Naar inhoud springen

Het Vaderland/Jaargang 55/24 december 1923/Lezing Eduard Verkade

Uit Wikisource
‘Lezing Eduard Verkade’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit Het Vaderland, maandag 24 december 1923, Avondblad D, p. 1. Publiek domein.
[ Avondblad D, 1 ]

LEZING EDUARD VERKADE

Gistermiddag heeft Eduard Verkade in zijn theater voor een klein publiek (dat hem echter zeer hartelijk ontving) een lezing gehouden, waarin hij eenige gedachten over het tooneel en zijn tegenwoordige plaats in de samenleving heeft uiteengezet. Verschillende, min of meer van elkander staande onderwerpen, heeft de heer Verkade daarbij besproken.
De meeste acteurs en actrices aldus spr. zijn te verdeelen in twee groepen: die uit roeping aan het tooneel komen en die dit uit eerzucht doen. Persoonlijk is spr. uit roeping aan het tooneel gegaan. Als men jong is denkt men aan het priesterschap van het tooneel. Daarvan komt men met de jaren wel terug. Als men de ijdelheid opgeeft te denken, grooten invloed op het menschelijk denken te kunnen uitoefenen, begrijpt men met Shakespeare, dat het tooneel het spiegelbeeld der maatschappij is. In onzen verbrokkelden tijd is er dus een verbrokkeld tooneel. Verbrokkeld door de groote verschillen in gedachtegang en begrip. Elk stuk heeft thans zijn partij vóór en tegen. Er is geen publiek meer, er zijn nog slechts uitgaande menschen.
Het publiek oefent grooten invloed uit op de voorstelling, haast even groot als de akoustiek. Het conflict in de zaal kan de sfeer breken.
Goede voorstellingen zijn alleen mogelijk bij een publiek, dat van een gelijke gedachtegang is. Er kome dus een organisatie in het schouwburgpubliek, zooals dat bij concerten gaat.
Grieven tegen het tooneel zijn grieven tegen onze huidige maatschappij. Vertrouwen is het eenige redmiddel.
Een dertig jaar geleden waren de toestanden heel anders. Het publiek kreeg minder en vroeg minder. Alles was eenvoudiger en indolenter. Thans kent het tooneel norm noch standaard. Er is genoeg publiek, maar het aantal voorstellingen is zoo toegenomen. Publiek, kritiek en enkeling weten niet, wat zij wenschen, wàt mooi is en wat niet. Slechts intuïtie is natuurlijk gebleven. Het publiek komt ook zonder verwachting. Er is geen norm. En de kritiek is daardoor bijna altijd onbevoegd. Dit is heel erg voor het tooneel.
Taal en podium zijn twee realiteiten. Proeven om deze twee te doen vervloeien, faalden steeds. Men kan de grens tusschen beeld en spiegelbeeld niet opheffen. Men begrijpe ook, dat de realiteit van het tooneel niet de realiteit is van het publiek (wèl in den bioscoop, omdat de film het technisch wel degelijk kàn zijn).
Dat deze twee realiteiten in den schouwburg botsen, is een zeer moeilijk en belangrijk punt.
Spr. gaf voorbeelden van zulke botsingen. Deels zijn zij op te heffen door de artistieke aanduiding, waaraan de fantasie van speler èn publiek houvast heeft.
Spr. zette uiteen, hoe het manuscript van een tooneelstuk de plattegrond is; de opvoering het gebouw. Het woord van den dichter is een kijkgat in den muur. Het publiek wil er doorheen zien en de regisseur bouwt het uitzicht. Er is hier dus geen kwestie van reproduceerende kunst. Wetten nu, die voor architectuur, bouwmeester en aannemer gelden, gelden óók voor tooneelkunst, auteur en regisseur. De regisseur is dus te vergelijken met een architect, die eens anders plan moet bouwen. Soms vindt die architect die opdracht vereerend, soms is het hem de moeite niet waard en soms durft hij het niet op zich nemen; is het hem te zwaar.
Teleurstelling in dezen uit zich vaak in schrijverij over tooneel in het algemeen. Dit is zeer onbillijk bij zóóveel risico voor den een en in ’t geheel geen risico voor den ander.
In de pauze was gelegenheid tot het stellen van vragen welke in het tweede deel der lezing werden opgenomen en behandeld. Er waren er heel wat ingekomen.
Men vergelijkt altijd den regisseur met den dirigent. Maar dat is toch niet heelemaal juist. Een partituur is geen rol. Een orkest bestaat niet uitsluitend uit solisten. En de regisseur moet zich terugtrekken, zoo gauw als het scherm opgaat, terwijl de dirigent dan nog aan ’t roer blijft.
Wat de kritiek betreft: Men kan er niet buiten, maar de critici slaan ons wel eens dood uit louter liefde.
Dit alles is geen klacht tegen de moderne maatschappij, maar een gemoedsuiting op hoop van toekomstige harmonie.