Heinrich Witte-Wandelgids Bennekom (1902)/18

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
XVII. Wandelgids voor Bennekom's omstreken van Heinrich Witte

XVIII.

XIX.


[ 92 ]
 

XVIII. DE ZIJSELT[1].

 

Een wandeling over den Zijselt zal door velen de schoonste geacht worden van de velen die men hier kan maken. Daarom bewaarden wij die voor een der laatsten.

Streng genomen behoort de Zijselt eer tot de omstreken van Ede dan tot die van Bennekom. Het is een vrij aanzienlijke hoogte, met verscheidene bosschen, aan de andere zijde van den Staatsspoorweg, maar toch zijn wij er, dank zij de tram, veel dichter bij, terwijl van Ede uit een stevige wandeling noodig is, alvorens men die oudere bosschen, waar het om te doen is, heeft bereikt.

Geheel van Bennekom af te wandelen, zeker, men kan het doen; maar raadzaam is het niet. De grintweg tot aan het Station immers kent men, zoodat het onnoodig is drie kwartier te loopen om aan het eigenlijke uitgangspunt te komen, wat men per tram op zijn gemak voor een dubbeltje[2] in een kwartier bereikt, te minder [ Afb ]
 

Zijsselsche bosch.
Zijsselsche bosch.

 

Groote Dennenboom op den Zijsselt.
Groote Dennenboom op den Zijsselt.

 
[ - ] [ 93 ] raadzaam, daar men een wandeling van minstens 2½ uur vóór zich heeft.

Wij gaan van het Station den Edeschen straatweg op, maar verlaten dien spoedig, om een wandelpad op de hei in te slaan, dat we even voorbij het hôtel van Laar tegenover een fabriek aan onze rechterzijde zien.

Dit pad (evenals al de andere wandelpaden hier over de hei aangelegd door de Edesche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer) loopt in eenigszins schuine richting tegen de zacht glooiende hei op. We volgen dit tot boven, waar de jonge dennenbosschen beginnen, en zien bij voorkeur niet om, vóórdat we geheel boven zijn.

Links krijgen we nu een lang recht pad, de voortzetting van het wandelpad dat wij opkwamen, maar 't welk wij nu niet volgen. Dit behoeft ons toch niet te beletten even naar de bank te gaan, die we daar, op het hoogste punt zien staan, wijl daar het uitzicht naar het Westen het schoonste is.

Het hier vóór ons liggende uitgestrekte panorama te beschreven is niet onze bedoeling, maar schoon is het in hooge mate.

Na hieraan den tol onzer bewondering betaald te hebben, gaan we eenige schreden terug en slaan den breeden zandweg in recht tegen over het pad dat wij opkwamen, tusschen het Zandbosch rechts en het Noorderbosch links[3].

Wij beginnen al dadelijk met te zeggen dat het hier tusschen die jongen dennenbosschen op dien breeden en gemakkelijken weg wel aardig zonnig, maar toch mooi [ 94 ] is, al kunnen we niet zoo dadelijk er bij voegen waarin dat mooie hier eigenlijk bestaat. Toch is het zoo, al leveren die dichte bosschen geen verscheidenheid op, en al beletten zij het uitzicht over het lager liggende land.

Nu we echter wat verder zijn gekomen en rechts de hooge kruinen van een ander gedeelte van dit bosch, boven het jongere zien uitsteken, begint ons voorgevoel dat het hier ook aan afwisseling niet zal ontbreken, een vaster vorm aan te nemen.

Dit hooge, oude gedeelte van het Zandbosch is in de eerste plaats het doel van onzen tocht.

Juist daar, waar een andere breede weg, van Ede afkomende op den onzen uitloopt, zien we aan onze rechterhand een opening tusschen het kreupelhout.

Als we dien zijn doorgegaan ontplooit zich voor ons een schouwspel, waarvan men schaars de wedergade zal vinden. We zijn hier op het hoogste punt van den Zijselt. Over een aanzienlijke uitgestrektheid is het zeer geaccidenteerde terrein bezet met heel oude Dennen; dikke, naakte stammen, nú dicht bij, dan verder van elkaar af staande, maar welker kruinen hoog in de lucht een gewelf van groen vormen, dicht genoeg om het geheel te overschaduwen. Sommigen staan kaarsrecht, anderen hellen meer of minder naar verschillende richtingen over, en het is juist den scheeven stand der meesten, die zoo volkomen harmoniëert met den sterk golvenden, dicht met oude dennennaalden bedekten bodem.

't Is volkomen waar dat over den smaak niet valt te twisten, daar zelfs bij de meest intelligente personen de smaken soms zeer uiteen loopen, maar dit tooneel, zeggen wij liever deze natuurtempel, moet op ieder die hier [ 95 ] komt een diepen indruk maken, 't Is geen dicht bosch, gelijk overal in de rondte; men ziet en wandelt op en af overal tusschen de boomstammen door, terwijl de bodem geen spoor van vegetatie vertoont, en er een zacht bed van de wie weet hoeveel jaren achtereen afgevallen naalden over ligt uitgespreid.

