Het Vaderland/Jaargang 63/27 maart 1932/Ochtendblad/Waar groote geleerden als leerlingen zitten
| ‘Waar groote geleerden als leerlingen zitten. College in kamer 306. De Sitter, de mathematische virtuoos’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit Het Vaderland, zondag 27 maart 1932, Ochtendblad C, p. 2. Publiek domein. |
WAAR GROOTE GELEERDEN ALS LEERLINGEN ZITTEN
COLLEGE IN KAMER 306
De Sitter, de mathematische virtuoos
Uniek onder de moderne inrichtingen van onderwijs is de International School of Advanced Science in Pasadena welke haar jaarlijkschen cursus van twee maanden heeft afgewerkt, Men behoeft maar te zeggen, dat Einstein daar als leeraar en als leerling fungeert om te doen uitkomen, dat het een school is zooals er nog nooit een is geweest. Ze ontstond, niet wegens de bekoorlijkheid van het klimaat in Californië, maar doordat de laboratoria en andere faciliteiten van het California Institute of Technology en het Mount Wilson Observatorium onderzoekers gelegenheden boden, welke ze nergens elders zouden kunnen vinden. Het Institute of Technology, onder leiding van dr. Millikan, de man van de theorie van den kosmischen straal, is een der groote wereldcentra voor abstract wetenschappelijk werk geworden.
De geleerden komen van heel de wereld over, niet om door den grooten kijker te zien, maar om de resultaten van de waarnemingen der sterrekundigen te bestudeeren en om andere geleerden te ontmoeten, die met hetzelfde doel komen. De ontmoeting, de uitwisseling van denkbeelden, de lezingen — dat zijn de doelen en de kern van de International School.
En wat een lijst van studenten biedt ze, zegt C. Hall in de New York Times, let eens op de namen:
prof. Albert Einstein van Berlijn, de eerste die de relativiteitstheorie verkondigde;
dr. Robert A. Millikan, Nobelprijswinnaar, die de theorie verdedigt, dat de wereld in de ruimte opbouwt in plaats van afgebroken wordt;
dr. Harlow Shapley van het Harvard Observatorium, autoriteit op het gebied van de verdeeling der sterren;
dr. Edwin P. Hussle van het Mount Wilson Observatorium, beroemd om zijn studie betreffende eiland heelals;
dr. Richard C. Tolman van het California Institute of Technology, die de relativiteitstheorie zoo uitgebreid heeft dat ze Einstein zelf haast als een conservatief doet lijken;
dr. Paul Ehrenfest van de Leidsche universiteit;
dr. Paul S. Epstein, Einsteins medewerker in Berlijn;
prof. Henri Norris Russell van Princeton, die erkend wordt als een der grootste wiskundige-sterrekundigen, welke Amerika ooit heeft opgeleverd;
dr. W. de Sitter, van de Leidsche universiteit, een ware mathematische virtuoos, een leerling van Einstein en een leermeester naar wien Einstein graag luistert.
* * *
Sterrekunde, natuurkunde en scheikunde vinden een ontmoetingsplaats in Pasadena, want ieder heeft iets bij te dragen aan een verklaring van het heelal. Als de verklaringen niet kloppen, als wat de subatomiscne physici zien als ze in hun onmerkbaar kleine werelden staren, niet in overeenstemming kan worden gebracht met wat de astronomen zien als ze door de lichtjaren staren met hun nebulae, zooveel te meer zijn deze bijeenkomsten dan noodig en zooveel te vruchtbaarder kunnen ze zijn.
De term school is geen spreekwijze al zijn er geen examens en geen klassen. De heele inrichting is academisch. Dit jaar had Einstein zijn werkkamer in kamer 306, op de derde verdieping van het Norman Bridge Laboratorium van het Institute of Technology.
Er is geen personenlift en hij en het gehoor van dertig geleerden voor wie hij nu en dan in deze kamer een lezing hield, moesten steeds de trappen op en af. Grootere bijeenkomsten werden gehouden in een zaal op de tweede verdieping van dit gebouw. Einstein woonde in het Athenaeum — de club van het instituut — vlak bij.
* * *
Het onderwijs in de school van Pasadena lijkt uiterlijk op dat overal elders. Er zijn een klas, een leeraar, een aanwijsstok, een stuk krijt en een bord; soms worden lichtbeelden op het doek geworpen. Er kan b.v. een mededeeling op het bulletin verschijnen als deze:
Seminarium voor theoretische physica, Vrijdag 19 Februari, kamer 306, Morman Bridge Laboratorium. Onderwerp en spreker zullen later bekend gemaakt worden
De woorden kamer 306 vertellen hun eigen verhaal. De spreker zal Einstein zijn en het onderwerp een phase van de groote relativiteitstheorie.
In deze bijeenkomst is er niets bizonders aan de leerlingen te zien. Eenigen zijn gladgeschoren, anderen hebben een baard. De meerderheid rookt een pijp, slechts enkelen sigaretten. De best gekleede leerling is ongetwijfeld dr. Millikan, die er eerder als een welvarende bankier uitziet. Einstein draagt hetzelfde pak dat hij droeg toen hij een jaar geleden in Pasadena was. Hij kan opstaan, zich aankleeden en de 200 el van het Athenaeum naar het laboratorium doen in tien minuten.
