Eli Heimans (1906) - Wandelen en Waarnemen/26

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXV.
Autotomie
Wandelen en Waarnemen: schetsen uit het leven van planten en dieren (1906) door Eli Heimans

XXVI. Verstand of Instinct

XXVII.
Bloemen
Wandelen en Waarnemen werd gepubliceerd in 1906 te Amsterdam bij Van Holkema en Warendorf. Dit werk is in het publieke domein.


[ 175 ]
 

XXVI.

Verstand of Instinct.


 

Hebben de dieren verstand? Dat ís een veelbesproken vraag. 't Verstandigste, wat een mensch doen kan bij 't beredeneeren van deze kwestie, is dunkt mij, in de eerste plaats af te spreken: Wat zullen wij samen verstaan onder verstand? Zoo niet, dan wordt de discussie al spoedig hopeloos verward, doordat ook de verstandige menschen elkaar niet meer kunnen verstaan.

In de tweede plaats: moeten we voor dit geval de dieren opvatten in de beteekenis van alle dieren? Zoodat als iemand aan de dieren, in tegenstelling met den mensch, verstand ontzegt, hij daarmee te kennen geeft, dat er, volgens zijn meening, een onoverbrugbare kloof bestaat tusschen het geestesleven van mensch en dier, of dat het onmetelijk verschil tusschen mensch en dier juist hierin bestaat, dat de een wel en de ander geen verstand bezit.

't Spraakgebruik beslist over de beteekenis der woorden, een ander criterium hebben wij niet. En nu is niets zoo onvast als 't spraakgebruik bij begripsnamen. Niemand zal zich gezond verstand laten ontzeggen, omdat hij bijvoorbeeld geen verstand heeft van arbitrage-rekening, krijgstactiek, hofetiquette, marconigrafie, paedagogiek of glasblazen. En al heeft hij van een of van eenige dezer zaken veel verstand, dan kan hij nog een zeer onverstandig mensch zijn, Verstand is dus zoowel iets algemeens als iets bijzonders.

[ 176 ] Laten we 't laatste al vast uitlichten; anders was de vraag stellig met "ja" te beantwoorden. Een patrijshond heeft meer verstand van de jacht dan ik of de meesten uwer, een vos meer verstand van spoorzoeken dan een mensch, die niet aan die kunst heeft gedaan. In de kwestie is verstand algemeen bedoeld, dus ook in de bespreking moeten wij 't woord in algemeenen zin opvatten.

leder mensch kan krankzinnig worden; dan heeft hij zijn verstand verloren. Daaruit mogen we afleiden, dat het spraakgebruik aan ieder mensch verstand toekent. Dat blijkt ook uit het veel gehoorde, (ook tegen een heel dom mensch, die geen kind meer is): "Gebruik toch je verstand eens!" of "Wees nu toch eens verstandig!"

En dan is de gedachte geanalyseerd, aldus: Handel of tracht althans te handelen, zooals de omstandigheden het thans noodig of wenschelijk maken. De beste illustratie van deze gedachte, is de vermakelijke historie van Domme Hans of Bêta of hoe die idioten in verschillende kinderfabels heeten mogen. Die handelen allen, niet naar omstandigheden maar naar sleur, gewoonte of voorgezegde daden: "zus of zoo had je moeten doen;" wat ze te pas of ten onpas herhalen, zonder op een wijziging in de omstandigheden te letten. Zoo, niet waar? handelde Hans, toen hij zijn zak met zout in 't water legde, omdat zijn moeder den vorigen keer had gezegd, dat hij zijn kar met zand tegen wegstuiven had kunnen bewaren, door het even nat te maken; en zoo handelde hij opnieuw en steeds weer in andere gevallen.