Dit klinkt eenigszins paradox: „een zacht bed van naalden", maar toch is het volkomen waar; zóó waar, dat men niet kan nalaten zich daar eenige oogenblikken op uit te strekken, om met volle teugen dit zeldzame natuurgenot te smaken.

Intusschen bepalen wij ons niet tot dit oude gedeelte van het Zandbosch, zonder twijfel een overblijfsel van een vroeger zeer uitgestrekt bosch, maar wenden onze schreden naar dat gedeelte, waar we, mede zeer verspreid een aantal wel is waar veel jongere maar toch ook reeds oude Dennen zien, maar die, elkaar in den groei niet hinderende, volkomen de natuurlijke groeiwijze dezer boomen doen zien, laag vertakt en gevuld. Prachtige boomen zijn daar bij, gelijk men ze maar zelden ziet, en alleen onder dergelijke omstandigheden kan zien.

Hoe verder we gaan, altijd op het hooge open gedeelte, hoe meer we in verrukking komen. Verdwalen kan men niet, al is er zelfs van een voetpad geen spoor. Het hooge bosch is in alle richtingen door jonge dennenbosschen omgeven, en is dus als het ware een afgesloten geheel, wel uitgestrekt, maar toch niet genoeg om te verdwalen, terwijl men overal vrije doorzichten heeft naar die hooge boomen.

Die geen tijd heeft voor een groote wandeling, verzuime toch niet dit bosch op te zoeken. Van het Station af is men er in een half uur.

Op een der hoogten staat een bank, waar we nog [ 96 ] een oogenblik verwijlen om daarna onze wandeling voort te zetten[4].

Wij slaan nu rechtsom en blijven den breeden, gemakkelijken weg volgen.

We gaan een dwarsweg voorbij en komen aan een beukenbosch dat we aan onze linkerhand houden; rechts volgt op het Zandbosch het nog ten deele zeer jonge Pruikbosch.

Nu volgt een oud dennenbosch, met een mooien, harden, gebogen boschweg en hebben we dit door gewandeld, dan komen we op een open gedeelte, heen en weer met akkermaalshout bezet.

We blijven rechtuit gaan en komen nu in het heerlijke Zuiderbosch. Wel bestaat dit meerendeels uit oude Dennen, maar er staan toch ook veel loofboomen in, zoodat het een gemengd bosch is. Altijd maar het hoofdpad volgende, ziet men links, een weinig van het pad af, een bank staan, die een welkome gelegenheid biedt, om hier eenige oogenblikken volop te genieten; immers de wandeling in dit prachtige bosch is één en al genot.

Wanneer we dit bosch ten einde en aan een dwarspad komen gaan we niet verder, maar slaan linksaf den oploopenden weg langs den zoom van het Zuiderbosch in. Ter linkerzijde, aan de Zuidzijde dus, is die weg met [ 97 ] Beuken bezet die hem beschaduwen; aan de andere zijde is hij open. Komen we nu, na dezen zoomweg een goed eind opgegaan te zijn, aan een zijweg links, dan lezen we op de hoeken dat hier het Zuiderbosch eindigt en het Bodegat begint.

Dezen weg volgen wij. Wel konden we rechtuit gaan, maar dan kwamen we spoedig op de hei, waar we nog niet wezen willen.

Wij volgen dezen weg, weldra langs een mooi beukenbosch, rechtuit, en krijgen dan ten laatste, na een paar krommingen links en rechts, de Zijselterlaan in 't oog, die, dwars over de hei, in N. Westelijke richting op den Arnhemschen straatweg uitloopt.

Zijn we deze laan, die een kwartier gaans lang is, bijna ten einde (op omstreeks het midden staat een bank) en bij het bosch aan onze linkerzijde gekomen, dan verlaten we haar, om een wandelpad op te gaan langs het bosch, en, nadat we ook hier een bank voorbijgingen, rechtsaf te gaan. We zijn nu op den Klinkenberg, waarover (ook door het bosch) verscheidene wandelpaden loopen.

Onze weg is rechtuit, maar we kunnen, het tweede pad rechts ingaande, wel eenige schreden omloopen. Dan zullen we enkele mooie, vrij staande Dennen zien, onder een van welke een omloopende bank is geplaatst. Op ieder uur van den dag kan men daar in de schaduw uitrusten.

Van deze bank gaan we dan weer linksaf naar het rechte pad dat wij verlieten, slaan spoedig linksom, wandelen een korte poos langs kreupelhout en komen dan op de hei, met een lang pad rechtuit, op en af, vóór ons.

