Het Vaderland/Jaargang 55/24 december 1923/Haagsche Kunstkring
| ‘Haagsche Kunstkring’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit Het Vaderland, maandag 24 december 1923, Avondblad D, p. 1. Publiek domein. |
HAAGSCHE KUNSTKRING.
Vrijwel iederen Zaterdagavond brengt de Kunstkring zijn leden iets goeds, een concert, een reeks voordrachten, en altijd na afloop is er een gezellig uurtje van broederlijk en zusterlijk samenzijn. Nu en dan wordt dit na-uurtje iets langer omdat er iets extra’s is. Zóó was het ook weer Zaterdag jl. Vooraf het concert van vader en zoon v. d. Burg en Henk v. d. Berg, waarvan wij Zondagochtend reeds berichtten, daarna een programma, dat niet minder loffeijk was. Natuurlijk domineerde de Kerststemming. Een bizonder fraaie Kerstboom praalde in licht-weelde en op het podium werd de Kerstnacht in beeld gebracht. De Kunstkring bezit uiteraard op alle kunstgebied voortreffelijke krachten; ze zijn voor ’t grijpen en... zij zijn bereidvaardig. ’t Programma gaf geen namen van de spelenden, wij verklikken dus ook niet. Maar goed was het, keurig in stijl en vorm.
Na den Kerstnacht, Goethe’s Epiphanios op de muziek van Hugo Wolf: drie Koningen met fijne, bijkans vrouwelijke gratie en stemmen, waar menige zangeres verliefd op zou worden. Kerstpuikje, naar Andersen, volgde en ten slotte een Jan Steen in beeld: Zooals de ouden zongen...... In de ensceneering viel de hand der meesteres te herkennen. Wie ze was, het programma vertelde het niet en dus blijve het zoo. De weergave was onberispelijk, gelijk wij trouwens van deze spelenden verwachten mochten, verwend als wij reeds vaak door hen zijn. Plots schoot het leven in deze beeldengroep; zij herkregen hun stem en hun kritischen geest, die zich aanstonds uitstorttet over de diverse kunsten en haar lotgevallen. En toen ging het er op los: Toorop’s ingegooid raam, de „kruieniertjes” in den gemeenteraad die Linse’s werk afstemden, zij gingen over den tong. Een vloed likken en likjes uit de pan volgde, voor Borel, Heyting en Canter — ge snapt waarover? — voor het jongste lid van den Kring dat in jeugdigen overmoed aanstonds op een praatavond het doel van den Kunstkring behandelde enzoovoort. Spontane hulde werd gebracht aan mevr. de Boer—van Rijk en de volle zaal verhief zich om de hulde van Jan Steen’s groepje kracht bij te zetten. Ten slotte jubelde het schilderij: De Gilde viert, stoere koks droegen de heerlijkste pasteien binnen en ......
Het was gezellig en vroolijk, huiselijk en knus in den kelder op het Binnenhof, waar zacht-rood licht feeëriek schijnsel wierp op de schare, die van tijd noch uur meer afwist.