Naar inhoud springen

Het Nieuws van den Dag/1912/Nummer 13143/De sociale beteekenis van de Armenwet

Uit Wikisource
‘De sociale beteekenis van de Armenwet’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit Het Nieuws van den Dag, dinsdag 15 oktober 1912, 2e blad, p. 6. Publiek domein.
[ 2e blad, 6 ]

De sociale beteekenis van de Armenwet.

In een gisteravond in „Parkzicht” gehouden vergadering van de „Studentenvereeniging voor sociale lezingen”, heeft de heer J. R. Snoeck Henkemans, lid van de Tweede Kamer, een voordracht gehouden over bovenstaand onderwerp.
Spr. zette uiteen dat wanneer de staat zich met armverzorging inlaat, dat niet geschiedt uit naastenliefde, doch uit eigen belang. Dat is altijd zoo geweest en vindt zijn uitdrukking ook in de Armenwet van 27 April 1912. Het instituut der „Armenraden” zal tot taak hebben zoowel de behoeftigen op te sporen als inlichtingen omtrent hen te verschaffen; zij zijn het middenpunt van alle organen van armenzorg en zelve een orgaan der overheid. Alleen zij die niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien, mogen geholpen worden, behoudens de verplichting van de bloedverwanten, die in staat zijn die taak te vervullen. Het nieuwe van de wet is, dat elk geval individueel wordt onderzocht en dat de arme ontvangt naar behoefte. Hoewel de wet geen regeling tot gedwongen arbeid bevat, zal aan valide armen gelegenheid worden gegeven tot het verrichten van arbeid; elke steun mag slechts een tijdelijk karakter hebben. Een zegenrijk gevolg van de wet zal de geneeskundige armenzorg zijn, wat vooral voor het platteland waar zal blijken.
Wat het ontbreken van „gedwongen arbeid” aangaat (wat wel voorkwam in het ontwerp-Armenwet van minister Borgesius), vroeg spr. of ’t niet mogelijk zou zijn de hulp van den rechter in te roepen, daar toch de wet dergelijke dringende bepalingen al kent tegen landlooperij en zij nog onlangs zijn ingevoerd tegen souteneurs. Waarom dergelijke bepalingen ook niet uitgebreid tegenover ouders, die uit de ouderlijke macht ontzet zijn en dan doorgaans nalatig blijven in de financieele zorg voor het onderhoud van hunne onder voogdij gestelde kinderen?
Ten slotte deed spr. uitkomen dat de nieuwe wet in het teeken der vrijheid staat. De wet beoogt de vrije ontwikkeling van de zelfstandige, maatschappelijke krachten. De overheid regele alléén dáár, waar de vrije krachten in de maatschappij niet regelen. Het deelnemen aan de Armenraden, samenwerken tusschen armbesturen, dat alles kan geschieden, doch wordt vrijgelaten. De wet bevat slechts weinige artikelen, die dringende kracht hebben. Spr. hoopt en verwacht dat deze nieuwe wet, wier taak ’t is de sociale wetgeving aan te vullen, een zegen zal blijken voor de armen en voor de nationale welvaart van ons volk zal ten goede komen.
Nadat de spr. nog eenige vragen om inlichting, door enkele aanwezigen gedaan, had beantwoord, sloot de voorzitter, met een woord van dank tot hem, de vergadering.