Groninger Courant/Jaargang 111/Nummer 49/Iets over het onderwijs voor aanstaande handelaren en industriëlen
| ‘Iets over het onderwijs voor aanstaande handelaren en industriëlen [ingezonden]’ door X. |
| Afkomstig uit de Groninger Courant, vrijdag 18 juni 1852, [p. 2]. Publiek domein. |
Iets over het onderwijs voor aanstaande handelaren en industriëlen.
Elk, wien het griefde, zoo dikwijls hij, en niet zonder grond, hoorde beweren, dat uit Nederland de ondernemingszucht en energie geweken was, waardoor het zich vroeger tot een’ der magtigste Staten had verheven; ieder, die belang stelt in de eer en het welzijn van ons land, zal zeker met genoegen hebben opgemerkt, dat wij, al is het ook nog langzaam, uit onzen slaap ontwaken, en meer en meer trachten gebruik te maken van de middelen tot voorspoed, welke ook nu nog onder ons bereik liggen. Mogt iemand aan onzen vooruitgang in dit opzigt twijfelen, hij bedenke slechts, hoe gedurig, door ontginning, indijking en droogmaking, duizenden bunders gronds voor den landbouw worden gewonnen; hoe in de laatste jaren ettelijke fabrijken werden opgerigt, welke vroeger hier als geheel onbekend waren, en welker producten van buiten ’s lands moesten worden aangevoerd; hoe er krachtdadig gehandeld is en wordt, om ons land door spoorwegen, kanalen en telegrafen met andere landen in naauwere verbinding te brengen; hoe onze kooplieden in den laatsten tijd hunne ondernemingen weder hebben uitgestrekt tot oorden, waar in vele jaren geen Nederlandsch schip was gezien; hoe men er eindelijk al ernstiger aan denkt, van den rijkdom onzer overzeesche bezittingen meer partij te trekken. Waar zulke bewijzen zijn, kan er geen twijfel bestaan, of Nederland op het gebied van handel en nijverheid met andere Staten wil mededingen. Wij mogen ons over dit verschijnsel verheugen; meer echter nog zouden wij ons verblijden, als de goede uitslag ons beter verzekerd scheen. ’t Is ongetwijfeld een blijk van moed, dat wij den wedstrijd durven ondernemen; maar moed alleen is hier niet voldoende; ook de noodige krachten dienen aanwezig te zijn. En dit is juist het punt waarvoor wij vreezen.
Het zal er nu toch op aankomen, of onze handelaren en industrielen de krachten, dat is vooral de bekwaamheden zullen hebben, om met den vreemdeling, met gunstig gevolg, te concurreren. Zijn die bekwaamheden er niet, dan zullen de uitbreidingen onzer handels-operatiën en de ondernemingen der industrie veelal tot ons eigen nadeel uitvallen. Met het oog nu op de bekwaamheden der partijen, kunnen wij onmogelijk zonder vrees zijn. Immers, terwijl elders, in bijna alle Staten, zeer vele inrigtingen bestaan, waar de toekomstige handelaar en industriëel, reeds van zijne vroege jeugd af, eene opleiding ontvangt, die hem voor zijne aanstaande betrekking geschikt maakt, wordt er bij ons zeer weinig, bijna niets voor den burgerstand gedaan. Terwijl men dáár te regt oordeelt, dat het lot van den Staat grootendeels afhangt van de bekwaamheden en den toestand van die kern des volks; terwijl men dáár zich overtuigd houdt, dat de welvaart der natie met de ontwikkeling der nijvere standen gelijken tred houdt en onafscheidbaar daarmede verbonden is, wordt bij ons het voorbereidend onderwijs voor handel en nijverheid bijna geheel verwaarloosd. Die verwaarloozing is, meenen wij, volkomen duidelijk; zoodra men er slechts eenigzins de aandacht bij bepaalt. Zij wordt dan ook bevestigd door het verschijnsel, dat vele onzer bekwaamste, althans voorspoedigste industriëlen buitenlanders zijn, en dat ook menig handelshuis in ons land door vreemdelingen wordt bestuurd. Meer nog zal zij blijken, als men opzettelijk nagaat, welke inrigtingen er in ons land zouden moeten zijn, en welke er wezenlijk gevonden worden; wat wij hier wel wenschten te doen. Daar echter een dagbladartikel dergelijke uitvoerigheid niet veroorlooft, zullen wij dit alleen met het oog op de stad Groningen verrigten; en zullen wij ook dan nog de zaak slechts in hoofdtrekken kunnen behandelen.
