Het paradijs verloren: Boek IV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III - Boek IV

Het paradijs verloren: Boek IV

Auteur John Milton
Genre(s) Poëzie
Brontaal Engels
Datering 1674 (tweede editie)
Vertaling 2022
Vertaler Jules Grandgagnage
Bron Vertaalde gedichten: Paradise Lost Boek IV]
Auteursrecht CC-BY-SA
Logo Wikipedia
Meer over Het paradijs verloren: Boek IV op Wikipedia
Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Het paradijs verloren: Boek IV (1674)

Paradise Lost Book IV van John Milton
naar het Nederlands vertaald door Jules Grandgagnage (2022)


Tekstverantwoording: voor de Engelse tekst werd gebruikgemaakt van de tekst op de Engelse Wikisource.

Creative Commons License
Creative Commons Attribution icon
Deze vertaling heeft de licentie Creative Commons Naamsvermelding 3.0;. In het kort: het staat u vrij de tekst te gebruiken en te verspreiden, onder voorwaarde dat u de naam vermeldt van de auteur/vertaler ("Jules Grandgagnage").


ONDERWERP VIERDE BOEK ('The Argument')

Satan is nu Eden genaderd, de plaats waar hij zijn stoutmoedige onderneming tegen God en de mens alleen moet zien te volbrengen. Twijfels overvallen hem over zichzelf, zijn hartstochten, angst, afgunst en wanhoop, maar uiteindelijk geeft hij zich over aan het kwaad en reist hij verder naar het paradijs, waarvan de ligging en het uitzicht wordt beschreven. Hij overschrijdt de grens en strijkt in de gedaante van een aalscholver neer in de boom des levens, de hoogste van het lusthof van waaruit hij een goed uitzicht heeft. Daarna wordt de tuin beschreven en ontmoet Satan Adam en Eva, die hij bewondert in hun mooie vorm en volmaakt geluk. Satan, vastbesloten om hun val te bewerkstelligen, luistert hun gesprek af en leert daaruit dat het verboden is van de boom der kennis te eten op straffe des doods. Hij besluit om zijn verleiding erop te baseren dat ze dit gebod overtreden. Hij verlaat hen even om op andere manieren meer over hun toestand te weten te komen. Intussen daalt Uriël neer op een zonnestraal en waarschuwt Gabriël, de poortwachter van het paradijs, dat een kwade geest uit de hel is ontsnapt en 's middags vanuit zijn sfeer in de vorm van een engel is binnengedrongen. Uriël had hem echter op een berg in zijn ware gedaante verrast en herkend aan zijn woeste gebaren. Gabriël belooft om hem tegen morgenochtend te vinden. 's Nachts praten Adam en Eva over hun verdiende rust na hun dagtaak; hun prieel en avondritueel wordt beschreven. Gabriël doet met zijn nachtwacht de ronde van het paradijs en geeft twee sterke engelen de opdracht de slaapplaats te bewaken en Adam en Eva te behoeden voor een aanval van Satan tijdens hun slaap. Daar vinden ze de duivel echter reeds gebogen over Eva, in haar oor fluisterend om haar in een droom te verleiden. Satan wordt tegen zijn zin door de twee engelen naar Gabriël gebracht, door wie hij wordt ondervraagd. Satan beantwoordt alles minachtend en neemt zich voor te strijden, tot een teken uit de hemel hem op andere gedachten brengt.

HET PARADIJS VERLOREN

Nederlandse vertaling door Jules Grandgagnage (2022)

BOEK IV


O, die vermanende stem die de apostel[1]
voorspeller van de Eindtijd, hemels toeriep,[2]
toen de draak zich in een tweede rooftocht
woest op mensen stortte, belust op wraak:
"Wee de bewoners van de Aarde!" had d' eerste
ouders gewaarschuwd voor de komst van hun
geheime vijand, zodat ze mogelijk konden
ontsnappen aan zijn dodelijke strik;
Want nu kwam Satan, ontstoken door woede, op aarde;
(voor de mens verleider, dan pas aanklager)
om de broze, onschuldige mens te straffen
voor zijn eerste verlies en zijn verbanning:
Hoewel moedig en onbevreesd, verblijdt
zijn snelheid hem niet en voelt hij geen reden tot snoeven
als hij zijn aanslag begint en in zijn borst
het uit te voeren plan woelt en borrelt 
als een duivelse machine die terugslaat
op hemzelf; Afschuw en twijfel
verstoren Satans onrustige gedachten,
en beroeren de bodem van de hel
die hij met zich meedraagt en nooit, hoe ver[3]
en waar hij ook zou gaan, zou kunnen ontvluchten. 
Geweten wekt nu sluimerende wanhoop
en de bittere herinnering
aan wat hij was, nu is en worden moet:
ergere daden brengen ergere kwellingen.
Soms werpt hij met spijt een blik op Eden,
nu lieflijk voor hem uitgespreid, dan weer
op de hemel en de stralende zon
nu in haar hoogste toren in het zenit;
Dan, in gepeins verzonken, begon hij zuchtend:

"U, Zon, gekroond met hoogste pracht,
die naar beneden kijkt vanuit uw rijk
gelijk de God van deze nieuwe wereld;
voor U buigen alle sterren het hoofd,
U roep ik aan, en noem uw naam, Zon,
niet als vriend, om U te zeggen dat uw
hatelijke stralen mij doen denken
aan hogere sferen dan d' uwe, waaruit ik viel
door trots en ambitie gedreven tot oorlog tegen
de weergaloze koning der hemelen;
Waarom? Zulke reactie verdiende Hij niet;
Hij die mij voor deze hoge rang
geschapen had, was mild in zijn verwijt
en onder hem te dienen was niet zwaar.
Is er een lichter taak dan Hem te prijzen
en Hem te belonen met mijn dank?
Ik Was het Hem terecht verschuldigd, maar al
Zijn goedheid wekte slechts het kwaad in mij;
Zo hoog verheven verachtte ik dienstbaarheid:
Nog één stap hoger, dacht ik, bracht mij 't Hoogste
en kwijtschelding van eeuwige dankbaarheid,
een schuld te zwaar om verder te betalen;
'k Vergat wat ik van Hem nog steeds ontving,
Ik vatte niet dat een dankbaar hart,
schoon schuldig, niet schuldig blijft, maar toch betaalt,
van schuld ontlast; Heet dit dan een last?
Ach, had het almachtig Lot mij maar bestemd
tot engel in lagere rang; Dan zou ik, zonder
ambitie en hoop, nog steeds tevreden zijn!
Alhoewel... Stel dat een andere macht
ambitie kreeg en mij, een lagere geest,
meetrok in zijn plan? Maar andere krachten,
zo groot als ik, weerstonden alle verleiding
en bleven overeind. Had jij dan niet
die vrije wil en kracht om te weerstaan?
Dat had je! Waarom dan wie of wat beschuldigen
tenzij hemelse liefde die ieder krijgt?
Vervloekt zij dan die liefde, want liefde of haat
brengen mij dezelfde eeuwige pijn.
Nee, wees zelf vervloekt, want tegen Zijn Wil
koos je vrij wat je terecht betreurt.
Wee mij! Want waarheen kan ik oneindige toorn
en wanhoop ontvluchten als overal de hel
mij volgt: Ikzelf ben de hel! In elk diep
dreigt nog een lager diep mij te verzwelgen,
dat vergeleken met mijn eigen hel
een hemel lijkt! Geef toch eindelijk toe:
Is er geen plaats meer over voor vergeving
en berouw? Geen voor onderwerping?
Minachting weerhoudt me dat woord
te gebruiken, beschaamd voor wat de geesten
beneden zullen zeggen die ik verleidde
met beloften en opschepperij
in plaats van onderwerping, snoevend dat ik
d' Almachtige kon knechten. Wee mij!
Zij weten niet hoe 'k voor die trots moet boeten,
onder welke kwellingen ik kreun
terwijl zij mij vereren op de helletroon.
Met koningskroon en opgeheven scepter
val ik steeds dieper, slechts in ellende 't grootst:
Ziedaar de vreugde die mijn eerzucht vond.
Maar stel dat ik het berouw en Zijn Genade
mij in mijn vorige staat herstelt; hoelang
zou 't duren voor hoogmoedige gedachten
die geveinsde onderwerping afzwoeren?
Uit beloften in pijn en met geweld
afgedwongen groeit geen echte verzoening
als haat zulke diepe wonden sloeg:
Dit zou me alleen maar leiden tot ergere breuk
en diepere val, en 't kort gewonnen respijt
te moeten betalen met dubbele smart. Dat weet Hij,
die mij straft; Hij wil mij net zo min
vrede schenken als ik erom wil smeken;
Voor ons is alle hoop verloren, maar kijk:
in plaats van ons, die Hij verbannen heeft,
schiep Hij de Mens en deze wereld voor hem:
Vaarwel dus, angst, vaarwel berouw; al 't goede
is voor mij verloren; Mijn Goed is 't Kwade;
Door U deel ik het Rijk met 's hemels Vorst;
Door U zal ik de helft of meer van d' aarde
regeren, zoals weldra de mens zal weten."

