Het Getij/Jaargang 3/Nummer 9/Schoonheids- en liefdesmystiek

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Schoonheids- en liefdesmystiek [3]
Auteur(s) Th. van Doesburg
Datum September 1918
Titel Schoonheids- en liefdesmystiek. Eene algemeene beschouwing. Vervolg tweede stuk. Derde stuk. Ethische beschouwing.
Tijdschrift Het Getij
Jg, nr, pg 3, 9, 242-250
Het Getij vol 003 no 009 p 242.jpg

Het Getij vol 003 no 009 p 243.jpg Het Getij vol 003 no 009 p 244.jpg Het Getij vol 003 no 009 p 245.jpg Het Getij vol 003 no 009 p 246.jpg Het Getij vol 003 no 009 p 247.jpg Het Getij vol 003 no 009 p 248.jpg Het Getij vol 003 no 009 p 249.jpg

Het Getij vol 003 no 009 p 250.jpg
Brontaal Nederlands
Auteursrecht Publiek domein

[242]


SCHOONHEIDS- EN LIEFDESMYSTIEK

EEN ALGEMEENE BESCHOUWING

DOOR

TH. VAN DOESBURG

VERVOLG TWEEDE STUK

II

      De strijd tegen het overwegend natuurlijke, grillige, gevolg van eeuwigen drang naar meerdere volstrektheid, welke zich in het rijpend bewustzijn openbaart, kan niet zonder invloed blijven op de verhouding der sexen. Wat innerlijk plaats heeft, toont zich ook aan de oppervlakte. In den grooten samenhang der verschijnselen is de strijd der natuurlijke tegendeelen en de verhouding der geslachtsvariaties — in den meest uitgebreiden zin — te zien als de reflexbeweging van den universeelen groei van het natuurlijke naar het geestelijke. (Bij de Perzen verzinnebeeld door Ahriman en Ormuzd met het geloof dat Ormuzd eens zal overwinnen).

      In elk tijdperk van meer verhelderd bewustzijn omtrent de wezenlijke d.i. elementaire beteekenis van het leven, werd de waarheid, dat het geestelijke volgroeide natuurlijkheid is, tot uitdrukking gebracht. 1)
      Streeft de natuur zelf naar haar tegendeel: den geest, dan is het niet te verwonderen, dat bij de primitieve volkeren de vrouw minderwaardig aan den man werd bevonden. Evenmin is het te verwonderen, dat in al wat groot, d.i. van den geest en voor de


      1) Het is niet onwaarschijnlijk dat langs aetiologischen weg bewezen zou kunnen worden, dat het manlijke en vrouwelijke in wezen slechts quantitatief-gradueel en niet qualitatief-essentieel verschillen. De vorming der geslachtsorganen veruiterlijken dit begrip, aangezien de mannelijke geslachtsorganen volgroeid vrouwelijke, de vrouwelijke onvoltooid mannelijke zijn. (Zie ook: „De Vrouw”. Dr. H. Ploss en Dr. M. Bartels, blz. 1).

242


[243]


innerlijke cultuur bevorderlijk is: religie, kunst, wetenschap en phylosofie, het manlijk element domineert. In al deze hoogere zaken speelt de vrouw een minder-waardige rol. Kan het ook al eens voorkomen, dat een vrouw groote dingen tot stand brengt, dan bleek meestal, dat in zulk een „vrouw” het manlijk princiep domineerde.
      In elke groote cultuurperiode, d.i. elke periode waarin de bewustzijnsgroei zich openbaart en ten slotte omzet in leven, werd het manlijk element verheerlijkt en trad het ook in de vrouw in den vorm van emancipatie enz. op. Ook dit valt in de grieksche cultuur, waarin met zooveel takt van deze emancipatie en de verheerlijking van het manlijke element, ook door de kunst, gebruik werd gemaakt, als een belangrijke beschavingsfactor waar te nemen. Daarentegen gaat elke cultuur — zoo ook die, welke achter ons ligt — aan het overwegend vrouwelijke te gronde.

