Eli Heimans (1906) - Wandelen en Waarnemen/35

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XXXIV.
Montjoie
Wandelen en Waarnemen: schetsen uit het leven van planten en dieren (1906) door Eli Heimans

XXXV. Hoe dieren sterven en waar ze daarna blijven

Wandelen en Waarnemen werd gepubliceerd in 1906 te Amsterdam bij Van Holkema en Warendorf. Dit werk is in het publieke domein.


[ 244 ]
 

XXXV.

Hoe de dieren sterven en waar ze daarna blijven.


 

Ik bedoel de dieren van het bosch en 't vrije veld. Wie veel door bosch en heide heeft gezworven, bij voorkeur de stille plekjes zoekend, bovendien oog en hart heeft voor de levende wezens, ook al zijn het geen menschen, zal zich stellig wel eens de vraag hebben voorgelegd, hoe 't komt, dat wij zoo zelden doode dieren zien en zieke dieren ons maar een hoogst enkelen keer op ons pad doen stilstaan.

Wel treffen wij 't nog al eens, een dramatisch einde bij te wonen, als het toeval ons juist bij een beekje brengt waar een otter een visch te pakken heeft gekregen, een kraai een jong haasje grijpt, of een wezel, die verhit door de jacht alle voorzichtigheid laat varen, voor onze voeten een muis of een mol pakt. Een kring van vogelveeren met bloedsporen, hazewol en restjes van een konijn, zijn voldoende om voor onze verbeelding uilen, bunsings of hermelijnen bezig te zien met hun sinister nachtwerk. Lang niet zeldzaam vinden wij de offers van de domheid en de onberedeneerde dierenhaat der menschen: mollen, padden, uilen en egels, hazelwormen en hagedissen, doodgetrapt of doodgeslagen; geschoten kraaien, eksters en vlaamsche gaaien heeft ieder ijverig wandelaar meer dan eens gevonden, en ze met den stok gekeerd, om, met een lichte rilling, doodgravers en andere aaskevers van hun griezelige genietingen te zien wegvluchten.

[ 245 ] Zoo komen wij licht tot de meening, dat verreweg de meeste grootere dieren—om van insecten, wormen en dergelijke niet te spreken—een smartelijken dood sterven in klauwen of kaken van anderen; dat het leven der dieren een eindeloos moorden en een nameloos lijden is, dat de meest kenmerkende eigenschap der Natuur wreedheid is.

Ik heb 't nooit willen gelooven. Er zijn zooveel dieren, die haast geen vijanden in hun omgeving hebben; waar en hoe sterven die?

Een van de passages uit Robinson Crusoë, welke indertijd een sterken indruk op mijn kindergeest schijnt te hebben gemaakt, is die waar Robinson dat geheimzinnige zuchten uit de verborgen grot hoort komen, en na langen strijd zijn angst overwint, weifelend binnentreedt en er een stervenden bok vindt, die zich daar had verscholen. Zouden de dieren zich gaan verbergen wanneer ze door ouderdom of ziekte moeten sterven?

Ook uit de Aarde en haar Volken, dat in mijn jonge jaren mijn lievelingsboek was en waarin ik indertijd met angst en verlangen Livingstone volgde op zijn eerste reizen door het onbekende Afrika, is mij een zinsnede bijgebleven, die mij nog dikwijls voor den geest komt als ik een dier door een ander zie grijpen of wegslepen. Livingstone zeide, er volmaakt zeker van te zijn, dat hij in het geheel geen pijn of angst had gevoeld, toen hij, door een leeuw met den bek in den schouder gegrepen, een groot eind werd mee gesleurd, tot het dier door zijn metgezellen werd doodgeschoten. Zou dat ook zoo zijn met een kikvorsch, die door een slang wordt gegrepen, met de muis in den bek van de kat?

Meer dan eens heb ik een springlevenden kikvorsch door een ringslang, een hagedis door een gladde slang zien grijpen [ 246 ] en levend verslinden. Het schijnt mij toe, dat de ongelukkige dieren, na de eerste beet, althans in de meeste gevallen, door den schrik volkomen gevoelloos worden. Het is anders onbegrijpelijk, hoe een betrekkelijk kleine ringslang een forschen kikker alleen met den bek machtig kan worden. Wie wel eens een kikker, die ontvluchten wil, met de hand aan kop of pooten vast moest houden, weet ook hoeveel kracht zoo'n springer bezit en hoeveel inspanning het ons kost, hem te beletten zich los te wringen. Er moet wel een soort bedwelming of althans verdooving in 't spel zijn, anders is de volslagen machteloosheid of het geringe verzet van 't gegrepen dier niet te verklaren. Zou de Natuur, in onze oogen zoo wreed, inderdaad genadig zijn, en dit middel bezitten en toepassen om haar zorgelooze kinderen de pijnen van den gewelddadigen dood, noodzakelijk voor het leven van andere dieren, te besparen?