Welke inrigting wij in deze stad voor den burgerstand noodig achten, zal zeker het best blijken, als wij aanduiden, hoe, naar onze meening, de theoretische opleiding van den handelaar of industriëel diende te zijn. Na het verlaten der lagere school, op zijn elfde of twaalfde jaar, zou de knaap moeten geplaatst worden op de inrigting, die hem voor zijne loopbaan voorbereidde. Hier zou hij onderrigt moeten ontvangen in de levende talen; grondig, maar tevens bepaald met het oog op het doel, waartoe zij hem later zouden dienen. Hij zou er dus bekwaam moeten worden om met gemak met onze naburen iv hunne taal te verkeeren en te corresponderen: dit laatste ook in den bij den handel gebruikelijken briefstijl. Van wiskunde zou de koopman genoeg moeten leeren, om alle berekeningen, die hem in ’t vervolg konden voorkomen, waardig en met oordeel uit te voeren. De wiskundige opleiding van den industriëel zou zich verder moeten uitstrekken, en hem vooral de noodige kennis moeten doen verkrijgen van de werktuigkunde. Door hem zou het machine- en handteekenen niet verwaarloosd mogen worden; het eerste mede ten einde naauwkeurig met de zamenstelling der werktuigen bekend te worden; het laatste vooral ook tot vorming van den smaak. Het onderwijs in natuur- en scheikunde zou geenszins achterwege mogen blijven. Men zou zich echter hierbij hoofdzakelijk moeten bezig houden met die deelen, welke vele en belangrijke toepassingen hebben in de industrie, ten einde de fabrikant hiermede zijn voordeel zou kunnen doen, en ook gebruik maken van de ontdekkingen, die op het gebied dezer wetenschappen mogten plaats vinden. Voor den handelaar zouden deze wetenschappen, in verband met warenkunde, evenmin overtollig zijn, daar zij vooral de middelen aan de hand geven, om de deugd van vele stoffen te beproeven, de vervalschingen te ontdekken, en de beste wijze van bewaring te bepalen.
De aardrijkskunde zou moeten geleerd worden vooral met betrekking tot de voortbrengselen, de behoeften en de middelen van communicatie; de geschiedenis voornamelijk die van lateren tijd, in verband met de ontwikkeling van handel en nijverheid. Eindelijk zou men nog moeten bekend gemaakt worden met de handelsusantiën, het boekhouden enz. Vijf of zes jaren, aan deze vakken besteed, zouden een’ grond leggen, waarop later met goeden uitslag door de praktijk kon worden voortgebouwd. Wij laten hierbij onbeslist, of er voor hen, die reeds de school verlaten hadden, nog niet de gelegenheid zou moeten bestaan, om in de beginselen der staathuishoudkunde onderwijs te ontvangen; en of er niet in eene enkele stad des rijks eene hoogere school voor handel en industrie zou mogen zijn, waar deze of gene groote koopman of fabrikant zijne opleiding zou kunnen voltooijen. Voor eene stad als Groningen zou eene inrigting, waar de bovengenoemde vakken onderwezen werden, voldoende en, naar onze overtuiging, hoogst heilzaam zijn. Men bedenke slechts, welk een onderscheid er zou wezen tusschen iemand, die tot zijn 16de of 17de jaar onderrigt als het bedoelde had ontvangen, en die daarna eenige jaren in de praktijk werkzaam was geweest, en iemand van gelijken ouderdom, die, zoo als nu veelal gebeurt, op 14jarigen leeftijd, na het leeren van eenig Fransch en Duitsch, de school verlaten heeft, om in den sleur van den handel of de nijverheid getrokken te worden, waar hij bovendien in de eerste jaren toch nog weinig kan uitvoeren, en daardoor gevaar loopt zich aan lediggang te gewennen.