* * *
De teekenachtige legende dat er maar twaalf menschen ter wereld zijn, die de relativiteit begrijpen, wordt door deze school der grooten gelogenstraft. Einsteins wetenschappelijk auditorium volgt zijn snellen stroom van woorden en figuren met de diepe aandacht van musici die luisteren naar een symphonie, welke door een superbe orkest wordt uitgevoerd. Maar ze anticipeeren het onderwerp, ze maken zelfs correcties.
Een scholier, de 33-jarige dr. Aristotle D. Michael, lang, zwart van haar, zenuwachtig, rijdt in zijn stoel en zegt op het laatst: Pardon professor, u hebt een k vergeten rechts in uw vergelijking.
De stroom Duitsch — want deze taal, door de meeste geleerden verstaan, spreekt Einstein bij voorkeur — wordt onderbroken. De groote physicus kijkt scherp naar zijn figuren, ziet dat de k inderdaad mist en weet door haar vlug er in te voegen, zijn mathematisch heelal voor instorting te behoeden. Hij gaat voort met zijn demonstratie. Hij heeft een methode van een in de klas er uit te pikken en meer direct tot hem te praten. Misschien is het dr. Fritz Zwicky van den staf van het Instituut, die bergen met hem klimt als hij geen nieuwe theorie afleidt. Misschien is het dr. Millikan. In elk geval de knik van begrijpen komt zonder dralen.
Deze mannen denken met Einstein, anticipeeren de symbolen voor hij ze neerschrijft, voorzien als schaakspelers zijn volgenden zet. Onder hun uiterlijke ongedwongenheid zijn ze in spanning. Wie zou het ook niet als het heelal herbouwd wordt onder zijn oogen en niet tijd en ruimte wordt gegoocheld als met de sinaasappelen in de hand van een jongleur! De zon verschrompelt tot een atoom. De sterren tot zandkorrels. De geest springt in een oogwenk naar gebieden in den hemel, waaruit zelfs een lichtstraal een millioen jaren noodig heeft om tot ons te komen.
* * *
De eenige hoorders, die zich in de kosmische kou gelaten voelen terwijl dit alles gebeurt, zijn de handvol reporters, die binnengekomen zijn. Een van hen ging bij zoo’n gelegenheid met eenig vertrouwen zitten, omdat hij „Duitsch verstaat”. Een uur later, toen het bord overdekt was met hieroglyphische vergelijkingen door snel verdwijnend krijt neergekrabbeld met een witte, krachtige, maar plompe hand, erkende deze luisteraar spijtig, dat hij geen „Duitsch met een Egyptisch accent” verstaat en ging maar een caricatuur van den grooten spreker teekenen op zijn blank kopypapier.
Na het einde van de lezing haasten de reporters zich naar de hal om een der sterrenleerlingen aan te houden om zoo een populaire uiteenzetting van de les van den dag te krijgen. Dr. Millikan meent, „dat het allemaal te technisch is om het publiek belang in te boezemen”. Anderen moeten dadelijk ergens anders zijn. Eindelijk verschijnen Einstein zelf en zijn trouwe metgezel Epstein en den laatste wordt verzocht te vertellen wat er gebeurd is.
Dr. Einstein, [v]ertelt Epstein met een twinkeling van zijn oogen, verzoekt me u te vertellen wat hij zegt. Hij zegt, dat hij eens een vrouw had, electromagnetisme, en een man, gravitatie. Maar hij kon ze niet bij elkaar houden. Nu zegt hij, dat hij ze bij elkaar heeft. Wat kan nu nog natuurlijker zijn? De twee geleerden lachen hartelijk en stappen weg naar de lichten van het Athenaeum.
De reporters krijgen wat hulp van een doctor, dien ze snappen in de bibliotheek van het laboratorium en nemen verder hun toevlucht tot de laatste editie van een encyclopaedie, voor een uiteenzetting van de veldtheorie. Maar een lezing van Einstein verslaan is geen werk voor een broekje.
* * *
Als De Sitter, slank, met sombere oogen, peinzend, leest in zijn zacht Engelsch, met het bekoorlijke Hollandsche accent, heeft hij een gehoor, dat even aandachtig is als dat hetwelk naar Einstein luistert. Hij is een mathematicus van het eerste water, speelt op het heelal, lichtjaren, ruimte en tijd, als hij op een muziekinstrument zou doen. Hij trekt het heelal uit elkaar en drukt het weer in elkaar alsof het een harmonica was van onbepaalde afmetingen, ontlokt er mathematische muziek aan, soms liefelijk, soms snijdend futuristisch. Hij schept een kosmos, welke in elkaar schijnt te zullen vallen als iemand ook maar even met zijn arm wuift. Of hij wil er u een geven, waarin het onmogelijk zal zijn ook maar een arm op te heffen.