III

      Het leven in zijn juiste beteekenis gezien: als veruiterlijking van doorgaanden groei, als eeuwige beweging, wisselwerking en strijd van het één naar en tegen het ander, kan dezen groei tot bloei van volstrekte geestelijkheid — in Tijd en Ruimte — nooit realiseeren. Mag deze bloei al tot op groote hoogte, door een enkel individu bereikt worden, voor een massa is dit vrijwel ondenkbaar. Daarom blijft veruiterlijking van het eeuwigdurend — dus buiten Tijd — groeiend en rijpend levensgebeuren, de veruiterlijking van volstrektheid, van universeele harmonie, slechts mogelijk door een evenwicht van het natuurlijke (vrouwelijke, individueele) en het geestelijke (mannelijke, algemeene); door evenwichtsverhouding.
      De strijd om dit evenwicht openbaart zich aan de oppervlakte als sexueele verhouding in den meest uitgebreiden zin.

IV

      De openbaring van onzen bewustzijnsgroei is een der belangrijkste factoren voor onze moderne kunst, cultuur en samenleving. Dit verhelderde bewustzijn omtrent onze verhouding ten opzichte der

243


[244]


levensconstructie en van deze ten opzichte van ons, beteekent het bankroet der natuurlijk-materialistische levensopvatting. Dit bewuszijn zal zich, in tijd, ontwikkelen tot een bewust zijn, of juister tot een bewust worden en verworden. Dit zal de belangrijkste factor beteekenen in de objectiveering van ons zelve en in de verovering van een nieuwe dimensie, waarbij het aandoeningsleven, — zooals wij dat thans tot vervelens toe kennen uit den strijd òm dit evenwicht, òm dit bewust-zijn, en welke strijd tot vervelens toe de stof der oude en thans stervende kunst was, — wegvalt.
      Zoodra wij, door evenwicht tusschen natuur en rede, bewust leven — zooals dit met den heilige, den wijze en den kunstenaar het geval kan zijn — zal het aandoeningsleven ons voorkomen als vertroebeld levensbeeld en wordt vanzelf de stof der kunst van het aandoeningsleven naar het geestelijk leven verlegd.
      Kunnen wij het zuiver geestelijke in tijd en ruimte niet kennen, het openbaart zich in en door dit evenwicht.
      Door het samentreffen van het vrouwelijke en mannelijke in één individu, ontstaat een ander element: genie. Anders gezegd: het ware dat in tijd en ruimte niet te kennis is, vereenigt zich met het schoone, dat evenmin volstrekt te kennen is en brengt een nieuw element voort: genie.

V

      In „Anders” heeft Charley van Heezen een poging gedaan in den kunstenaar, Paul, iets van dit evenwicht te verbeelden. Het is hem maar ten deele mogen gelukken. Op blz. 90—91 lezen wij: „Hij (Paul) behoorde tot hen, die door alle eeuwen heen, in alle landen, hun omgeving hebben verbaasd door de raadselachtigheid van hun zijn, tot hen, die in vreemde tweeheid, hoewel naar het lichaam man, in wezen uitgesproken vrouwelijk waren. Paul was er zich wel van bewust, dat hij aan die vrouwelijkheid dankte zijn fijne kunstgevoeligheid en zijn dorst naar het schoone.” Ofschoon de schrijver door het geheele boek de verwantschap van het schoone met de psychische hermaphrodisie op den voorgrond stelt, is hij zich toch het wezen van de kunstmystiek niet voldoende bewust om in de ineen-

244


[245]


paring van de tegendeelen in één individu, de grondoorzaak van den kunstdaad te zien. Hij schrijft aan Paul een „uitgesproken vrouwelijkheid” toe, dus een domineerende geslachtsneiging. Niet in dit domineerend vrouwelijke immers schuilt het wezen der schoonheidsmystiek, maar in het aanwezig zijn daarvan tegelijktijdig met het mannelijke. Niet het „vrouwelijke” bracht de kunst voort maar de samengroeiing van het een met het ander of juister de gelijkgerijpte uitersten, die als geest bloeiden en welke bloei zich in de werken van den geest — ook in kunst — veruiterlijkte.

      Heeft de schrijver in Toet het overwegend vrouwelijke, in Henk het overwegend mannelijke tot uitdrukking willen brengen, in de figuur van den kunstenaar Paul, heeft de schrijver het evenwicht tusschen de tegendeelen willen beelden: de tweeheid in één individu en hiermede tegelijkertijd, de kunstenaarspsyche.

