Gezelle/o Lieflijke

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Oosteren * 36 o Lieflijke van Guido Gezelle Weldadig zonneweer * 38
Uit Rijmsnoer om en om het jaar

     o Lieflijke lentedagen,
geen schoonder als het zappig groen,
     dat de eerstontwekte boomen dragen,
dat de eerste lonken wassen doen
     van ‘t ongeweldig zonnewezen,
     dat nauwlijks nog de kimme ontrezen,
ten avonde ebt al, na den noen.

     o Kostelijkste, o lieve stonden;
o vluchtig, o verganklijk iet,
     dat boodschapt, en gaat aanverkonden,
des fellen Zomers hard gebied!
     o Mochte ‘t altijd lente worden,
     en lente zijn, van ende torden
des vollen jaars, en anders niet!

     Doch neen: het kind zal groot bedijgen,
zal jonkheid worden, onbejaard;
     zal mannenkracht, zal vroomheod krijgen,
zal stervend gaan ten gravewaard!
     Zoo lijdt het al voorbij: dat even
     geboren was zal morgen sneven,
ach!... sterfree' wordt elkeen gebaard!

     Gij, ongeboorne alleen, en vrije
van de oude dood, die ‘t al verslindt;
     Gij, dien ik, neêr in ‘t stof, belije,
dat mij te omarmen reeds begint,
     Gij zijt de onvalsche lente, en ‘t leven
     dat Gij belooft, dat kunt Gij geven,
onsterflijk Heere, uw sterflijk kind!

voor einde 1893