Groninger Courant/Jaargang 111/Nummer 53/Iets over bescherming en vrijheid van handel
| ‘Iets over bescherming en vrijheid van handel. IV’ door Michel Chevalier |
| Afkomstig uit de Groninger Courant, vrijdag 2 juli 1852, [p. 2]. Publiek domein. |
(Ingezonden.)
Iets over bescherming en vrijheid van handel.
Naar Michel Chevalier, Hoogleeraar te Parijs.
IV.
Reeds sedert lang is het beschermend stelsel met regt veroordeeld; reeds bijna eene eeuw geleden, hebben Adam Smith en Turgot de zwakheid en het onhoudbare van zijne grondslagen bewezen. En toch verwaardigden zich de meeste mannen uit de politieke cirkels, die er roem op dragen, geene theorie te hebben, dat is, die er roem op dragen hunne denkbeelden en daden niet aaneen te binden en die de reden niet weten van hetgeen zij doen, naauwelijks te antwoorden aan hen, welke hun bewijsgronden tegen het beschermend stelsel aanboden: »Laat ons in vrede regeren,” zeiden zij, »gij zijt slechts theoretici; de regering gaat u niet, maar ons wel aan; wij zijn praktische mannen.” Men hield dus op een praktisch mensch te zijn, men was slechts een hersenschimmige geest, zoodra men den moed had vrijheid van handel aan te raden. De protectionisten of voorstanders van bescherming gaven zich uit voor de bevorderaars van de beschaving, voor de weldoeners van het volk, en zij werden daarvoor ook gehouden.
Zoo stonden de zaken, toen voor een twaalftal jaren een onverwachts schouwspel zich bij eene groote natie, onze naburen, vertoonde. Tot dusverre was de regering in Engeland het beginsel van bescherming als een ascioma toegedaan, hoewel uit datzelfde beschermende stelsel eene buitengewone duurte van alle levensmiddelen, inzonderheid van het brood ontstond. Plotseling staken eenige, toen nog onbekende mannen met eene vaste hand de vlag der handelsvrijheid op, door zich onder den naam »ligue” tegen de graanwetten te organiseren (anti corn-law league). Hunne onderneming scheen wanhopend. — Zij waren zonder naam, zonder invloed en zij tastten de sterkste magten des lands aan, de aristocratie der grondeigenaren, de bezitters van plantaadjes in de suikerkoloniën, de scheepsvaart en scheepsnijverheid, die zoo levendige belangstelling overal heeft, de eigenaren der kopermijnen en de meeste fabrikanten, die op dat tijdstip in Engeland — even als nu nog bij ons — geheel verkeerde denkbeelden hadden over de uitwerkselen der bescherming.
Maar men is zeer sterk, als men vrijheid en regt vóór zich heeft, als men voor de regten van de groote menigte opkomt en zeldzame talenten ten dienste van zoo goed eene zaak ter beschikking stellen kan. De heer Cobden en de goede mannen, die met hem aan het hoofd der ligue stonden, ontwikkelden eene verwonderlijke welsprekendheid, eene verbazende werkzaamheid en eene onbegrensde toewijding aan hunne zaak, en in korten tijd werden zij eene groote magt. Hunne redevoeringen bragten der ligue ontelbare proselijten toe in alle rangen der maatschappij en eindelijk, in het begin van 1846, trad de doorluchtigste van Engeland’s staatsmannen, destijds eene minister, een praktisch mensch, sir Robert Peel, die reeds sedert eenige jaren, in elke zitting voorstellen gedaan had, om belangrijke en zeer vrijzinnige wijzigingen in het tarief van in- en uitgaande regten daar te stellen, trad, zeg ik, deze openlijk en officiëel tot die roemvolle ligue toe. In eene plegtige redevoering verklaarde hij, dat hij lang aan het beschermend stelsel geloofd had, maar nu verlicht door menige overdenking en door de ondervinding, erkende, dat de ligue gelijk had, dat hij van dezen dag af de bestrijder zoude zijn van dat stelsel, omdat het strijdig was met vrijheid en regt en onvereenigbaar met het belang der groote menigte, en onmiddellijk stelde hij, in diezelfde redevoering, de afschaffing der regten op de granen voor. Men weet het overige. In weerwil van den spijt en den wrevel van de meeste vroegere staatkundige bondgenooten van sir Robert Peel, in weerwil van de hardnekkige tegenstreving der invloedrijkste klassen, werden de wetten, die den vrijen invoer der granen verbinderden, afgeschaft. De opvolgers van sir Robert Peel hebben zijn werk voortgezet. Het beschermend stelsel is vervolgens in alle opzigten door de Engelsche regering en het Parlement verworpen. Zelfs de navigatieacte van Cromwell, door de meest ingewortelde vooroordeelen ondersteund en zelfs nog door Adam Smith gehuldigd, is in dien algemeenen val van het beschermend stelsel medegesleept geworden. Tegenwoordig deelen de vreemde schepen, op dezelfde voorwaarden als de Engelsche vlag, in den handel van Engeland met de geheele wereld en zelfs met dien der Britsche koloniën. Het »protectionisme” is dood in geheel Engeland. De vrijheid van handel is er nu op hare beurt een axioma geworden. Engeland heeft nog inkomende regten, het trekt er jaarlijks zelfs nog meer dan 500 millioen van; maar dat zijn, op weinige uitzonderingen na, geene besehermende regten meer, het zijn meer belastingen, want de voorwerpen, die zij drukken, zoo als dranken en koloniale eetwaren, hebben binnenlands geene gelijksoortigen. De geest van sir Robert kan zich in hoogere, zalige gewesten verheugen over de getuigenissen van eerbiedige dankbaarheid, waarmede zijn naam elken dag door zijne landgenooten genoemd wordt. Wat zeggen nu van dit alles diezelfde praktische menschen, die staande hielden, dat Engeland, hoewel het beschermend stelsel bij anderen afkeurende, er nimmer voor zich zelf afstand van zou doen en die, den avond vóór de Februarij-omwenteling, onze regering durfden interpelleren, om haar te beletten, zelfs langzaam en met schroom over te gaan tot het verleenen van eenige meerdere vrijheid van handel? Is die reusachtige ommekeer van zaken in Engeland eene begoocheling van theoretici? Zijn die voordeelen, die de vrijheid van handel aan de Engelsche natie verschaft heeft, hersenschimmen?
Waarschijnlijk zoude men onze Februarij-omwenteling voorkomen zijn door hervormingen in denzelfden geest, die natuurlijk de ontwikkeling van den arbeid en de goedkoopte der levensmiddelen ten gevolge gehad hadden. Het is een in Engeland algemeen gekoesterd gevoelen, dat zonder de hervormingen van sir Robert Peel, deze omwenteling, de omverwerping der Engelsche maatschappij tot weerstuit zoude gehad hebben.
Overige vindplaatsen
[bewerken]- Michel Chevalier (10 juli 1852) ‘Iets over bescherming en vrijheid van handel’, Nijverheids-Courant, [p. 3-4].