VI

      Mereskowski is in zijn roman van Leonardo Da Vinci er in geslaagd in de figuur van Da Vinci dit evenwicht uit te drukken. Ofschoon hier evenmin sprake is van litéraire uitdrukking in modernen zin, is Mereskowski in de uitdrukking der tegendeelige elementen: natuur en geest, in één individu, toch verreweg de meerdere van Charley van Heezen.

      Deze laatste bekijkt zijn objecten te veel, aanschouwt ze maar zelden. Het probleem dat hij tracht te verwerken, beheerscht hem te veel. Daardoor beheersch hij het probleem niet. Zijn figuren krijgen daardoor niet de houding vàn en gedragen zich niet náár het essentieele van het onderwerp. Raakt de schrijver zijn stof ook al eens op een hooger plan, mij dunkt hij is zijn stof niet door áán- en dóórschouwing alzijdig bewust. Zoo op blz. 109—110.
      „Wèl had zij (Toet) het vage besef, dat Paul miste wat haar in Henk juist zoo aantrok, dat sterk (overwegend. v. D.) manlijke. Zij had in haar leven noodig het opzien tegen het sterk-fysieke van den man. Heel Henks krachtig wezen was haar heerlijkheid.
      Hij was zoo sterk en gezond, zijn stevige lichaam, dat blonde, alles in hem sprak tot haar, was haar dierbaar. Zij zocht in den man aller-

245


[246]


eerst zijn man-zijn en Paul had iets weeks, iets vrouwelijks. Wel zag zij Paul’s leven, als artist hooger, fijner, dan dat van Henk, maar ’t was van een hoogheid en fijnheid, die haar vreemd bleven. Zij voelde Paul als ’t ware aan haar zelf verwant. Hij zeide of deed soms dingen, die zij zelf zou kunnen gezegd of gedaan hebben. In Henk wist zij juist de tegenstelling van haar eigen zelf en dat was haar lief.”
      Dit is beschrijving van denken, zoo maar laag bij de oppervlakte over een zoo diepgaand probleem als hier is behandeld. Dit is beschrijving van denken, d.w.z. het denken, het vrouwelijk denken, zet zich niet om in taalgeworden handeling. Het speciaal vrouwelijk denken wordt daardoor niet eigen aan ons, evenmin als het speciaal homosexueele of heit speciaal mannelijke denken, dat in dit boek een oplossing had moeten vinden.
      Hetzelfde geldt voor de dialoog tusschen Mien en Lies in den boot (blz. 162). De schrijver tracht door beschrijving en dialoog het accent van zijn onderwerp te prononceeren. Zoo wordt ons hier het overwegend vrouwelijke in den man (Paul), de homosexueele geaardheid, „verteld”. Dergelijke beschrijvingen en dialogen verzwakken het boek aanmerkelijk aan de zijde der litératuur; maken het passief, vrouwelijk. Vanuit litérair gezichtspunt verlangen wij het wezen van de personen in een taalgestalte voor ons te zien. De, hetzij evenwichtige of domineerende geslachtsneigingen zetten zich niet in handeling om; d.w.z. de personen gedragen zich niet volgens hun aard. Er wordt ons over het wezen der personen een en ander medegedeeld, doch het wezen der personen leeft niet in taalgestalte vóór ons. Dit toch zou het werk, ook aan de zijde der tendenz meerdere activiteit geven. Het schreeuwend onrecht waarmede de geslachtsovergangen en -variaties naar den relatieven zedenmaatstaf van den norm — en zijn willekeurige begrenzing van „man” en „vrouw” — behandeld worden, zou door taalplastiek nog meer eigen worden aan den lezer.
      Zelfs in het verouderde werk „De Gebroeders Karamazow” van Dostojewsky, leeft onuitgesproken de Gedachte van het begin tot het einde door het boek. Het is door de individueele gedachte

246


[247]


aan den vadermoord dat de macht van de Gedachte in het algemeen, — door de handelingen en de onuitgesproken gedachten dóór die handelingen, — een gestalte aanneemt, welke den lezer bijblijft.
      De strijd om het evenwicht tusschen het mannelijke en vrouwelijke principe, waaraan zich vastknoopt het vrouwelijke denken in den man, het mannlijk denken in de vrouw wordt in „Anders” te vaag tot uitdrukking gebracht om den lezer als levenswerkelijkheid bij te blijven.

