Eenheid/Nummer 1/Eenheid

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Eenheid
Auteur(s) E.
Datum 11 Juni 1910
Titel Eenheid
Tijdschrift Eenheid
Jg, nr, pg [1], 1, eerste blad, [p. 2]
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

EENHEID.

      Als de pers „de Koningin der Aarde” is, dan mag op haar rijk de uitdrukking worden toegepast, die Jezus eens den Pharizeeën toevoegde, toen ze Hem beschuldigden duivelen uit te werpen door Beëlzebub, den overste der duivelen. Het rijk van de Pers toch, is zeker bij voorkeur een rijk, dat „tegen zich-zelf verdeeld” is. Geen richting of richtinkje op godsdienstig, wijsgeerig, politiek, wetenschappelijk, ja zelfs philantropisch gebied, dat er geen „orgaan” op nahoudt, dikwijls meer dienende, om te bestrijden, dan te argumenteeren. Het zou zelfs de vraag zijn, of er door de pers alleen in zake godsdienst bv. reeds niet grooter „massa” onverdraagzaamheid onder de menschen wordt gebracht, dan welke in de tijden der groote godsdienstoorlogen tot die ontzettende catastrophen aanleiding gaf.
      We willen daarmee geen kwaad spreken van het machtigste orgaan der ontwikkeling. Alleen wezen we op zijn menschelijke onvolkomenheid en op het feit, dat het meer kon zijn, dan het tot nu toe geweest is. Het is steeds, in al zijn reusachtigheid, een echt menschelijk instrument geweest, uiting van zijn haat, nijd, afgunst, kleinheid, bekrompenheid, vuilheid, goddeloosheid, — en tegelijk van zijn liefde, idealisme, toewijding, vroomheid. Daarmee heeft het de som van het menschelijk leelijke en menschelijk mooie met denzelfden factor vermenigvuldigd en moet het toch als eindresultaat de menschheid op hooger niveau brengen, als dat mooie er tenminste in domineert.
      Is daarmede het optreden van ons weekblad en tegelijk haar naam niet veroordeeld? Zijn er geen bladen te over in ons kleine vaderlandje en geen richtingen genoeg? Moet nog meer de totale energie worden versplitst, inplaats van te trachten tot aansluiting, om meer eendrachtig de ontwikkeling der menschheid te dienen?
      En dan die naam „Eenheid”. Is er op elke gebied ooit grooter splitsing en verdeeldheid merkbaar geweest, dan juist thans? Wie benadert het aantal der politieke partijen en schakeeringen? Wie zal zeggen, hoeveel secten er op godsdienstig gebied elkander het bestaansrecht betwisten? En was de eenheid ooit verder te zoeken, dan in een tijd, dat de maatschappelijke klassen in openlijken oorlog met elkander zijn, en de staten in vollen vredestijd gebukt gaan onder lasten, die in de oudheid fabelachtig geschenen zouden hebben bij werkelijken oorlog?
      Toch bestaat eenheid en is ze de wet, die de veelheid samenhoudt. Op het gebied der stof mag de eenheid nog niet onomstootelijk bewezen zijn, de laatste jaren is men met belangrijke schreden nader gekomen tot de erkenning, dat één oer-stof aan alles ten grondslag ligt, waaruit al evolueerend al het bestaande is voortgekomen.
      De eenheid op het gebied van den geest ervaren we op tweeërlei wijzen: innerlijk en door beschouwing van de geestelijke uitingen in verschillende tijden.
      Van die innerlijke ervaring der geestelijke eenheid spreekt Jezus, als hij allen onze naasten noemt. En al mogen we onszelf stellen tegenover onze medemenschen, in onze zelfzucht de zorg voor ons persoonlijk belang zoover strekken, dat we ongevoelig worden voor al wat anderen betreft, — er zijn oogenblikken, waarop plotseling het dieper bewustzijn opleeft, dat we allen broeders zijn. In tijden van groote rampen schijnt soms ons besef te verlevendigen: nationaliteitsverschillen vallen weg, en vooroordeelen worden op zij gezet, om de stem van helpende liefde te gehoorzamen. In den ruwsten mensch ontwaakt vaak een geest van zelfverloochening en heldhaftige zelf-opoffering, als hij zijn medemensch in gevaar ziet. Dagelijks krijgen we in de dagbladen daarvan voorbeelden onder de oogen. Al schijnt er een hevige schok voor noodig, om bij velen onzer het besef van solidariteit te wekken, dat he tdan ook bij menschen, waarvan men het niet verwachten zou, te voorschijn komt, wijst er wel op, dat diep in ons binnenste die wet gegrift is.
      Alle geestelijke uitingen wijzen bovendien met niet te miskennen duidelijkheid naar de eenheid van het menschdom.
