Essays van Montaigne/Deel 1/Dat waar we om geven reikt tot voorbij ons eigen leven

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Essay: Dat waar we om geven reikt tot voorbij ons eigen leven

("Nos affections s’emportent au dela de nous")

vertaling: Julien Grandgagnage


Zij die de mens verwijten te veel met zijn toekomst bezig te zijn, die ons ertoe aanzetten om te genieten van wat we nu bezitten en daarmee tevreden te zijn aangezien we toch geen vat hebben op wat komt - nog minder dan op wat voorbij is - pakken de meest verbreide van alle menselijke dwalingen aan; als we tenminste van een dwaling mogen spreken in het geval van deze aangeboren neiging waarmee de natuur ons dwingt om haar werk voort te zetten: onze bedrieglijke verbeeldingskracht die ons tot daden aanzet, ook al weten we niet waar het ons naar leidt. We zijn nooit in onszelf, wij zijn altijd buiten onszelf, en angst, verlangen en hoop werpen ons steeds opnieuw in de toekomst. Daarbij verliezen wij voeling met was nu is, en wat nu onderzocht dient te worden. In plaats daarvan verkiezen wij om ons bezig te houden met wat zal zijn, ook al zullen wij er op dat ogenblik niet meer zijn:

Calamitosus est animus futuri anxius "Iedere geest die zich zorgen maakt om de toekomst, is ellendig" (Seneca)

We vinden dit grote gebod vaak herhaald bij Plato, "Doe uw eigen werk, en ken uzelf." Elk van deze voorschriften omvat alles wat ons te doen staat, en elk omvat evenzo ook zijn metgezel. Wie zich dit tot taak stelt, zou eerst moeten leren wie hij is en wat hem eigen is en zal zich dan wat hem vreemd is niet meer toe-eigenen: hij houdt van zichzelf en zal zich voor alles willen cultiveren; hij gaat overbodige beroepen, ideeën en voorstellen uit de weg. Daar waar de waanzin ontevreden blijft als haar verlangens worden ingewilligd, zal de wijsheid tevreden zijn met wat ze nu heeft en nooit ontgoocheld zijn over zichzelf. Voor Epicurius behoeft de wijze geen voorzorgen te nemen en zich ongerust te maken over wat de toekomst brengt.

"Zoals de dwaasheid, wanneer we haar schenken wat ze begeert,
niet tevreden zal zijn, zo is de wijsheid blij met wat aanwezig is,
en nooit ontevreden over zichzelf". (Cicero, Tusculanes, V, XVIII)

Van de wetten die betrekking hebben op de overledenen, beschouw ik als goed degene die de daden van de prinsen onderzoeken na hun dood. Zij zijn immers de gelijken van de wet, zo niet de meesters van de wetten zelf; en omdat het recht hen persoonlijk niet kon treffen, is het redelijk dat het dit wel vermag te doen met hun reputaties en de bezittingen van hun nakomelingen: zaken die we vaak belangrijker achten dan het leven zelf.

[...]