DERDE STUK

ETHISCHE BESCHOUWING

I

      Aan de zijde der tendenz bezit „Anders” vele goede hoedanigheden. Het stelt in het licht de maatschappelijke verhouding der normaal-sexueelen tegenover de abnormaal-sexueelen; de gemakkelijkheid waarmede de eersten hun natuur kunnen gehoorzamen tegenover den strijd en angst der anderen, die door kortzichtigheid, gemeenschaps- en voortplantingsinstinct der massa, hun geheele leven op een leugen moeten bouwen, willen zij niet zijn blootgesteld aan bespotting, chantage en gedeeltelijke of geheelen maatschappelijken ondergang.

      Tegen het moreele bewustzijn van de massa, welk bewustzijn gegrond is op praktijk of voortplanting, moet de andersgeaarde, wil hij niet als een misdadiger of melaatsche worden uitgestooten, zich wapenen met de leugen tegen den eigen aard. Er is geen afschuwelijkere misdaad dan deze, van welke misdaad de kortzichtigheid van den norm in den grond de schuld draagt.
      In „Anders” heeft de schrijver het opheffen van deze leugen tegen den eigen aard op den voorgrond gesteld.

II

      De zeden kunnen alleen voor de majoriteit van het menschdom gelden. De minoriteit is daarom slecht bedeeld, onverzorgd. Daar de gevallen, van evenwichtige of onevenwichtige dubbelwezenheid

247


[248]


in deze minoriteit begrepen zijn, en dus in uitdrukking of natuurlijke geaardheid afwijken van den norm, spreekt het vanzelf dat uit het begrip „zedelijk” ten opzichte der majoriteit elke onbedekte veruiterlijking der abnormale geaardheid voor onzedelijk wordt gehouden.
      Aanschouwen wij de minoriteit echter als de geestelijk een physische resultante van de majoriteit, — b.v. het genie als product van de massa, — dan is elk veroordeelen van gedifferentieerde minoriteit, in al hare vormen, tegelijk een veroordeelen der majoriteit.
      Om dit veroordeelen, — uitgedrukt in Wet en Straf — op te heffen en een constante harmonie te bereiken tusschen minoriteit en majoriteit, is het noodig de eigenschappen van de eerste en van de tweede als wisselwerking te zien.
      Slechts een, — in onzen tijd rijpende, — waarlijk beeldende levensaanschouwing, zal het mogelijk maken de, zoowel geestelijke als physische geaardheid der minoriteit, — waarin begrepen zijn: alle variaties tusschen de (abstracte) begrippen „man” en „vrouw”, — als volledige natuurlijkheid te zien.
      Reeds vroeger hebben de ruimste geesten der oude wereld, — waaronder Aristoteles, Socrates, Plato, — dit begrepen en daarom de andersgeaarden naar den geest of naar de ziel, paedagogisch voor den staat willen benutten, om zoodoende een totaal-harmonie in de maatschappelijke verhoudingen te bereiken.

III

      Waar het overwegend vrouwelijke zoowel voor individu, massa als cultuur reeds tot ondergang leiden moet, waarin ook het wezen der décadence schuilt, en alleen evenwicht tusschen het mannelijk en vrouwelijk element in individu, massa en cultuur tot bestendiging en geestelijke groei voert, spreekt het van zelf, dat het individu, waarin het vrouwelijk element domineert, de groote mate van energie mist, welke noodig is om de consequenties van den eigen aard te dragen en zich tegen het massavooroordeel te verzetten. Het is grootendeels door het gemis aan deze energie dat de anders-geaarden hun toevlucht zoeken in het masker van de leugen, welke hen in den strijd om het evenwicht, het levensdoel: harmonie

248


[249]


tusschen innerlijkheid en uiterlijkheid, — verzwakt en ten slotte moreel moet verlammen.

