbij wordt het hem die aan boord blijft, over dag zeer onaangenaam gemaakt door het zeer langzame kolenladen, waardoor gedurende drie dagen het geheele schip met fijne kolenstof was vervuld.

De kentering van den Noordoostmousson in den Zuidwestmousson, die in Mei of Juni plaats vindt, gaat gepaard met hevige stormen (colla's genoemd); evenzoo bij de kentering van den Zuidwest- in den Noordoost-mousson, [ 207 ]in September of October, doch zijn alsdan de stormen heviger, (draaistormen, typhoons) en verspreiden deze verschrikkelijke orkanen overal schrik en verwoesting. Algemeen werd te Manilla op den 12 September een dergelijke orkaan verwacht. Toen wij in den avond van dezen dag ons op ruim 20 geogr. mijlen afstand van Luzon bevonden, en ons verheugden in het droge, heldere weder, zagen we in de richting van de baai van Manilla uren achtereen weerlicht.

De volgende gemiddelden zijn volgens waarnemingen te Santa Anna (Manilla) gedurende 5 jaar genomen (van 1865—1869).

December — April zijn de droge maanden, op het einde van welke de velden eene grijze kleur erlangen, de plantenwereld een treurig voorkomen heeft, en in de onderste luchtlagen voortdurend veel fijn stof wordt zwevende gehouden. In de overige maanden regent het veel, dikwijls (Juli) 14 dagen lang zonder ophouden; de rivieren (de Paesig) zwellen, de lage boorden der baai worden overstroomd en de dorpen der Tagalen staan in den omtrek van Manilla in een moeras. In de nabijheid van deze stad konden wij ons, bij een rit, dien we in een net rijtuig maakten, van den overvloed van water overtuigen. Ternauwernood hadden wij gelegenheid eenige uren rond te rijden; de regenbuien namen het aangename weg, en de van af de bergen langs den oever der baai samenpakkende wolkgevaarten dreven ons tot spoed, om aan boord te komen. De gezondheidstoestand te Manilla en in de voorsteden kan niet gunstig zijn: in den bouw van de oude stad en van de voorsteden; in den veeltijds als een moeras zich voordoenden bodem; in de met stof overvulde atmosfeer; in de voeding der lagere volksklassen, zijn de voorwaarden aanwesig voor een ongunstigen gezondheidstoestand.

[ 208 ]Op onze vraag naar den gezondheidstoestand der stedelingen werd door een welgestelden Engelschman geantwoord: "zeer wel, nimmer was ik, of een der leden van mijn gezin ziek"; en toch hadden wij te Shanghai en te Hong Kong vernomen, dat onlangs de cholera vrij hevig te Manilla geheerscht had. De gezondheidspas, die ons alhier werd uitgereikt, was schoon — en toch deelde de admiraal aan onzen kommandant mede, dat er gevallen van gele koorts waren waargenomen. De zaak is mijns inziens deze: het gouvernement is doorgaans met den gezondheidstoestand onbekend; er bestaat geene burgerlijke stand, geene sterftestatistiek; men is niet in de mogelijkheid, te weten, wat er van de zaak aan is. Alleen als er wat meer menschen sterven dan gewoonlijk, vooral van de welgestelde klassen, dan wordt de alarmtrom geroerd en moet het gouvernement ook wel officieel den minder gunstigen toestand erkennen.

Aan weerskanten van den Paesig bevinden zich de groote (gouvernements) sigarenfabrieken, eene te Binondo, niet ver van de groote brug over de rivier en eene westwaarts van de militaire stad, Wij brachten een bezoek in de eerste en kwamen op onzen rijtoer de werkvrouwen der tweede tegen, bij het uitgaan der fabriek; op den retour kwamen we ook de werkvrouwen der eerste tegen, met wie we in de fabriek reeds kennis gemaakt hadden. De geheele weg, dien we bereden, was dus bedekt met duizenden rookende Tagalerinnen, veelal jeugdige niet-schoonen, doch de meeste konden zich beroemen op prachtig haar, bij sommige tot aan de kuiten afhangende. Het bezoek in de fabriek loonde de moeite. Het gebouw is zeer eenvoudig; een halfsteenen hoofdgebouw met de bureaux der ambtenaren, waarachter een tiental groote loodsen met een paar kleinere voor drogerij en pakkerij. In ieder der groote loodsen zaten gemiddeld 800 vrouwen, aan lage tafels op banken, in orde gehouden door opzichteressen. Op enkele ambtenaren na was het een vrouwelijk personeel. De hooge atmosferische temperatuur, de sterke tabakslucht, de emanatie van zulk eene talrijke verzameling vrouwen, doch vooral het bekloppen der dekbladeren met gladde keisteenen, dus het oorverdoovend geklop met 800 steenen — maakte het ons onmogelijk om langer dan eenige minuten in een paar dezer zalen te blijven. In de droogkamer lagen de sigaren, in kringsgewijze stapels van 10.000 ieder, te drogen; we telden er meer dan 250 zulke stapels. Van de prima cortados tot de kleinste met punten, merkten we minstens tien soorten op. In het expeditie-lokaal werden de droge sigaren gesorteerd, in de bekende kistjes van 250 à 500 stuks gepakt en met het jaartal van fabricatie voorzien, en deze kistjes weder in groote kisten van 10.000 stuks gepakt, welke we door koelies de fabriek zagen uitdragen naar de gouvernements-pakhuizen of [ 209 ]rechtstreeks naar de verkoophuizen; de prijs der sigaren varieerde van 9 tot 40 dollars de duizend stuks. De andere fabriek werkt met 7000 vrouwen; ik meen dat er slechts twee fabrieken te Manilla zijn en dat die te Cavite niet meer bestaan. Een groot deel der gemaakte sigaren worden door de bewoners der Philippijnsche eilanden geconsumeerd; het was een voor ons zeer curieus gezicht, op den weg die duizenden vrouwen te ontmoeten, ieder met eene kolossale sigaar in den mond.