Ik heb nog veel te weinig gezien van het leven der dieren, om iets anders te durven doen dan gissend vragen. Enkele feiten evenwel, algemeen bekend en verschillend verklaard, geven wel recht tot een vermoeden. Dat b.v. een Lievenheersbeestje, sommige vlinders, reptielen en ook vogels, onverwachts door ons aangevat, soms maar aangeraakt, plotseling de pooten uitstrekken, als dood neervallen, en een korten tijd levenloos schijnen, kan worden uitgelegd als een beschermend middel, een vorm van mimicry; mogelijk is het, dat dit tevens de beginnende verdooving is, die den angst en de pijnen van 't gegrepen en geknauwd worden voorkomt.

Over de oorzaken, dat men, ook in streken met een rijk dierenleven, zoo zelden van ouderdom of door ziekte gestorven dieren vindt, is door ervaren onderzoekers wel het een en ander waargenomen en medegedeeld.

[ 247 ] Ongetwijfeld duurt het in een bosch, waar veel dieren voorkomen die ook s vreten, niet lang of een gestorven dier is verdwenen tot op enkele oneetbare resten na. In ons land zijn 't de verschillende soorten van kraaien, de vossen en verwilderde katten, die spoedig een gestorven ree doen verdwijnen. Waar zulk roofgedierte weinig voorkomt, zijn het de ratten en boschmuizen, die de groote dieren in korten tijd opruimen; de kleine evenwel, die in zooveel grooter aantal voorkomen, zooals zangvogels, mollen, konijnen en dergelijke worden in de meeste gevallen begraven, en wel door eenige soorten van kevers, die ik zooeven al genoemd heb, de doodgravers.

Door de lucht van 't gestorven dier aangelokt, komen ze spoedig na den dood in groote getalen opzetten; met hun pooten, die tot graven bijzonder goed ingericht zijn, wroeten zij de aarde onder 't lijkje weg, zoodat het langzaam wegzinkt in den boschbodem. Na eenige uren is een vink of een muis deugdelijk begraven; in 't lichaam onder den grond leggen de kevers hun eieren en leven later de larven. Dit kan ieder die buiten woont zelf waarnemen, wanneer men maar een gestorven vogeltje of een doode mol in 't bosch legt op een plaats, niet te dicht bij een woning, zoodat katten of huismuizen er niet mee van doorgaan.

Meer dan eens is 't opgemerkt, dat zoo'n dood vogeltje, indien 't niet spoedig begraven, of door de aaskevers opgegeten, of door roofgedierte weggesleept werd, onder bladeren of grashalmen, soms onder afgerukte bloemen was bedolven. Wie de poëtische boschgeest mag zijn, die op zoo'n teergevoelige wijze het lijkje aan 't oog der schenners wil onttrekken, is niet te zeggen. De legende spreekt van 't roodborstje, dat blaadjes of bloemen strooit op de doode vogeltjes van 't bosch.

[ 248 ] In werkelijkheid hadden, in de enkele goed geconstateerde gevallen, kinderen den liefdedienst verricht. Mogelijk, maar niet waarschijnlijk is 't, dat enkele vogels werkelijk op deze wijze een gestorven soortgenoot begraven; eerder is 't aan te nemen, dat, wanneer geen menschenhand de bladeren heeft gestrooid, een of ander dier, een bunsing misschien, de doode prooi verbergen wilde voor een lateren maaltijd,

Als op verborgen plaatsen, in grotten, onder holstaande boomwortels of in 't dichtste struikgewas, doode dieren worden gevonden, dan is het tamelijk zeker, dat die daar niet begraven of heengesleept zijn, maar dat het zieke of afgeleefde dier, daar een stil plekje heeft gezocht om rustig en voor goed in te slapen. Dat beenderen van een voorwereldlijke diersoort dikwijls in groote massa's bijeen worden gevonden in spelonken of bergkloven, zonder dat uit fracturen of uit de ligging der beenderen tot een gewelddadigen dood valt te besluiten, zou wel eens diezelfde geheimzinnige drang tot oorzaak kunnen hebben, waardoor vele dieren gedreven worden, om eeuwen achtereen op eenzelfde, hun goed bekende, afgelegen en eenzame plek, ver van hunne gewone verblijfplaatsen te gaan sterven.

Tot besluit van dit boek wil ik met eigen woorden eens navertellen, wat de geloofwaardige Amerikaansche schrijver en natuurvriend William J. Long, die jaren lang in de bosschen geleefd heeft om de dieren in hun levenswijze te leeren kennen, over dit onderwerp heeft geschreven. William Long is een van die bevoorrechte wezens, die tijd en middelen bezitten om, zooals hij zegt, zijn schetsen te schrijven "with the subjects themselves living just outside my tent-door in the woods."