      De leugen kan het leven niet dekken. Dat kan alleen de waarheid.
      Uit humanitair-paedagogisch standpunt lijkt het mij daarom goed dat „Anders” aan de zijde der tendenz waar is. De schrijver stelt in het licht hoe de geslotenheid van het kind, en wel voornamelijk van het sexueel-abnormaal aangelegde, tegenover zijn ouders (Eddy tegenover Henk en Toet) hare oorzaak heeft in de houding van overmacht van die ouders en hoe deze geslotenheid leiden moet tot een gevoel van eigen minderwaardigheid, welke aangroeit tot verachting van den eigen persoon, hetgeen ten slotte zijn energie, welke het noodig heeft om op de buitenwereld te reageeren, verlamt en hem tot de ontkenning van den eigen aard, tot de leugen, voert.
      Wanneer langs wetenschappelijken weg bewezen is, dat de neuroze — het „klooster onzer moderne cultuur” (Freud) — haar ontstaan dankt aan de verhindering eener physische harmonie (geslachtelijken omgang) bij den norm, daar kan het niemand verwonderen, dat de abnormaal liefhebbenden, aan wie elke openlijke, onvermengde uiting hunner liefde, elke physische harmonie dus, ontzegd wordt, op een onhoudbaren levenstoestand vol angst, dwangneuroze, wanhoop, melancholie, — alle kenmerken van physische ònevenwichtigheid, — zijn aangewezen, welke toestand tenslotte moet leiden tot krankzinnigheid.
      Zagen wij — hetgeen ook de roman „Anders” toont — dat het lijden der abnormaal-geaarden voortkomt uit de ontkenning van den eigen aard en wel uit maatschappelijk zelfbehoud, dan is dit lijden niet primair, maar secundair uit dien aard te verklaren.

IV

      Aan de zijde der tendenz is het werk van Charley van Heezen over dezen toestand heen gekomen, door het accent te leggen op de paedagogische, maatschappelijke beteekenis der anders-geaarden.
      Het sexueele leven beperkt zich niet tot het gebied der voortplanting, maar strekt zich van de geboorte af tot he geheele physische,

249


[250]


psychische en geeselijke leven uit. Het openbaart zich niet slechts in grof-natuurlijke, maar ook in veredeld-cultuurlijke vormen. Niet slechts met de eerste maar ook met deze laatste is de menschheid gebaat. Begrijpen wij onder deze veredeld-cultuurlijke vormen, alleen maar de werken der kunst in al hare vormen, zoo zou de menschheid deze werken niet gaarne uit zijn leven willen missen, als zij wist, dat zij deze werken voor het belangrijkste deel te danken heeft aan van den norm afwijkende naturen. Het gemis dezer werken, — b.v. die van Shakespeare, Michel Angniolo, Da Vinci, — zou het totaal der geestelijke vooruitgang aanmerkelijk vertraagd hebben.

V

      In de oorspronkelijke sexueele gelijkwaardigheid, nog aanwezig bij het kind, veruiterlijkt zich de hermaphrodietische natuur van het leven, welke natuur o.m. gesymboliseerd is in het Paradijsverhaal.
      Door de tegendeeligheid te zien als het van-elkander zijn der eenheid en de geslachtsverhoudingen als de wisselwerking der natuurlijke tegendeelen, welke ten doel heeft de opheffing der tegendeeligheid, door constante groei van het „natuurlijke” naar het „geestelijke” te bereiken, om zoodoende de gebroken Harmonie te herstellen en deze Harmonie volkomen als volledig Leven te veruiterlijken, zal de menschheid elke, schijnbaar, afwijkende geaardheid als levenswerkelijkheid moeten aanvaarden. Slechts door dit inzich in de beelding van het Leven, door deze beeldende levensaanschouwing, zal het mogeliik worden alle uiterlijkheid als gradueele differentiatie van essentieel-gelijkwaardige innerlijkheid te aanschouwen.

Juni 1918


      In het artikel van den heer Th. van Doesburg in het Augustusnummer is een zetfout geslopen. Op blz. 215 onderaan staat: „De geslachtsmystiek, de tendenz, ontsluiert zich niet in de taal.” Dit moet zijn „veruiterlijkt zich niet in de taal”. Red.

250