Naar inhoud springen

Groninger Courant/Jaargang 111/Nummer 52/Iets over bescherming en vrijheid van handel

Uit Wikisource
‘Iets over bescherming en vrijheid van handel. III’ door Michel Chevalier
Afkomstig uit de Groninger Courant, dinsdag 29 juni 1852, [p. 2]. Publiek domein.
[ 2 ]
 

Iets over bescherming en vrijheid van handel.

Naar Michel Chevalier, Hoogleervaar te Parijs.

III.

Wat! heeft men mij dikwijls toegeroepen, gij wilt den ondergang van zoo vele heerlijke takken van nijverheid, die den roem van het land uitmaken! — Ik ken geene nijverheid, die den roem van het land uitmaakt, dan die welke hare produkten goedkooper voortbrengt dan vreemde. De nijverheid is slechts roemvol, naar mate zij ons de middelen verschaft om goedkooper te leven, en in een ander opzigt geenszins. Wat den ondergang der beschermde nijverheidstakken aangaat, als zij slechts hunne berekening maken, is er niets te vreezen. Door den prikkel der noodzakelijkheid gedrongen, zullen zij eene poging te meer doen en weder opleven, doordien zij, zich hunnen toestand bewust wordende, alle hunne krachten zullen inspannen om met de vreemde industrie gelijken tred te houden. Zijn er bij, die hierin ten achteren zijn, dan is zulks bijna altijd aan het beschermend stelsel te wijten, omdat dit hen aan de dringende verpligting heeft onttrokken, die op hen rust, nl. naar volmaking te streven.
België maakte, vijfendertig jaren geleden, een gedeelte van Frankrijk uit en zijne werkplaatsen en fabrijken gingen de onzen niet te boven. Indien dezen nu in eenige opzigten ons den baas zijn, indien b. v. België ijzer en machines goedkooper heeft sedert de afscheiding, heeft hetzelve een vrijzinniger of minder streng tarief gehad, dan het onze. Evenzoo Zwitserland, dat zich niet beschermde, en reuzenschreden heeft gedaan in de nijverheid. Telkens als er — onverschillig bij welk volk — sprake is van eene vermindering der premiën of regten, die de bevoorregte industrietakken zich door het publiek laten betalen, uiten zij zieldoorsnijdende kreten en kondigen met luider stemme hunnen ondergang aan. De wetgever moet echter regt op zijn doel blijven afgaan, en de hervorming daarstellen ten nutte van het algemeen belang, en het is meer dan waarschijnlijk, dat men weldra diezelfde fabrijken, die zich verloren waanden, meer dan vroeger zal zien bloeijen. Twintig malen heeft de ondervinding het ons geleerd. In Pruissen en andere Duitsche Staten verhieven zich jammerkreten onder de fabrikanten, toen het Zollverein de fabrijken van geweven boomwol en de wolspinnerijen aan de concurrentie der Saksische onderwierp; het was, zeiden zij, hun doodvonnis. Twee of drie jaren later, bloeiden zij. Hoe dikwijls is dit in Engeland niet verkondigd, telkens als de regten op de Fransche zijden werden verminderd, en telkens in tegendeel hebben de Engelsche zijdefabrijken er eene ongekende kracht door ontwikkeld. Bij ons zoude in 1843 de gelijkstelling der regten de inlandsche suiker vernietigen [1]. Is die verwonderlijke nijverheidstak bezweken? Neen, juist het tegendeel, de koloniën waren het, zelfs nog vóór de gebeurtenissen van 1848, die om genade kwamen smeeken.
In alle dergelijke gevallen gaan geene fabrijken te niet, tenzij zij misplaatst waren of op onhoudbare voorwaarden werkten. Het is ongelukkig voor de belanghebbenden, bedroevend voor alle welwillenden; maar moet een individu het regt hebben, ten eeuwige dage der maatschappij eene belasting op te leggen, omdat hij eene slechte plaats voor den zetel van zijne nijverheid heeft gekozen of omdat hij zich hardnekkig aan onmogelijke en verouderde vormen en voorwaarden vastklemt? Aan een ieder zijn regt, aan een ieder de verantwoordelijkheid voor zijne eigene zaken. Als men door eene belasting op de maatschappij, de hoofden van industriële inrigtingen, die uit eigene kracht niet langer kunnen staande blijven, vermeent onbepaald te ondersteunen, dan herleeft weder het regt op den arbeid. En als dit wordt erkend ten voordeele der fabrikanten, uit kracht van het beschermend stelsel, vraag ik, waarom men het niet bij de constitutie ten voordeele der werklieden bepaalt. De wet der verantwoordelijkheid is voor allen dezelfde, maar als er eene uitzondering dient gemaakt te worden, dan komt het mij voor, dat zulks het eerst ten gunste der arme klassen dient te geschieden.
Ik beken, dat het voor eenige personen, die gehoopt hadden zich hier op dit ondermaansche een gerust leventje te bereiden, eene onaangename stoornis is; maar wij zijn hier om beproefd te worden. Soms is de proef hard; wij hebben echter toch geen regt, om ons er over te beklagen, ik zeg niet alleen voor God, maar zelfs voor de menschen, als zij komt ten gevolge van de ware vrijheid en regtvaardigheid, en bovenal niet, wanneer wij van hare onmiddellijke komst vooraf zijn verwittigd geworden. Hij alleen kan zeggen, dat de voorzienigheid gestreng is, en dat de menschen elkanders vijanden en vervolgers zijn, die voor zich alleen alle geregtigheid en vrijheid heeft. Hoe zou de nijverheid aan die hoogere wet kunnen ontkomen? Alles is hier beweging en derhalve woeling en verstoring; de beetwortel vervangt en verstoort de suiker, tot zoo lang zij eens weder door eene of andere plant wordt opgevolgd; de spoorwegen dooden de diligences en andere rijtuigen, de stoombooten de zeilschepen; de boomwol veroorzaakt den ondergang van wol en hennep; de mechanieke werktuigen vervangen den handenarbeid. De eene machine verjaagt de andere; de eene handelwijze stelt zich in de plaats van haar, die den vorigen dag nog het nee plus ultra van het menschelijke verstand scheen. De mededinging werpt alle onze berekeningen omver en midden tusschen al die woelingen en stoornissen, is toch een onophoudelijke vooruitgang — de toenemende volkomenheid en goedkoopheid van alle voortbrengselen, met andere woorden, de overvloed.


  1. Zoo als men weet, wordt er in Frankrijk eene menigte suiker uit beetwortelen getrokken.

Overige vindplaatsen

[bewerken]
  • Michel Chevalier (10 juli 1852) ‘Iets over bescherming en vrijheid van handel’, Nijverheids-Courant, [p. 3-4].