      In de oudste godsdiensten, zoowel als in de leer van Jezus, is de broederschap der menschen de grondt[oo}n. Zelfs als de heiden een bloedig offer bracht aan zijn God, dan demonstreerde hij die gedachte. Het bloed stortte hij ter aarde, als om het innerlijke leven van het geslachte dier terug te geven aan het geheel, en in den rook van het offer werden de stoffelijke deeltjes toegevoerd aan de geesten, die de lichamen der wezens bouwden. Het offer was dus een symbool van de eenheid van alle leven en van de eenheid van dat leven met de Godheid. Evenals die hooge wet van eenheid zelfs in onze dagen vaak niet begrepen wordt, zoo brachten de offeraars wel hun gave met louter zelfzuchtige bedoelingen. Het feit is er echter niet te minder waar om, dat zelfs in de oudste godsdienstige gebruiken die grondgedachte ligt verzinnelijkt.
      Eveneens is op zedelijk gebied duidelijk dezelfde wet te bespeuren. Eigenlijk is alle zedelijkheid gebaseerd op de wet der broederschap: „Hebt God lief, bovenal en uw naasten als uzelven.” Campbell noemt zonde dan ook zeer terecht zelfzucht: „er is geen zelfzucht, die geen zonde is en geen zonde, die geen zelfzucht is.”
      Doch ook de zedewetten tooneng een merkwaardige gelijkheid in de verschillende eeuwen. Deugden, die meer den dagelijkschen omgang betreffen en nauw samenhangen met de wisselende ideeën omtrent welvoegelijkheid, hoffelijkheid en beschaving, mogen zeer verschillen, de groote regels, die voor onzen geestelijken groei noodig zijn, blijken in alle tijden van kracht. Zijn de Tien Geboden thans van minder waarde dan in Mozes’ dagen? En heeft Jezus’ leer er één van te niet gedaan? En vinden we in het Boeddhisme niet dezelfde eischen? Is de volgende aanhaling niet als gesproken door dezelfde stem, die de Bergrede predikte:
      „Zalig zijn, die niet haten. Laat ons daarom te midden van hen, die ons haten, leven zonder haat.
      Zalig zijn de reinen. Laat ons daarom onder de onreinen in reinheid leven.”
      Wat de Kunst betreft, behoeven we niet er aan te herinneren, dat geen eeuwen, geen jaarduizenden gelden. Wat werkelijk schoon is, is dat door alle tijden heen. En veel van wat zich in onze dagen, en in elke eeuw afzonderlijk, met veel misbaar als kunst aankondigt, zal voor den strengen rechterstoel der tijdeloosheid niet kunnen bestaan, omdat het ’t eeuwige leven der goddelijke schoonheid mist. Men moge steeds meer étiquetjes verzinnen om kunst-uitingen te rubriceeren, de ware kunst, die het kenmerk der onsterfelijkheid in zich draagt, vindt haar grond in de verwezenlijking dier wet van Eenheid. Hoe kon ze anders na duizenden jaren nog zoo ontroeren, als de menschen van nu er niet zichzelf in terugvonden?
      Maar de wetenschap!
Die bewijst toch zonneklaar, dat de mensch van nu een andere is, dan die van duizenden jaren her. Welke eenheid is er te bespeuren tusschen de wijsgeerige en wetenschappelijke stelsels van nu, en van toen? Ja, in de wijsbegeerte willen we wel eenige gelijkenis erkennen. Lessing en Schopenhauer verkondigen gedachten, die aan Indischen invloed doen denken; Spinoza’s pantheïsme geeft eenigszins denzelfden klank als dat in de oudste godsdiensten.
      Doch wat is de gebrekkige kennis der natuurverschijnselen van vroeger eeuwen, vergeleken bij de groote wetenschap van onze dagen? Welke eeuw heeft zóó de geheimen der natuur doorgrond? Is de Westersche man van wetenschap geen heel ander wezen, dan de onwetende mysticus der oudheid?
      Als het nu echter eens bleek, dat de Europeesche beschaving niet ontdekte, maar slechts het verlorene weer terugvond? De grootste ontdekking der vorige eeuw, — de evolutiewet — vinden we reeds duizenden jaren in dieper doorvoering bij de Indische denkers. De beweging van het zonnestelsel was hun even goed bekend als ons, die Copernicus komen. En waartoe de Westersche geleerde misschien binnenkort langs empirischen weg komt — de transmutatie der elementen — is de lang belachen grondslag der alchemie. Er is wel eenig recht, om te vermoeden, dat ook in de uitingen van het wetenschappelijk denken groote gelijkheid met dat der opbouwers van vroegere beschavingen bestaat.
      De menschheid duizenden jaren aaneen in haar grootste vertegenwoordigingen steeds van dezelfde gedachten en strevingen vervuld en die in hoofdzaak gelijkvormig uitende, zoowel in zake religie, als in moraal, kunst of wetenschap; — de individuen in zichzelf de innige onderlinge verwantschap voelende, zij het bij de meesten slechts intuitief en alleen na een krachtigen impuls! En dan de historie, die in breede lijn steeds hetzelfde verloop te aanschouwen geeft, als een cinematograaf, die teruggesteld is. Zijn dat alle geen duidelijke vingerwijzingen, dat de verwarrende verdeeldheid, die dit tijdperk, als zooveel vroeger eeuwen, te zien geeft, slechts de draaikolk is, ontstaan waar de groote stroom belemmerd werd, doch die dient om dezen te krachtiger zijn bedding te doen uitschuren? Eenheid in wezen, gegrift in het dieper besef van elke persoonlijkheid, eenheid in afkomst en in doel, door de geestelijke uitingen en door de historie geïllustreerd!