Al sprekend verduisterde driemaal zijn gezicht
bij elke passie: toorn, afgunst en wanhoop
die zijn geleende gelaat misvormden, en
't bedrog verraadde voor ieder die hem zag,
want hemelingen zijn vrij van zulke driften.
Zich snel hiervan bewust, bedekte Satan
elke verstoring met uiterlijke kalmte;
De huichelaar verhief bedrog tot kunst
en was de eerste die het kwaad een schijn
van heiligheid gaf. Maar dat volstond niet
voor Uriël die reeds gewaarschuwd was
en zag hoe Satan als gedrocht de berg
Niphates beklom, mismaakter dan een blije[4]
geest kon overkomen: Uriël merkte
aan Satans woeste gebaren en drieste gedrag
dat hij zich alleen waande, door niemand
opgemerkt, door niemand bespioneerd.

Satan gaat verder tot aan de grens van Eden,
het Paradijs nabij, met groene wal
die een landelijke heuvel bekroont
boven een steile wildernis waarvan
het stekelig kreupelbos de toegang ontzegt;
Hoog daarboven ligt het schaduwrijk
van ceder, den, spar en de wijd
vertakte palm: een weids toneel van wouden,
hoger en hoger, laag boven laag, schaduw
boven schaduw in een houten theater
met majesteitelijke aanblik. Hoger
dan die kruinen rees de groene muur
van 't paradijs vanwaar de opperheerser
alle naburige streken van Eden kon zien.
Daarbovenuit verrees een ronde rij
met prachtige bomen beladen met rijk fruit
en bloesems van een gouden tint, gemengd
met bonte kleuren als van email, waarop
de zon haar stralen scheen, vrolijker
dan in een avondwolk of regenboog
nadat God de aarde had gedrenkt.
Zo lieflijk leek dat landschap: De zuivere lucht
wordt bij zijn nadering nu nog zuiverder
en vult zijn hart met lentevreugd, waardoor
zijn droefheid verdwijnt, maar zijn wanhoop niet:
De zachte bries voert op welriekende vleugels
inheemse geuren aan, en fluistert waar
haar zoete balsembuit vandaan komt.
Zoals zij die zeilen voorbij De Kaap
en Mozambique, en de adem der
noordoostenwind hen Sheba's geuren aandraagt[5]
der specerijenkust van 't zalig Arabië,
verheugd met 't oponthoud, vertragen, en d' Oceaan
nog mijlen lang verblijden door die geur:
Zo trof ook nu het zoet parfum de Vijand
die het zou verdoemen, al rook het beter
dan de vislucht die verliefde Asmodeus[6]
verdreef van de bruid van Tobits zoon,
uit Media naar het verre Egypte,
waar hij voorgoed in boeien werd gekluisterd.

Traag, verzonken in gedachten was Satan
verder gereisd tot aan de steile berg;
Daar vond hij zijn weg versperd door kreupelhout
en dichte ondergroei van doornige struiken
die elk pad van mens en dier die hier
passeerden afsloten. Eén poort was er, naar 't oosten
gericht, aan d' andere zijde, die d' Aartsvijand zag,
maar minachtend verwierp en dan smadelijk
in één ononderbroken sprong de steilste
berg en hoogste muur overschreed
en binnen Eden landde op zijn voeten.
Zoals een dolende wolf, belust op prooi,
uit honger 's avonds het veld bespiedt waar schapen
naar hun veilige kooi worden geleid,
met gemak over de omheining 
en op de kudde springt; Of als de dief
loerend op d' ijzeren kist van rijke burgers
die hun bezit met dikke deuren, tralies
en grendels beveiligen, geen aanval vrezend,
die klimt door 't raam of over 't dak: Zo drong
de eerste Grote dief Zijn kudde binnen,
zoals sindsdien valse huurlingen doen.
Vandaar vloog hij omhoog naar de middelste
en hoogste boom, de Levensboom, en zat
daar neer gelijk een waterraaf; Het Ware[7]
leven zocht hij niet, maar broedde op
de dood en wie er sterven moest; noch dacht
hij aan de levenskracht van deze plant
die hij slechts als uitkijkpost gebruikte
terwijl hij eeuwig leven kon verzekeren.
Naast God kan niemand het Goede naar waarde schatten;
Zo wordt het beste dat zich aan ons voordoet
tot misbruik gekeerd en averechtse dienst.