In de militaire stad brachten we een bezoek aan de Franciskaner kloosterkerk; in een langen hoogen gang kwamen we de monniken tegen, die een omgang hielden; de prior had de beleefdheid ons rond te leiden; een andere gang was geheel behangen met kolossale schilderijen, door de inlanders, Tagalen, geschilderd, veelal de Japansche martelaren tot onderwerp hebbende; ook zagen we twee voorstellingen van zeegevechten tusschen de Spanjaarden en de "heredos Hollandesos", alwaar deze dapper vuurden, doch natuurlijk bezweken voor de Spanjaarden, die slechts het kruis omhoog hielden. Nimmer zag ik zulk grotesque-naïf zoogenaamd schilderwerk.

De militaire stad en Binondo verschillen aanmerkelijk. In de nauwe straten van statige huizen en bij de vele kerken en paleizen der eerste was het kil en doodsch, zoodat we blij waren de goed onderhoudene poorten weder achter ons te hebben.

In Binondo was alles drukte en beweging; hier voeren de vreemde kooplieden en de Chineezen het hoogste woord.

Tusschen de baai en de militaire stad, en hare vestingwerken aan den waterkant, langs de kade aan den linker rivieroever, die zich ver in de baai verlengt (even als de kade van den anderen oever), bevindt zich het Patio, de wandelplaats van den beau-monde. Wij bezochten dit Patio, zijnde een grindweg, omzoomd door grasperken. Elegante equipages met schoone Spaansche dames vertoonen zich gewoonlijk alhier tegen zonsondergang. Wij troffen het Patio ledig.

Het Nederlandsche consulaat was deerlijk in de war. De consul bevond zich op Java, onderhands den heer F.H. Hens als zijn opvolger achterlatende. Deze heer was geassocieerd met den heer Eduard Boustead Jr., chef van een Engelsch handelshuis, welke ons ter tiffin noodigde, van welke beleefdheid wij een dankbaar gebruik maakten.

Tot de meestal ruime, luchtige woonkamers, zooals in de woning van den heer Boustead, heeft het zonlicht toegang door middel van vierkante, halfdoorschijnende, parelmoeraardige, dunne, vlakke stukken schelp, ter grootte van een vierkanten decimeter en kleiner; deze stukken schelp zijn gevat in hout en vervangen het vensterglas. Daardoor heerscht op het midden [ 210 ]van den dag, bij geslotene vensters, een zacht licht in de vertrekken en wordt de zonnewarmte grootendeels buitengesloten; misschien is het gebruik van schelp, in plaats van glas, wel noodzakelijk geworden door de veelvuldige aardbevingen; men vindt deze vensterruiten zeer algemeen in Manilla.

Het regenachtige weder lokte niet uit tot een herhaald bezoek van den wal, waartoe we uren lang in de sloep moesten doorbrengen. Ons verblijf was daarenboven te kort om er aan te denken het zoetwatermeer, eenige uren stoomens in geschikte booten rivieropwaarts, te bezoeken. Aan de boorden van dit ondiepe meer, Laguna, moet de tropische plantengroei zich in al hare weelderigheid voordoen.

Onze equipage bleef voortdurend gezond; alhier werd dagelijks verversching verschaft, welke van zeer goede kwaliteit was; den eersten dag werd eene koe aan boord genomen en geslacht, doch werd deze proefneming te kostbaar bevonden. Voor de equipage was, evenals te Shanghai en Hong Kong, overvloedige gelegenheid tot het koopen van vruchten, die, hier vooral pisang en manga, van zeer goede kwaliteit waren. Voor versch vleesch werd door ons betaald f 1,25, voor versch tarwebrood f 0,55, voor Normandische boter in groote blikken f 3,45, voor kaas f 2,27, alles per kilo. Manilla is dus, even als Callao de Lima en Rio de Janeiro, eene dure plaats voor den zeevaarder, die zich moet voorzien van de dagelijksche benoodigdheden en vooral wanneer hij voor de reis victualie noodig heeft. Te Rio de Janeiro moesten we voor boter en kaas nog meer betalen (f 3.80 en f 3,30) doch was aldaar versch vleesch betrekkelijk goedkoop (f 0.635).

Eigenaardig is de kleeding der Tagalen en der Mestiezen; ze dragen een net gestroken hemd over alles heen; de vrouwen korte jakjes, waarin de grootste luxe heerscht.

We waren niet in de gelegenheid hanengevechten bij te wonen, noch eendenkweekerijen te zien, beide tot de merkwaardigheden van Manilla behoorende.