Ook hier, op dit uitzichtspunt, staat een bank, terwijl [ 98 ] het pad rechts op ongeveer halverwege den straatweg van Ede naar 't Station uitkomt.

Wij verkiezen echter de hei, gaan den Klinkenberg af en dwars over een jonge beukenlaan; waarna het pad weer zeer gevoelig klimt, tot aan het hoogste punt bij de bank, die we nu herkennen als dezelfde, waarbij we ons aan 't begin onzer wandeling even hebben opgehouden, om het panorama te bewonderen dat zich hier vóór ons uitstrekt.

Dat zeer fraaie en ruime uitzicht genoten we nu reeds een heele poos, en 't is dáárom dat we thans aan de hei boven den straatweg de voorkeur gaven.

(Wil men dit niet en liever door Ede gaan, dan wandelt men de Zijselterlaan en den zandweg die er het einde van is geheel af, tot men op den Arnhemschen straatweg komt. Men is dan vandaar in een minuut of tien in het dorp).

Van dit hooge punt bij de bank gaan we nu natuurlijk rechtsaf, hetzelfde pad naar beneden, dat we straks zijn opgegaan en komen we dus weer bij het Station terecht.

Wandelt men onafgebroken door, zich een kwartier in het hooge, oude gedeelte van het Zandbosch ophoudende, dan is men na 2½ uur weer op dit uitgangspunt terug. Is het in den zomer wat warm, zoodat men een paar keeren wat uitrust, dan moet men er drie uren voor rekenen.

 

Een slotopmerking mag hier niet achterwege blijven.

Het hooge Zuiderbosch biedt een zeldzaam mooie gelegenheid voor een landelijke lunch of een vriendschappelijke pick nic.

Vertrekt men b.v. van Bennekom met den tram van ruim half elf, dan is men op zijn gemak een uur [ 99 ] later in het bosch, om er een geschikt plekje in de schaduw op te zoeken.

Zulke plekjes zijn er in overvloed; het verkieslijkst echter is niet dicht bij den ingang, maar zoo ver mogelijk rechts af, waar de grond er op sommige plaatsen voor schijnt ingericht.

Men kan er zitten, men kan er liggen, al naar men wil, want de dennenaalden zijn zóó zuiver, dat het keurigste kleed er niet door benadeeld wordt. Hoogstens hangen er, als men opstaat, wat droge dennenaaldjes aan, die men gemakkelijk afschudt.

Heeft men daar dan een paar uren gezellig doorgebracht, en die zijn met wandelen, zitten, liggen, enz. zeer spoedig om, dan is het niet noodig korfjes of taschjes verder mee te dragen. Men zoekt slechts een gemakkelijk te herkennen plekje tusschen de jonge Dennen uit om een en ander tijdelijk op te bergen. Dan zet men de wandeling in den namiddag voort tot aan het einde van het Zuiderbosch, waar, behalve de bank, gelegenheid genoeg is om wat uit te blazen.

Heeft men daar genoeg van, dan keert men door dat prachtige bosch langs denzelfden weg terug naar het Zandbosch, om daar desverkiezende nog een kleine nabetrachting te houden. Men kan er zeker van zijn dat een glas morgenwijn dán en dáár eene ware verkwikking zal zijn, en men richt het dan zoo in, dat men omstreeks kwart over vieren aan 't Station is. Vóór vijf uur is men dan in het dorp terug.

Werkt het weer daarbij wat mede, dan zal dit in den volsten zin des woords een onvergetelijke dag zijn.

 

 
  1. Dit woord wordt verschillend geschreven en ook verschillend uitgesproken. Ik houd mij hier aan de spelling, gelijk die op de Stafkaart (125000, blad, 468) voorkomt. Zóó geschreven moet men zeggen Zeiselt. Men hoort hier echter niet anders dan Zieselt. Witkamp, die overigens zeer betrouwbaar is, schrijft Syselt. Veelal leest men bij anderen Zysselt, wat met het spraakgebruik overeenkomt. Alleen de oorsprong van het woord zou het moeten uitmaken, en die is ons onbekend.
  2. Van de 2e klasse kan ieder, zonder zich te geneeren, hier gebruik maken.
  3. Op de hoeken der bosschen zijn die namen in 't oog loopend aangegeven.
  4. Wil men van hier terugkeeren dan kan men den daareven genoemden weg nemen in de richting naar Ede. Op zichzelf is dit ook een mooie wandeling. Men volgt dan dien weg, tot hij uitkomt aan een jonge, lange, rechte beukenlaan, die als 't een kwart-eeuw verder is, zeker prachtig zal wezen; nu is hij nog wat zonnig en het zand wat los. Nabij het einde splitst hij zich in tweeën; in elk geval komt men op den straatweg uit, ongeveer halfweg Ede.