Wat die fabelkinderen missen is werkelijk het verstand, de gave, om te kunnen oordeelen, zich, vóór het doen, te kunnen voorstellen: als ik dit of dat doe, zóó doe, dan is de uitslag zus of zoo; een geesteswerking die ieder normaal mensch [ 177 ] onophoudelijk verricht. Maar om te kunnen oordeelen, moet ook de gezonde mensch iets weten, iets geleerd, gezien of ondervonden hebben, wat met een onderhavig geval eenige overeenkomst heeft; de macht tot de werking is gegeven, aangeboren laten we zeggen; wij kunnen, zooals 't heet, verbinden, vergelijken, oordeelen en besluiten, mits de materialen bij de hand zijn. Dat materiaal, algemeene kennis van de dingen rondom ons, groeit aan met de jaren; de gave om met het materiaal te werken is er, in kiem of reeds ontwikkild, 't is een eigenschap van onzen geest; kinderen en wilden kunnen niet zoo vaak verstandig handelen als andere menschen; wil en wilskracht daargelaten.

Een meer of minder sterk en trouw geheugen en meerdere of mindere snelheid van de geesteswerking zelf, een scherp of niet zoo scherp onderscheiden van de opgenomen beelden, van schijn en wezen, dat alles maakt bovendien, behalve de ervaring, verkregen en misschien overgeërfd, ook onder gelijke omstandigheden opgroeiende menschen verschillend van verstand. Er bestaan graden, èn door de snelheid en juistheid van de geesteswerking èn tevens door de beschikbaarheid van het materiaal. Zoo kan dus de tegenstelling opgelost worden in de zegswijze dat een hoogst verstandig mensch toch vaak zeer onverstandig is of doet; de Fliegende Blätter b.v. teren er op.

De vraag is nu maar: is die bovenbedoelde geesteswerking of de mogelijkheid er toe een uitsluitend voorrecht van den mensch in tegenstelling met het dier. Kan, om het kort te zeggen, een dier nadenken? Een woord dat evengoed vóórdenken kon luiden. Denk maar eens na.

Laten we, om zeker te gaan, nog iets bedenken. De ontzaglijke hoogte, die 't verstand bij een zeer begaafd mensch [ 178 ] bereiken kan, dankt deze in de eerste plaats of in zeer groote mate aan de taal, aan de woorden, die de symbolen van de dingen in onzen geest zijn, zoo ongeveer als muzieknoten de tonen aanduiden. Die hebben 't denken in gecondenseerden vorm door grooten winst aan tijd en plaats en door 't overbrengen van geslacht op geslacht, buitengewoon vergemakkelijkt, ja, misschien mogelijk gemaakt. Om de dieren in dit opzicht rechtvaardig te beoordeelen, zouden wij den graad van 't verstand van den tegenwoordigen mensch in gedachten diep moeten doen dalen, tot daar waar het reiken zou, indien nooit een mensch had kunnen spreken of schrijven; hoogstens eenige niet zeer afwisselende geluiden had kunnen voortbrengen en slechts eenige teekens of gebaren had leeren maken.

Wis en zeker zijn een overgroot deel van de dierlijke verrichtingen instinctmatige bewegingen, hetzij reflexbewegingen, die bijna of geheel onbewuste levensuitingen zijn: zooals het groeien, 't ademen, de hartwerking en ook het zuigen der pasgeborenen, het vervellen, inspinnen, verpoppen en ontpoppen van insecten, ook andere, die onwillekeurig of althans gedachteloos verricht worden of kunnen worden, zooals loop- en eetbewegingen. Maar dit geldt net zoo goed, of tot op zekere hoogte, net zoo goed, voor mensch als dier.

Kom nu niet aan met den dooddoener: "de dieren leeren een handelwijze, hoe verstandig die ons ook toeschijnt, nooit anders of beter doen; de honingbijen (dit is een getapt voorbeeld) bouwen en werken nog net als in Salomo's tijd. Het is het instinct, zegt gij, want volgens uw eigen omschrijving groeit het verstand, wordt het met den leeftijd en ervaring van 't individu en van geslacht op geslacht rijker, veelzijdiger of, zoo 't betrekkelijk eenzijdig blijft, gecompliceerder, wat zijn waarneembare uitingen betreft. Niet aldus bij de dieren, die [ 179 ] hebben derhalve geen verstand; ze handelen zooals ze moeten door een hun ingeschapen drang en kunnen niet anders."