      Het besef van de grootheid dier wet, kan niet anders dan neerdrukkend werken op ons, die het ondernemen, in dit blad bij vorkeur op haar werking te wijzen in de geestelijke en maatschappelijke stroomingen, die onder onze aandacht vallen. Recht van bestaan heeft een dergelijk orgaan zeker. Alleen zou het een machtig orgaan moeten wezen, inplaats van een heel zacht kinderstemmetje. Eigenlijk moest het woord Eenheid de ondertitel zijn voor de heele pers, als ze steeds haar roeping begreep.
      Maar, le choc des opinions, die de waarheid geboren doet worden! Het klinkt wonderspreukig, doch: Eenheidsbesef moet gepaard gaan met strijd.
      Evenals een nevelvlek latent al de goddelijke vermogens bevat, om een zonnestelsel te ontwikkelen, doch als nevelvlek niets beteekent, en als zonnestelsel een centrum is van werkdadige goddelijke liefde, — zoo is het gesteld met den goddelijken geest, die het in-wezen van den mensch uitmaakt. Potentieel bevatte die alle goddelijke vermogens, doch door zijn inwikkeling in de stof wordt het individu een krachtig centrum, dat de goddelijkheid-in-zich plastisch heeft te verwezenlijken. Dat gaat niet zonder strijd, evenmin als de vorming van een zonnestelsel zonder ontzettende schokken plaats heeft. De stof is weerbarstig en haar aard is: steeds te eischen, zoodat het hoogere en het lagere in ons voortdurenden strijd te voeren hebben, terwijl ook de onderlinge afgescheidenheid der individuen strijd veroorzaakt. Doch al die strijd is noodzakelijk, om al de mogelijkheden, die krachtens onze goddelijke afkomst in ons zijn tot ervaringen te maken, en ons zoo te doen worden, wat Jezus eischt: volmaakt, gelijk onze Vader in den Hemel volmaakt is.
      Met de erkenning van de Eenheid of broederschap der menschheid wordt dus niet het opvoedende karakter van strijd ontkend. Maar evenals een geordende maatschappij thans op de ontwikkelingstrap staat, dat haar leden zich volgaarne ontwikkelen zonder dat hun belangen tot bloedige botsingen aanleiding geven, zoo is het denkbaar dat in de toekomst die belangenstrijd nog aanmerkelijk wordt verzwakt, doordat de verstgevorderden de minderen helpen en tegemoet-treden. In een gezin worden de kleineren op die wijze door de oudere broeders vooruitgeholpen. De maatschappij biedt er verschijnselen genoeg van aan, dat de meer ontwikkelden de maatschappelijk zwakkeren helpen en leiden, al wordt er al te vaak door de leiders, om te vlug een zeker doel te bereiken, gerekend op de zelfzuchtige krachten der menigte, meer dan op de kracht van haar ontwaakt innerlijk besef.
      Zoolang er individuen bestaan, die een verschillenden ontwikkelingsgang — religieus, moreel, intellectueel, — hebben doorgemaakt, zoolang zal en moet er ook strijd wezen.
      Doch — en dat is de waarde van het Eenheids-besef — de strijd wordt gevoerd in het licht dier Eenheid en de menschen staan niet tegenover elkaar, maar als in een goed geordend leger naast elkaar onder de leiding der besten. Het doel is niet zelfzuchtige veroveringen te maken, maar een wedstrijd aan te gaan in zedelijke volmaking.
      Dus zoo iets als Tolstoi’s leer: „Wedersta den Booze niet”?
      Neen, Tolstoi leert een lijdelijkheid, die de zelfzucht zou kunnen misbruiken en zeker misbruiken zoù.
      Het Eenheids-besef echter, tracht weg te nemen wat de menschen scheidt en te bevorderen wat hen kan verbinden en bij allen noodzakelijken strijd het besef levendig te houden, dat we kinderen van één Vader zijn, tot bereiking van een zelfde doel gedwongen om verschillende wegen te bewandelen.
      Moge dit een utopie zijn, dan zijn we niet de eenige dwazen, noch is onze dwaasheid er een van deze eeuw. Voor zoover ons bekend is, was het doel der oude Inwijdingsscholen hetzelfde. De Druiden in Gallië leidden met tact het nog ruwe volk op zulke naar boven strevende banen, dat het smartelijk is te lezen, hoe de Romeinsche barbaren dit proces zoo moorddadig konden stuiten.
      De laatste eeuwen heeft de Vrijmetselarij geen ander doel; de voor ieder toegankelijke Gespräch für Freimaurer van Lessing kunnen ons daarvan overtuigen.
      Maar de instelling, die haar eenigen bestaansgrond in het wekken van dat Eenheidsbesef diende te zoeken, is de Kerk.
      Doet ze dat, dan is ze werkelijk de Rots, op welke God zijn gemeente zal bouwen.

E.