Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië/Jaargang 28/Nummer 52/Een da-daïstische Serenade

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een da-daïstische Serenade
Auteur(s) Anoniem en Charivarius
Datum Zaterdag 3 maart 1923
Titel Een da-daïstische Serenade
Krant Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië
Jg, nr 28, 52
Editie, pg [Dag], Vierde Blad, [1]
Opmerkingen Menno van Meeteren Brouwer vermeld als Menno
Brontaal Nederlands
Bron delpher.nl
Auteursrecht Publiek domein

Een da-daïstische Serenade.

      Naar aanleiding van de dadaïstische propaganda-avonden, te Amsterdam en Den Haag gehouden, dicht Charivarius de volgende Serenade in de Groene Amsterdammer.
      Het vers mag gratis voorgedragen worden bij dergelijke volgende gelegenheden!

      Nieuw-dadaïstisch Rijm, opgedragen aan den schranderen schilder Theo van Doesburg.
      „Dada is een ladder zonder sporten.”

TH. VAN DOESBURG.

      (De 17-jarige burchtvrouw Kunigond, groengelokt en met prachtige geribde oogen is ingesluimerd op een telegraafdraad. Ridder Deodaat staat, met zijn kunstgebit in de eene en een driesnijdend zwaard in de andere hand, op het linker voorwiel van den electrischen trein, die dwars er onder door achteruit snelt. Pikzwarte stoom verdwijnt in de veiligheidsklep, en Deodaat fluit, tokkelend op een mondharmonica, terwijl hem het klamme angstzweet tegen de wangen opkronkelt, Kunigond tweestemmig toe:)

      O, Kunigond! O, Kunigond!
      Slaap door, en kijk terwijl in 't rond:
      Ziet, hoe de heete regen schijnt,
      Hoe druipend kil de zon verdwijnt,
      De krijtrots ruischt, de beek verwelkt,
      Terwijl de boer zijn kiekens melkt.

      O, Kunigond! O, Kunigond!
      De plek, waar eens ons graf op stond,
      Snelt henen in onbluschbre vaart,
      De wurmen fladdren hoog bij d’aard,
      De leeuw beklimt de torenklok,
      Onwrikbaar, in gestaag geschok.

      O, Kunigond! O, Kunigond!
      Mijn oogen puilen uit mijn mond.
      ’k Druk in mijn schedel haar op haar,
      En ’k pers mijn ooren op elkaar;
      Hoort hoe ’k, den brauw bedekt van ’t schuim,
      Mijn tranen wegpink met mijn duim.

      O, Kunigond! O, Kunigond!
      De sneeuwlaag dondert, kakelbont,
      Als, lonkend naar uw Deodaat,
      Uw rechter neusgat opengaat,
      Hier staan ik, in parfait amour!
      (Ik zelf niet, maar mijn oudste broer.)

      O, Kunigond! O, Kunigond!
      Hoog boven den verganen grond!
      Wen straks de telegraafdraad breekt,
      Dan slaapt gij rustig door, dat spreekt,
      Maar ik klim, staande op mijn kop,
      Een sportenloozen ladder op.

      O, Kunigond! O Kunigond!
      Wee! Godin Amor schiet zijn lont.
      Ruik hoe, terwijl gij wordt geschaakt,
      Uw kleinzoon in vervoering raakt,
      Onz’ ouders, die in ’t water staan,
      Zien ons, twee arme weezen, gaan.

      O, Kunigond! O, Kunigond!
      Nu blaft de kat, en fluit de hond.
      Wij rennen toomeloos, maar vlug,
      Op liefdevleuglen, rug-aan-rug.
      Om met uw bruid, gelijk de vlieg,
      Den dood t’hervinden in den wieg.

      Zou het nu niet iets zijn – waar de Theosofie hier ter stede sedert het vertrek van Bischop Labberton kwijnt – om hier eene Dadaïstische vereeniging op te richten? De Heeren Pénard, Mr. Meyroos, Fournier, Vreede.... konden het dagelijksch-nachtelijk anarchistische bestuur vormen.

      Men zie Menno’s teekening in dit nummer.

Overige vindplaatsen[bewerken]

  • Anoniem en Charivarius (31 januari 1923) ‘Een Dadaïstische „serenade”’, De Tijd, tweede blad, [p. 3].
  • Anoniem en Charivarius (2 februari 1923) ‘Een Dadaistische „serenade”’, Limburgsch Dagblad, [p. 2].
  • Anoniem en Charivarius (3 februari 1923) ‘Een Dadaistische „serenade”’, Eindhovensch Dagblad, tweede blad, [p. 1].
  • Anoniem en Charivarius (5 februari 1923) ‘Dada’, De Grondwet, [p. 3].
  • Charivarius (27 februari 1923) ‘Serenade’, De Sumatra Post, tweede blad, [p. 1].
  • Anoniem en Charivarius (3 maart 1923) ‘Serenade’, De Preangerbode, Avond-editie, derde blad, [p. 1].