Het Vaderland/Jaargang 56/26 maart 1924/Ochtendblad/Nederland en de Fransche expositie van 1925

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Nederland en de Fransche expositie van 1925
Auteur(s) Anoniem
Datum Woensdag 26 maart 1924
Titel Kunst en Letteren. Nederland en de Fransche expositie van 1925
Krant Het Vaderland
Jg, nr 56, ?
Editie, pg Ochtendblad, 2
Het Vaderland vol 056 1924-03-26 Ochtendblad Nederland en de Fransche expositie van 1925.jpg
Opmerkingen John Loudon vermeld als jhr. Loudon, Hendrik Petrus Berlage als Berlage, Richard Roland Holst als Roland Holst, Theo van Doesburg als Theo v. Doesburg
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

KUNST EN LETTEREN

NEDERLAND EN DE FRANSCHE EXPOSITIE VAN 1925

(Van onzen correspondent)

PARIJS, 22 Maart.

      Hedenmiddag bood het Bestuur der Internationale Sierkunst-expositie van 1925 aan onzen Gezant Jhr. Loudon en aan den heer Ir. de Bie Leuveling Tjeenk, voorzitter van den Tentoonstellingsraad, die in verband met een eventueele Hollandsche deelneming is overgekomen, een feestlunch aan in het restaurant Laperouse. Het bestuur was vertegenwoordigd door Oud-Minister David, Commissaris-Generaal der Expositie; François Carnot, directeur der Union Centrale des Arts Décoratifs; Paul Léon, directeur des Beaux-Arts en Nicolle, Hoofd-Administrateur.
      De voornaamste vertegenwoordigers der Ned. Pers waren mede aanwezig.
      Het bestuur spaart geen moeite om Nederland tot deelneming over te halen: de heer Carnot is bereid met den heer Léon – evenals zij dat te Brussel deden – in Holland het goed recht der expositie te komen bepleiten. De voorwaarden, in ons vorig artikel opgesomd, zijn intusschen nog gunstiger geworden. Behalve de plaats van paviljoen en tuin, wordt in een der groote groepshallen vóór de Invalides een uitnemend gelegen en volledig afgesloten hoekpaviljoen aangeboden, waarin onze kunstnijverheid zich voortreffelijk als één geheel kan doen gelden.
      Van alle zijden hoort men, dat er op Holland’s medewerking vast gerekend wordt. De heer de Bie kreeg bij zijn bezoeken aan expositie-autoriteiten en moderne architecten positief den indruk, dat de afwezigheid van ons land als een slag zou worden gevoeld. Nu het goede zaad door Berlage en Roland Holst gezaaid is en door de a.s. Sorbonne-lezingen over Ned. Urbanisme verder ontwikkeld zal worden – nu tijdschriften als „l’Architecte” en „l’Architecture Vivante” wedijveren om onze architectonische vindingen onder de oogen van het groote publiek te brengen, zou het diep te betreuren zijn, als onze bouw- en sierkunst niet in levenden lijve ten tooneele verscheen. Tot nu toe hebben de Franschen daarvan een hoogst onvolledig beeld gekregen. Immers de eenige moderne groep, die in Parijs propaganda maakt, is de „Stijl” van Theo v. Doesburg. Zoo juist werd in de „Amicale des Architectes” een expositie der leerlingen der Ecole Spéciale geopend, waarin onze Stijlgroep domineert. Een vorig maal hebben we reeds over deze proefnemingen van overbrenging van Mondriaan’s neo-plastische beginselen in de ruimte gesproken. Dat dit echter, zooals Doesburg beweert, de eenig-mogelijke moderne architectuur(!) zou zijn, doet ons even glimlachen. Sommige Fransche leerlingen ziet men wel in die richting werken, doch zijn die niet evengoed door het gansch-andere standpunt van Wright beïnvloed? Intusschen lijkt het zeer onbillijk om geheel de Amsterdamsche School te ontkennen, die werkelijk veel schoener en voldragener scheppingen heeft voortgebracht dan de discipelen van Mondriaan. Op architectonisch gebied is het broodnoodig dit hiaat op de expositie voor de Parijzenaars aan te vullen.
      Het is te hopen, dat den heer de Bie bij zijn thuiskomst in Holland de behulpzame hand wordt geboden. De Regeering moge geldelijk niets kunnen bijdragen, zij kan toch haar moreelen steun verleenen. Tot nu toe heeft zij zich echter van de zaak bitter weinig aangetrokken. De voor een klein land zoo uiterst belangrijke geestelijke en artistieke expansie, waarmee zij haar politieke geringheid kan vergoeden, schijnt buiten de bemoeienis van Buitenlandsche Zaken te liggen. En toch is een impuls van boven af noodig om de financieele kopstukken te mobiliseeren, wier zakenblik ver genoeg reikt om de waarde van een goede Hollandsche vertegenwoordiging te beseffen. En als het geld er eenmaal is, komt de rest vanzelf.