Groninger Courant/1831/Nummer 93/Munchen den 7 November
| ‘Munchen den 7 November’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit de Groninger Courant, dinsdag 22 november 1831, [p. 1]. Publiek domein. |
Munchen den 7 November.
In de zitting van de Kamer der Afgevaardigden van Beijeren, te Munchen, van den 5 November jl., is de beraadslaging begonnen over de voorstellen betreffende den burgerlijken toestand der Israelieten. Al de redenaars, zonder uitzondering, verklaarden zich voor de opheffing der uitsluitings-wetten, bestaande tegen de Joden; even als al de overige burgers van den Staat, droegen zij dezelfde lasten, vervulden zij dezelfde pligten; derhalve behoorde ook op hen, niet minder dan op anderen, het in de staatsregeling vervatte grondbegrip van „gelijkheid van allen voor de wet” toegepast te moeten worden. De Mozaïsche wetten bevatteden eene goede, reine zedeleer, en de meineed of eedverbreking werd door dezelve met groote, strenge straffen bedreigd. De Joden, toen zij nog als een zelfstandig volk bestonden, waren vlijtig, arbeidzaam en dapper geweest. De heldhaftige, volhardende verdediging van Jeruzalem was met die van Saragossa te vergelijken. Dat de Joden zich meer algemeen bij uitsluiting aan koophandel overgaven, werd daardoor veroorzaakt, dat zij geen eigendom verwerven mogten, en derhalve hunne have en goed bestendig bij zich disponibel droegen. Men moest hen veroorloven, zich, onder de Christenen verspreid, met der woon te vestigen en zich grondeigendom aan te schaffen. Een volk, dat sedert 1800 jaren zonder vaste woonplaats rondzwierf, allerwege, behalve in Frankrijk en in Nederland, onder de grootste verdrukking leefde, had wel noodzakelijk, in een zedelijk opzigt, moeten terug zinken. Om dezelfde reden, immers, leefden in het Oosten de Christenen onder dezelfde verachting, als in het Westen de Joden. In Nederland, alwaar zij alle staatsburgerlijke regten genoten en uitoefenden, zag men onwederlegbaar de schoonste voorbeelden van het oorspronkelijk edel en verheven volkskarakter der Israelietische natie [1]. Hunne Godsvereering moest hen, in een verlicht en beschaafd land, niet langer tot een’ vloek gedijen. Immers ook in Frankrijk, waar zij op eene der menschheid meer waardige wijze behandeld werden, had de minister openlijk van hen het meest vereerende geiuigenis afgelegd, enz. — Na het sluiten der debatten, nam de Kamer het besluit, dat de concept-wet, tot de staatkundig-burgerlijke emancipatie der Joden, op eene grondwettige wijze aan Z. M. den Koning verzocht zou worden, om aan de stenden des rijks te worden voorgelegd.
- ↑ Hoe juist is hier de Munchensche Kamer in haar oordeel! getuigen slechts een paar hoofdtrekken: de Israelieten bij ons zijn met niet minder geestdrift, dan geheel de oud-Nederlandsche bevolking , tot verdediging van het Vaderland, behalve in de vervulling van hunnen pligt als leden der schutterij, ook in grooten getalle, buitendien, als vrijwilligers te wapen gesneld; — en wij schrijven dit als toevallig, doch met onwederlegbare zekerheid ter onzer kennis gekomen zijnde, — tegen het naderend, wintergetijde telt men onder onze gegoede Israelitische medeburgers, boven en behalve derzelver algemeen erkende liefdadigheid, onderscheidenen, die onder behoeftige huisgezinnen, om het even van welke godsdienstige gezindheid, jaarlijks, 1000 en meer mudden aardappelen, benevens brandstoffen, kleedingstukken, enz. uitdeelen. (Noot v. d. Redactie der N. Amst. Cour.)