Gaan wij nu tot de hier aanwezige inrigtingen voor handel of nijverheid over, dan zullen deze ons niet zeer lang bezig houden. Er bestaat hier eene inrigting, waar aankomende zee- en handwerkslieden zeer goed onderwijs ontvangen; welke daardoor zeer veel nut sticht; maar die, men zal het gereedelijk erkennen, geenszins geschikt is om onze handelaren en industriëlen uit den burgerstand de noodige kennis te doen verwerven; gelijk zij dan ook te dien einde weinig of niet bezocht wordt. Er is verder eene afdeeling van het gymnasium, waar moderne talen, ook met den briefstijl, wiskunde, aardrijkskunde (ook handelsgeographie) en geschiedenis grondig onderwezen worden, en welke veel nut zou kunnen stichten, wanneer — men er slechts gebruik van wilde maken. Of men de miskenning, die haar ten deel valt, aan hare naauwe verbinding met de afdeeling voor de oude talen moet toeschrijven, durven wij niet beslissen. Maar ook, al werd zij veel meer bezocht, dan nog zou zij volstrekt niet in de behoefte voorzien. Daartoe zou noodig wezen, dat het onderwijs op deze afdeeling, van dat op de andere geheel onafhankelijk en afgescheiden, zich over alle boven vermelde vakken uitstrekte; daartoe zou noodig zijn, dat deze afdeeling eene zelfstandige inrigting werd, alleen uit een financiëel oogpunt met de andere afdeeling verbonden, maar overigens volkomen vrij om haren eigen’ weg, geheel op de praktijk gerigt, te volgen.
Wat is dus nu het resultaat der vergelijking van het bestaande met hetgeen bestaan moest? Die vergelijking leert, dat er hier voor den handwerksman reeds veel gedaan wordt, maar dat er op verre na geene voldoende gelegenheid voor den toekomstigen handelaar of industriëel is, om een behoorlijk onderwijs te genieten; dat er bepaald eene inrigting diende gevormd te worden, welke de aanstaande kooplieden en industriëlen geschikt zou moeten maken om met vrucht tot de praktijk over te gaan; en waar het geheele onderwijs met een praktisch doel zou moeten gegeven worden, steeds met het oog op de toepassing op handel en nijverheid. Zonder er de geheele praktijk te leeren, zou men er die wetenschap moeten opdoen waaraan de praktijk behoefte heeft. De praktische strekking even wel zou alleen daarin bestaan, dat de leerling slechts met die vakken bekend werd, welke met zijne toekomstige loopbaan in verband staan; dat hij er alleen die bronnen zou leeren kennen, waaruit vele toepassingen voortvloeijen. Het onderwijs zelf zou altijd grondig, nimmer oppervlakkig moeten zijn. En dan vooral, er zouden geene voorlezingen moeten gehouden worden; het zou eene school moeten zijn, ongeveer zoo als die te Maastricht, de eenige van dien aard in ons land, welke tegenwoordig, vier jaren na hare oprigting, reeds 70 leerlingen telt, op eene bevolking, veel kleiner dan die van Groningen.
Zal men nu mogen hopen, dat zulk eene school hier spoedig tot stand komt? Wij vreezen, helaas, van neen. Wij gronden onze vrees geenszins op de uitgaaf van vijf-, zes- of zevenduizend gulden ’s jaars, voor haar onderhoud benoodigd, en die niet geheel gedekt zou kunnen worden door het schoolgeld, dat hier vooral laag zou moeten zijn, opdat zeer vele jongelingen, ook van minder vermogende ouders, de vruchten der inrigting konden genieten. Immers, wij durven niet vooronderstellen, dat zulk eene som een onoverkomelijke hinderpaal zou zijn voor eene stad, welke zooveel voor het onderwijs overheeft; waar, nog kort geleden, tonnen schats zijn besteed tot een nieuw gebouw voor het hooger onderwijs; waar ook voor het onderwijs in de oude talen, voor den zoogenaamden geleerden stand, vele opofferingen worden gedaan; waar zelfs voor het allerlaagste onderwijs, voor bewaarscholen, duizenden guldens zijn uitgegeven.
Maar ’t is veeleer, ja alleen, in de onverschilligheid van den burgerstand zelven, dat wij het grootste bezwaar zien. Zoo lang deze meent, dat zijne zonen geen grondige opleiding behoeven; zoolang deze niet ernstig eu krachtig er op aandringt, dat ook voor hem een voldoend onderwijs worde ingerigt; zoo lang zal hier de oprigting eener school voor handel en industrie wel een vrome wensch blijven. Maar ook, zoolang deze meening bij den burgerstand blijft heerschen, zullen onze handelaren en industriëlen bij den vreemdeling moeten achterstaan; zoolang zullen de buitenlanders onze landgenooten uit handel en fabrijken verdringen; zoolang zal ieder onbevooroordeelde van onzen wedstrijd met onze naburen in handel en industrie op den duur weinig goeds durven verwachten.
Groningen, Junij 1852.
X.