Naar inhoud springen

Het Vaderland/Jaargang 55/24 december 1923/Princesse-Schouwburg

Uit Wikisource
‘Princesse-Schouwburg. Princesse-Tooneel. Hans de Klokkenluider of de Duivel in den Toren, van Johan Fabricius Jr. Een Kerstsprookje in 5 tafereelen’ door H.B.
Afkomstig uit Het Vaderland, maandag 24 december 1923, Avondblad D, p. 1. Publiek domein.
[ Avondblad D, 1 ]

PRINCESSE-SCHOUWBURG.

Princesse-Tooneel.

Hans de Klokkenluider of de Duivel in den Toren, van Johan Fabricius Jr. Een Kerstsprookje in 5 tafereelen.

In het Zondag Ochtendblad heb ik reeds gezegd, hoe terecht dit sprookje van den jongen Fabricius een succes is geworden. Neen, een meesterstuk is het nog niet, dàt heb ik niet bedoeld, maar ik ben blij om het element van dichterlijkheid, dat er in zit, over het frissche, nog onbedorven, ontluikende talent, waarvan het blijk geeft, en over de gave van fantazie en schoone verbeelding. Hier geen zoogenaamde „tooneelrot”, die de techniektrucjes kent, en daarmede op théâtrale, goedkoope effecten aanstuurt met een inwendig vaan leegheid rammelend stuk, maar een dichter, die den onweerstaanbaren drang voelt, zich te uiten, nog zoekende naar den vorm.
l.l. Vrijdagavond is H. de B. al zoo vriendelijk geweest over den inhoud te schrijven. Wij kregen hier het groteske, het religieuze, het sprookjesachtige en het oûbollige door elkaar. Het groteske alleraardigst door het helletooneel en Beëlzebub met zijn dienaar voorgesteld, het religieuze door het Kerstmannetje gegeven, het dichterlijk-sprookjesachtige door Hans en zijn Gaaike, ook door de duivelsche intriges en goochelarijen, het oûbollige door de tooneeltjes in De Zwaan. Het is een beetje te veel voor den schrijver geworden, zoodat zijn stuk niet zuinig te lang is geworden, vijf tafereelen is veel te omvangrijk voor zoo’n sprookje, met drie had volstaan kunnen worden, en als de auteur niet meer wil, dat, zooals Zaterdagavond, er vóór ’t einde menschen de zaal uitloopen, omdat het hun te laat wordt, dient hij er flink het snoeimes in te zetten. Dit alles neemt niet weg, dat de jonge auteur een dichter is gebleken en geen fabrikant van tooneel-effecten en wat heeft hijzelf zijn stuk aardig aangekleed, wat ’n aardige decors (dat herbergje vooral!), wat ’n mooie, karakteristieke costumes, het was een lust om te zien.
En wat mag de jonge Fabricius Tilly Lus dankbaar zijn! Zij was precies, precies het meisje uit een sprookje, en, wat nòg meer is, zij weet hetgeen in haar hart en haar ziel gebeurt, te doen glanzen op haar gezicht. Als ik Cor Ruys was wist ik wel, wat voor stukken ik met deze zéér bijzondere, intuïtieve kunstenares zou spelen, om mijn schouwburg iederen avond tjokvol te krijgen. Er zijn wònderen met Tilly Lus op het tooneel te doen. En wat ’n geluk voor den auteur, een niet-beroepsspeler als Rijkens voor zijn Hans te vinden, die, wel is waar, nog niet zijn stem voldoende hoorbaar vermag te maken op ’t tooneel, maar even intuïtief als Tilly Lus de droom- en sprookjessfeer aanvoelt, en dus met háár samen het ideale paar weet te zijn, dat hier noodig was! Een al te geroutineerd acteur zou van de dichterlijke woorden over de sterren en de wolken, in de torenscène, valsch pathos hebben gemaakt, uit den mond van dezen op de planken nog onbedorvene werd het tot poëzie.
Cees Lasueur lijkt mij niet aangelegd om een Beëlzebub genoeg fijn en giftig uit te beelden. Jan C. de Vos jr. was zijn wat àl te druk doende, maar toch zéér goed grimasseerende en gebarende dienaar, uitstekend van grime. Hoe heerlijk oûbollig was die waard van Nico de Jong, en wat ’n kranige actrice is toch die Juliette Roos, eertijds onze beste ingènue (wij hebben thans geen enkele echte meer), nú een juweel als ’t noodig is van een Komische Alte, en zóó allemachtig aardig thans als de vrouw van den waard, dat zij in haar origineel feestcostuum, een open doekje uitlokte. Voor het Kerstmannetje zou uk mij een ander, heiliger figuur denken dan Cor Ruys als zoodanig was, al trachtte hij haar verdienstelijk te benaderen.
Hoe aardig zou ’t zijn geweest, als de auteur het gordijn had doen vallen ná den slot-rondedans en het weg-trippelen der bruiloftsgasten naar de kerk. Ik keek al uit of het nog niet viel, maar warempel, daar kwamen die duivels nog weer eens terug, van wie zoo pas was gezegd, dat zij verjaagd waren en bedierven den leutigen, majeur slot-indruk. Dat de bruiloftsgasten hierna nog eens terugkwamen was herhaling en „deed” het niet meer zoo. Hoe is ’t mogelijk, dacht ik, dat de regisseur-auteur dat niet gevoeld heeft!
Het publiek was enthousiast, en riep den schrijver op het tooneel, die de spontane beau geste maakte, Tilly Lus dankbaar de hand te kussen.
Als deze jonge, dichterlijke man nu maar niet door succes bedorven wordt tot opgeblazen ijdeltuiterij en zelfgenoegzaamheid, zooals zoovelen, als hij maar niet het gewicht gaat leggen op theatertrucs en effecttechniek, maar op het innerlijke en het musische, dan kunnen wij nog veel van hem verwachten. H. B.