Hij komt op een van die groote onstandvastigen welke de physici in verwarring brengen. Het heelal begon maar een paar duizend millioen jaar geleden uit te zetten vertelt hij zijn klas, „eerst gisteren” om in astrologi[sch]en tijd-termen te spreken. Maar de sterren zijn duizenden malen ouder dan die paar duizend millioen jaar. De klas weet dat dit waar is. Humason en Hubble zijn er en zij hebben verre nebulae gesnapt, terwijl ze van ons weg renden en van elkaar en hebben schijnbaar bewezen, dat het heelal schijnbaar verder explodeert. Maar dit schijnt te beduiden, dat de sterren ouder dan het heelal zijn, wat een absurditeit is. Hubble onderstelt dat de explosie van het heelal niet werkelijk is, maar schijn. De Sitter neemt Hubbles eigen verklaring, op fotografische platen vastgelegd, als bewijs der realiteit.
Wat kan er gedaan worden? Niets blijkbaar. De groote De Sitter uit dan de meening, dat twee evolutieprocessen aan het werk zijn — een voor het heelal en een voor de sterren zelf. Hij zelf noch de klas is bevredigd door deze onderstelling. Ze graven, zooals in de woestijn naar water gegraven wordt, naar die „interdepence absolute, foreseen, ordained, decreed”, waar Kiplings McAndrew van zong. Maar ze kunnen haar niet vinden.
* * *
Zeer nederig zijn deze groote mannen, al behooren zij tot de koninklijke lijn van Thales, Archimedes, Euclides, Galilei en Newton. In hun nederigheid vertellen ze soms aan de klas dat het heelal nooit gekend zal worden, dat de menschelijke geest te zwak is om zijn onmetelijke komische grootheid te begrijpen of het geheim van zijn structuur te omvatten, dat de groote les, welke alles duidelijk zou maken, wellicht nooit door eenigen leerling op eenige school geleerd zal worden.
Maar ze sluiten de verspreide gelederen van formules en gaan voort. De vierde dimensie is niet genoeg. Einstein zegt kalmpjes tot de klas: „Ik ben gedwongen een vijfde dimensie in te voeren om gravitatie, licht en electromagnetisme met de ruimte vast te schakelen”, juist als of een hoogere macht hem naar den rand van een afgrond duwde. Zichtbare, tastbare realiteit is van geen beteekenis voor hem; het zou een fictie van menschelijke zinnen kunnen zijn. De vergelijkingen op het bord zijn het eenige dat telt.
De sprekers critiseeren elkaars theorieën en hun eigen theorieën van gisteren ongemakkelijk. Het oude heelal van Einstein van tien jaar geleden is verbrijzeld. Al wat er van over is is de conceptie van tijd-ruimte. En ook die zal wellicht veranderd worden, vertelt Einstein zijn klas, als hij er in slaagt gravitatie aan licht te lasschen.
Jeans, die een jaar geleden aanwezig was, zette zijn beeld van den dood van het heelal, van het terug gaan van alle materie ten laatste in inactiviteit, uiteen. Millikan, een vechter, en enthousiast, houdt staande dat de materie wordt opgebouwd in de ruimte en dat de kosmische stralen worden gevormd uit de ontmoetingen van electronen en protonen. Einstein luistert en glimlach bevestigend. Gorde relaviteit is dat. Over het geheel helt Pasadena naar Millikan over. Of naar Tolman, die heroische vergelijkingen heeft uitgewerkt voor de klas, om uit te leggen, dat het heelal is als een groote long, die afwisselend uitzet en inkrimpt, cycli van milliarden jaren door.
Maar de finale verklaring schijnt nog ver weg te liggen. Zelfs zoo de bewegingen der sterren en nevelvlekken tot wet zouden worden verklaard, zou het interieur van het atoom nog verklaard moeten worden. De aanhangers der moderne „hoeveelheid-theorie” houden staande dat wet en orde geen plaats in het atoom hebben. Maar het heelal is gemaakt van atomen. Hoe kan er wet in het geheel en anarchie in de deelen zijn?
* * *
Deze „leerlingen” van Pasadena vertegenwoordigen de nieuwe houding der natuurkundige wetenschap over de heele wereld. De oude stevige dogma’s van de negentiende en begin der twintigste eeuw zijn weg. De machtigste intellecten staan verbluft. Ze gaan naar school in de hoop dat een of anderen dag een leeraar hun zal kunnen vertellen wat ze erkennen niet te weten.
De groote telescopen, de X-straalbuis welke 2.000.000 volts gebruikt en 30 voet lang is; het reusachtige brandglas, 27 voet hoog, dat de hoogste temperaturen welke ooit door den mensch zijn bereikt, uit de zonnestralen moet wekken; de groote spectrohelioscoop ter bestudeering van de zonnestralen; het apparaat waardoor de verbrijzeling van gasatomen door de kosmische stralen kan worden gefotografeerd; de multikristallen-spectrograaf, met welker hulp men hoopt, de geheimen van het electroon te kunnen fotografeeren — deze wonderbaarlijke instrumenten wekken den leek tot eerbied op.
Maar de geleerden worden er niet door bedot. Zij hebben geen illusies van grandeur. Zij weten dat ze slechts kinderen zijn die naar school gaan en dat de meerderjarigheid van het menschelijk begrijpen nog ver af is.