Dit nu is beslist niet waar; zelfs niet voor de honingbijen, die bouwen tegenwoordig wel op kunstwas; ze maken gebruik van de gelegenheid, die hun geboden wordt om zich tijd en moeite te sparen en doen de wanden van hun cellen verrijzen op een vreemden niet door hen vervaardigden bodem.

Maar al was het van duizend diersoorten te bewijzen, dat zij sedert menschenheugenis geen haarbreed van hun geërfde gewoonten waren afgeweken, als van tien soorten, ja, als maar van één enkel individueel dier het tegengestelde is te bewijzen en dat het handelde met overleg, gegrond op ervaring, op welke wijze ook verkregen, dan is de bewering dat het dier geen verstand kan bezitten, niet meer in al zijn algemeenheid vol te houden.

Dat zeer ingewikkelde gewoonten bij dieren niet ten eeuwige dage bestaan kunnen hebben, blijkt overtuigend uit het bekende, "staan" van een jachthond. Men moet het bijgewoond hebben, men moet den oogopslag van het dier gezien hebben, waarmee het den jager schijnt toe te fluisteren: "Stil, houd u gereed, ik heb ze hier voor mij in den neus," om de deelneming van den hond te kennen. Dan dat afwachten tot het schot gevallen is en het apporteeren!

Hier volgt een voorbeeld van wijziging van gewoonten naar nieuwe omstandigheden. Een sterk geval, dat ik verleden jaar zelf heb waargenomen. leder heeft wel eens gehoord van den negendooder of klauwier, een vogel, die ook bij ons voorkomt en die de merkwaardige gewoonte heeft, een massa groote hommels, torren, vliegen, muizen en zelfs jonge kale vogels levend op doorns van acacia of slee of meidoorn te spietsen; hij brengt zijn jongen bij die akelige tentoonstelling. [ 180 ] Welke beteekenis deze daad heeft of had, is moeilijk uit te maken; als voorraad dienen de dieren waarschijnlijk niet, misschien moeten de jongen zoodoende de vrees voor brommende hommels en kevers afleeren.

Heimans1906Wandelen p180c.png

Een ongewone étalage van een klauwier.

Verleden zomer nu vond ik in Limburg zoo'n moordplaats van een negendooder; maar in plaats van op doorns, waren de dieren gespietst op de stekels van prikkeldraad. In dubbele rij draaiden een aantal hommels en kevers brommend rond om het ijzeren pennetje, dat door hun lijf stak; de oude vogel en twee jongen vlogen eerst weg, toen ons gezelschap vlak bij was gekomen.

Het geval schijnt eenig of althans zeer zeldzaam te zijn, t is althans te voren nooit geboekt. Doornstruiken waren er [ 181 ] in de nabijheid in overvloed. Maar wellicht voldeed onze klauwier de wijze van deponeeren, aldus open en bloot, tusschen drie berkenpaaltjes, beter, doordien de jongen de massa gemakkelijker konden zien en overzien dan tusschen de bladeren. Prikkeldraad is nog niet zoo heel lang in gebruik; en het ligt voor de hand de mogelijkheid te onderstellen, dat de klauwier het doel van zijn instinctmatig spietsen wel kende en een verbetering in zijn methode van opvoeding toepaste. In elk geval is het een zeer merkwaardige wijziging of althans afwijking van 't instinct. Mogelijk is het, dat de klauwier met opzet aan prikkeldraad de voorkeur gaf, maar 't kon toeval zijn geweest. Dit is zoo moeilijk uit te maken. Tot mijn grooten spijt heb ik het dier den volgenden zomer niet weer aangetroffen, hoe veel moeite ik daar in den omtrek er voor gedaan heb. Ik zou gaarne hebben willen weten of deze klauwier door een ervaring, die misschien toeval was, 't prikkeldraad had leeren waardeeren, en het weer had gebruikt.