"Niet ver van mijn tent in de wildernis," zoo zegt William Long in zijn School of the Woods, "ontsprong een beekje. [ 249 ] Daar ging ik dikwijls heen, niet om te drinken, maar alleen om er stil een poosje uit te rusten en kalm toe te kijken, hoe het koele water opborrelde tusschen de draaiende keisteentjes en dan wegsloop tusschen de varens en mossen, om ook verderop lust en leven te brengen.

Terwijl ik daar zoo zat te kijken, kwam er dikwijls het kleingoed van 't bosch, onweerstaanbaar gelokt door het zachte getokkel der druppels, om er zijn dorst te lesschen. Zagen ze mij, dan doken ze snel terug tusschen de varens, om ongezien naar mij te kijken en te luisteren; maar het kleine beekje klokte en klikte zoo rustig en gestadig; zij kwamen ten leste altijd terug en, namen mij, eerst wat schuwtjes, toch maar tot hun maatje, omdat ik bij hun bron zat.

Eens zat er een kleine rietzanger op een groote varenveer, die over de bron hing als om hem te beschermen. Ik had het vogeltje al eenige dagen achtereen opgemerkt, als het rustig in het onderhout zat of stilletjes over het beekje fladderde. Mijn rietzanger dronk niet vaak, maar scheen er te komen omdat hij van het plekje hield, net als ik. Hij was oud en zonder gaaike; tusschen de donkere veeren van 't kopje liepen grijze streepjes en, zooals bij oude vogels meer 't geval is, de schilden op zijn pootjes waren gerimpeld.

De ouderdom scheen hem verstandig te hebben gemaakt, want hij toonde al heel spoedig geen vrees meer voor mij; hij ging maar een beetje op zij, als hij op mijn plaatsje zat en kwam soms vlak naast mij zitten, terwijl ik in de bron keek.

Gisteren was hij nog rustiger dan gewoonlijk, ik strekte langzaam mijn hand naar hem uit; hij bood geen weerstand, toen ik hem opnam, ging bedaard op mijn vinger zitten en sloot de oogjes.

Zoo zat hij een half uur, blijkbaar volkomen op zijn gemak; [ 250 ] knipte van tijd tot tijd slaperig met de oogen en opende ze even heel wijd, toen ik hem op mijn vingertop een druppel water bood. Toen 't schemerig werd en alle stemmen van het woud allengs zwegen, zette ik mijn oude vriendje op een lorkentak, waar hij dadelijk indutte en al rustig sliep, vóór ik weg was.

Van morgen zat hij nog dichter bij het beekje op een laag takje van de groote lork. Weer vleide hij zich behaaglijk rond in mijn hand en dronk dankbaar de druppels van mijn vinger.

Tegen donker kwam ik terug. Daar hing hij aan een dunnen dennewortel, het kopje omlaag, zijn eene pootje omklemde den wortel, zijn bekje reikte net aan 't water.

Hij was voor goed in slaap gevallen, kalm en vredig, heel dicht bij de bron, die hij zijn heele leven had gekend en liefgehad; 't stille water rimpelde op tot het snaveltje en hield zijn beeld in 't hart tot zijn laatste oogenblik.

Hoe sterven de dieren? Kalm, vreedzaam, negen keer van de tien, zooals de kleine rietzanger bij de bron, die hij liefhad. Het eenige ongewone bij dit geval bestond hierin, dat weetgierige oogen van een deelnemend mensch het zagen. Verreweg de meesten sluipen weg naar de eenzaamheid, die zij beminnen en leggen zich, door niemand bespied, daar neer waar de groene bladeren hen bedekken en verbergen zullen voor de oogen van vriend en vijand tevens.

Wij ontdekken ze daar zelden, de stervende of gestorven dieren; want een instinct drijft hen, om zoo ver mogelijk weg te vluchten in het dichtste gewas. Wij zien alleen de uitzonderingen, den kwartel in de klauwen van een havik, de vlugge eekhoorn in den bek van een wilde kat of een marter; maar de groote menigte moet den regel aangeven; die kiezen [ 251 ] hun eigen plaatsje om de oogen voor 't laatst te sluiten, even kalm als wanneer zij zich neerzetten om te slapen; en zulke blijven voor ons verborgen.

Er bestaat een zonderlinge karaktertrek, een vreemde neiging bij vele dieren, die dat wegsluipen bij ziekte of verzwakking, ver van vrienden en soortgenooten, zou kunnen ophelderen; en meteen verklaren, waarom wij zulk een verkeerde, dwaze opvatting hebben van den dood der dieren, als was 't altijd iets tragisch gewelddadigs. Alle zoogdieren en vogels hebben een sterken tegenzin, een onverklaarbaren afkeer tegen een afwijking of een ongewoonheid in 't uiterlijk van hun stam- of soortgenooten. Behalve in enkele gevallen, die steeds uitzonderingen blijken, dulden de vrijlevende zoogdieren en vogels geen kreupel of mismaakt of ziekelijk dier in hun gezelschap.

Zij vallen woest op den stumper aan, jagen hem meedogenloos uit hun gezelschap of dooden hem.

Wanneer nu een dier, oud en zwak geworden, de hulpeloosheid, de gebrekkigheid, die hem langzamerhand overweldigt, sterk begint te voelen, iets vreemds in zich bemerkt, iets afwijkends van het gewone leven, dan sluipt het weg; het dier gehoorzaamt dan aan de groote wet van bescherming tegen gevaar, die zijn heele leven heeft beheerscht; den dood kent het niet, het gaat zich verbergen tegen een gevaar en denkt gelukkig ontsnapt te zijn, als het zich goed gedekt heeft neergelegd onder de struiken en voor den laatsten keer inslaapt.

Herhaaldelijk heb ík dit opzettelijk en toevallig waargenomen bij wilde en ook wel bij tamme dieren. Eens vond ik een ouden beer, dien ik goed kende, midden ik den zomer dood liggen; in dezelfde houding en in dezelfde holte onder een boomwortel, waarin hij zich sedert jaren geregeld tegen den winter neerlegde om den langen slaap te doen.

[ 252 ] In andere gevallen schijnt iets van tevredenheid te blijken over een welgeslaagde list. Zoo met sommige eenden die onderduiken, zich onder water aan een tak vastklemmen en daar sterven, in de meening ook nu weer volkomen ontsnapt te zijn aan hun vijanden.

Somtijds ook is 't een flauw, onduidelijk instinct, dat de dieren tegen den stervenstijd oproept om te gaan, waarheen weten zij niet, maar ver weg. Zoo trekken de Canadeesche rendieren dan dikwijls ver weg naar plaatsen waar ze nooit geweest zijn, waarheen geslacht op geslacht van hun voorouders hun is voorgegaan; en daar gaan ze liggen, de dennetakken wuiven en suizen vriendelijk boven hun hoofd, ze weten niet wat hun scheelt, dat ze zoo slaperig zijn, waarom ze geen trek hebben in mos of water; en ze sterven in den slaap.

Ook overvalt oude dieren wel plotseling een sterke aandrift om snel weg te trekken; zoo vliegen oude vogels soms rechtuit rechtaan de zee tegemoet, altijd verder, tot ze niet meer kunnen en de moede wieken samenvouwen. Ze zijn al ingeslapen voor de oceaan hen opvangt.

Op een of anderen dag zult u zien, dat uw oude kanarie onophoudelijk tegen de tralies fladdert en de zoo lang niet gebruikte vleugels gedurig slaat tegen de kooi, waarin hij zoo vele jaren blijmoedig heeft gewoond. Open dan het deurtje, want er is een stem, die hem roept om te komen, de stem van zijn vergeten voorouders. Morgen is hij dood.

Zeker, er komen tragedies en catastrophen voor in 't dierenleven. Maar voor wie meer met zijn oogen dan met zijn verbeelding rondziet in de bosschen, blijken ze nog veel zeldzamer te zijn dan in de menschenwereld. Evengoed als de groote meerderheid der menschen niet door aardbeving, sneeuwval, oorlog of hongersnood sterft, maar meestal kalm [ 253 ] op hun bed, zoo sterven ook verreweg de meeste dieren kalmer nog, op een bed van eigen keuze.

Wanneer de mensch nu maar niet tusschenbeide kwam, dan werden er maar weinig drama's afgespeeld in de bosschen. Een uil stoot op een patrijs, meestal de zwakkeling, naar lichaam of geest, uit de klucht; een hak, een houw, het beestje is dood of gevoelloos—en twee jonge uiltjes smullen.

Juist in die gevallen waarin wij groot medelijden hebben met de arme dieren, speelt de verbeelding ons parten en blijkt de natuur genadig te zijn. Zoo zijn broedende vogels waarvan zoovele hulpelooze wezentjes afhankelijk zijn, beschermd door ongelooflijke voorzorgen; zelfs een vos, die er vlak langs heen draaft, kan ze niet ruiken. En mocht de moeder vallen, wel dan nog hongeren de kleintjes niet langzaam dood, zooals wij zouden verwachten. Zij roepen om eten en moeder is niet nabij, om ze te sussen en te leeren, dat stilzijn de hoogste wet is van 't bosch voor zulke hulpbehoevende schepseltjes. Zij schreeuwen weer, de kraai of de wezel hoort het en er komt snel een eind aan het broedsel. Te snel om van pijn of lijden te kunnen spreken.

Zoo gaat het in de bosschen."