Opnieuw verwonderd ziet hij beneden zich,
bestemd om 's mensen zintuigen te prikkelen,
hoe de natuur haar hele rijkdom toont
op deze kleine plaats: een hemel op aarde;
Een lusthof Gods, door Hem geplant in 't oosten
van Eden; Eden strekt zich vanaf Hauran[8]
oostwaarts uit naar de koninklijke
torens van Seleucië, gebouwd[9]
door Griekse vorsten, waar Edens zonen eertijds
vertoefden in Telassar: die blijde bodem[10]
koos God uit voor Zijn nog blijder hof.
Daar op die vruchtbare bodem liet hij bomen
groeien van de edelste soort in uitzicht,
geur en smaak, de Levensboom in het midden,
voornaam oprijzend vol ambrozijnzoet fruit 
van plantaardig goud; Vlak naast dat leven
stond onze dood, de boom der kennis: te dure
kennis van 't goed betaald met kennis van 't kwaad.
Ten zuiden liep een brede vloed door Eden,[11]
niet afwijkend van zijn loop, ondergronds
door de ruige heuvel die God erop
geworpen had als tuinaarde, hoog verheven
op de snelle stroom die door de poreuze
aderen van de aarde een frisse bron
voedde en met menige beekjes de tuin
besproeide; Daar verenigd stortte het water
zich naar beneden op een open plek
waar het zich verenigde met de onderstroom;
Nu in vier hoofdstromen opgedeeld,
verspreidt het zich door veel befaamde rijken
en streken, maar laat ons liever vertellen over
(kon Kunst het maar verwoorden!) hoe uit die saffieren
fontein kabbelende beken ontsprongen die over
oosterse parels en gouden zand rolden,
kronkelend onder hangend schaduwloof,
om nectar aan te voeren voor elke plant,
en voeding voor bloemen, waardig voor het paradijs;
niet kunstmatig gewrocht in perken, maar weelderig
door Natuur uitgestort op heuvel,
dal en vlakte; Overal waar d' ochtendzon
het land verwarmde of waar het ondoordringbaar
loofprieel haar duistert, was dit zo
afwisselend oord een pastoraal verblijf:
Bossen met bomen die gom en balsem tranen,
of fruit dragen, gebrand met gouden schil
en heerlijk smakend. Hier, en hier alleen,
werd de fabel der Hesperiden waar.[12]
Tussen 't geboomte omgeploegde velden
en weiden met kuddes die grazen van 't malse gras,
heuvels waar de palmboom groeit, bewaterde
valleien met overvloedig bebloemde schoot,
veelkleurige bloemen en rozen zonder doorns:
Een ander deel biedt met zijn grotten en
spelonken een beschaduwde verkoeling
onder welige wingerds met paarse druiven;
Intussen stromen murmelende beekjes
langs heuvelhellingen neer, verspreid, of samen
naar een meer, dat aan zijn mirtenrijke
oevers zijn kristallen spiegel toont.
Het vogelkoor zingt liedjes, gedragen door
de lentewind met geur van veld en bos,
terwijl de bladeren trillen op hun toon
en natuurgeest Pan met horen en gratiën in dans[13]
de eeuwige lente inluidt. Niet Enna's mooie
veld, waar Proserpina bloemen vergaarde,[14]
zelf de mooiste bloem, geplukt door Pluto,
wat haar moeder Ceres zo bedroefde
dat zij haar overal ging zoeken; 
Noch Daphnes lieflijk bosland bij de Orontes,[15]
noch Castaliës bron kon Eden overtreffen;
Evenmin het eiland van Nysea[16]
in de Tritonstroom waar oude Cham
(door d' Ouden Ammon genoemd, en Lybische Zeus)
Amalthea en Bacchus, haar kloeke zoon,[17]
verborg voor zijn stiefmoeder Rhea.
Noch waar Abessijnse koningen
hun kroost bewaken op de berg Amhara,[18]
voor sommigen het ware paradijs
waar de Nijl ontspringt onder de grens
van Ethiopië, door glanzende rotsen
omgeven; Een dagreis hiervandaan zag Satan
vreugdeloos alle vreugde en schoonheid
met alle nieuwe vreemde soorten schepsels:

Onder hen twee edeler gedaanten,
rijzig als goden, het hoofd rechtop gericht,
in naakte majesteit, meesters van alles,
waardig lijkend in hun goddelijk aanschijn
dat hun wonderlijke Maker weerspiegelde;
Waarheid, wijsheid, heiligheid streng en puur
(streng, maar kinderlijk vrij) waaraan de mens
zijn echt gezag ontleent; ze waren ongelijk,
want hun geslacht verschilde; Hij was gemaakt
voor contemplatie en moed; Zij voor zachte
bevalligheid en zoete bekoring; Hij om
God te dienen, zij voor God in hem:
Zijn brede voorhoofd en nobel oog toonden
zijn gezag; Krulhaar als Hyacynthus[19]
viel mannelijk rond zijn voorlok neer, gevlochten,
maar niet tot lager dan zijn brede schouders;
Zij droeg, als sluier tot haar slanke leest,
haar onversierde gouden lokken, warrig
maar gevlochten zoals een wijnstok zijn ranken
krult: dit wees op onderwerping, met zachte
hand verkregen door hem en door haar
gegeven met zedige onderdanigheid,
bescheiden trots en zoete terughoudendheid.
Hun mysterieuze delen waren onbedekt,[20]
want schuldige, oneerlijke schaamte was er niet
voor het eerlijke werk van de natuur:
eer werd echter onteerd; Zondaars, hoe zwaar
woog op de mensheid uw schijn van zuiverheid:
met vals vertoon bande u uit 't leven
van de mens al zijn geluk, zijn eenvoud
samen met zijn smetteloze onschuld!
Zo gingen zij in naaktheid voort, noch schuwden
zij de blik van God of engel, zich van
geen kwaad bewust: Hand in hand gingen
zij, het schoonste verliefde paar ooit;
Adam, de beste aller mannen die als
zijn zoons geboren werden, Zij nog mooier
dan haar dochters. In 't lommer van een bos,
onder het bladgeruis, zaten zij neer
nabij een koele bron; na hun arbeid
in de tuin verwelkomden zij Zephiros,[21]
wiens koelte hun verpozing baatte, zodat ze
dorst en honger dankbaarder aanvaarden.
Als avondspijs werden nectarvruchten,
aangeboden door laag buigende takken
waar zij liggend op hun zij naar reikten
vanop de zachte bloembedekte oever: 
Zij kauwden 't smakelijk fruit, en met de schil
lesten zij hun dorst door bruisend water
uit de stroom te scheppen. 't Ontbrak aan lieve
woordjes niet, noch aan jeugdig flirten
zoals het een blij paar gehuwden past
als het alleen is. Rondom hen dartelden
alle dieren der aarde, toen nog tam,
van alle soort in wildernis of hol;
Speels klom een leeuw de boom in, een geitje wiegend
in zijn klauw; beer en tijger, lynx en
luipaard huppelden stoeis voorbij; de logge
olifant deed mee zijn best en kronkelde
zijn slurf. De sluwe slang kroop dichterbij,
en weefde zijn staart in gordiaanse knopen,
zo ongemerkt zijn slinkse aard vertonend;
Verzadigd zat het vee in 't weiland of keerde
herkauwend huiswaarts; De dalende zon was nu
met spoed op weg naar de Azoren, en in
het rijzend hemelgedeelte verschenen de sterren
die de komst van de avond verkondigden.
Vanop dezelfde plaats stond Satan nog steeds
te staren, zo onder de indruk van wat hij zag,
dat hij slechts moeizaam zijn rede kon hervatten:

"O, Hel! Wat aanschouwen mijn ogen met smart!
In onze plaats van gelukzaligheid
schepsels van andere vorm, aardgeboren
misschien, geen engelen, maar niet veel minder
dan stralende hemelse geesten; Bewonderend
kijk ik naar hen, misschien met liefde, zo helder
straalt Gods beeld in hen door de hand
die hun vorm met schoonheid overgoot.
O, lieflijk paar, hoe weinig weten jullie
dat jullie omslag nadert! Gauw zal die lust
in leed veranderen, en in groter
leed naarmate vreugd u beter smaakt;
Gelukkig nu, maar niet verzekerd of
van lange duur: uw hemel te slecht ommuurd
om uw zetel te houden en zulke vijand
uit te sluiten die nu binnendrong.
Geen vijand ben ik als ik door meelij voor uw
verloren staat bewogen word, hoewel
niemand om mij geeft; Een hecht verbond
wil ik met u, een vriendschap zo dicht dat ik
met u en u met mij moet samenwonen. 
Mijn woning zal u mogelijk niet even
goed bevallen als dit paradijs:
Aanvaard haar echter als uw Makers werk
dat ik u vrijelijk aanbied. De hel ontvangt u
met open poort, begroet door al haar vorsten;
Er is ruim plaats (geen grenzen zoals hier)
voor uw talrijk kroost. Valt het tegen,
bedank dan Hem die mij dwingt tot wraak
op uw onschuld, in plaats van op de dader. 
En zo ik word bewogen door uw onschuld,
wat ook zo is, dan nog dwingt staatsbelang,
eer en heerszucht mij, gevoed door wraak,
uw wereld te winnen, en te doen wat anders
(ofschoon verdoemd) mijn afschuw wekken zou."

Zo sprak Satan, zijn duivelse daden uit noodzaak
vergoelijkend met het pleit van een tiran.
Dan daalt hij neer vanuit zijn hoge stand
op de boom naar de speelse kudde
van viervoetigen, zichzelf veranderend
in telkens een of ander dier dat hem
onopgemerkt dichtbij zijn prooi kon brengen
en zo de mens te kennen uit woorden en daden.
Een leeuw nu, sluipt hij met vurige ogen om hen
heen; dan als een tijger die bij toeval
twee spelende hertjes in de buurt betrapt,
zich uitstrekt op zijn buik, dan weer opstaat
en vaak zijn spiedende houding wisselt, zoekend
naar de beste plaats om toe te slaan
en na een zekere sprong beide met één
klauw te grijpen, toen plots zijn oor getroffen
werd door 't zoet gesprek tussen Adam,
de eerste man, en Eva, de eerste vrouw.

"Jij, die als enige deelt in deze vreugden,
zelf als vreugd voor mij de allergrootste,
Zeker is 't dat wie de wereld schiep
oneindig goed moet zijn, en Zijn goedheid
mild en eindeloos en vrijelijk schenkt;
Hij verhief ons uit het stof naar hier,
te midden het geluk, terwijl wij niets
verdienden uit die gulle hand, noch kunnen
geven wat Hij nodig heeft; Geen andere
dienst vraagt Hij van ons dan deze: om onder
alle bomen in het paradijs,
vol velerlei heerlijk smakende vruchten, 
niet van die ene boom der kennis, naast
de levensboom geplant, te proeven: Zo dicht[22]
bij 't leven staat de dood; Wat dood ook is,
't is zeker iets vreselijks, want je weet:
God noemde het Dood om van die boom te proeven,
Slechts daaruit blijkt onze gehoorzaamheid,
naast zovele andere tekens van macht
en heerschappij die God ons gaf, als meester
over alle schepsels onder ons
op aarde, in de lucht of in de zee.
Til niet te zwaar dus aan dit licht verbod,
wij, die vrijelijk mogen genieten van alles
wat dit lusthof aan verrukkingen biedt:
Laat ons Hem liever prijzen om Zijn gulheid,
en ons wijden aan onze heerlijke taak
om deze planten te snoeien en bloemen te kweken; 
Al is dit werk vermoeiend, 't is zoet met jou."

Eva sprak: "Voor jou en uit jou werd ik
gevormd, vlees van mijn vlees: zonder jou
had ik geen doel, mijn gids en hoofd! Juist[23]
en rechtvaardig was wat je zei.
Waarlijk zijn wij Hem iedere dag
lof en dank verschuldigd, ik vooral
prijs me gelukkig dat ik van jou geniet:
zo ver boven mij verheven vind jij
nergens je gelijke. Vaak denk ik terug[24]
aan die dag toen ik voor 't eerst ontwaakte
op een beschaduwd bloemenbed; ik vroeg
me af waar 'k was, vanwaar ik kwam en hoe
ik hier terecht gekomen was. Niet ver
vandaan ontsprong met murmelend geluid
water uit een grot dat zich verspreidde
in een vloeibare vlakte en daar verstilde,
zo helder als de hemel; daarheen ging ik,
onervaren in gedachten, en lag
neer om vanop de groene oever
in 't meer te kijken als in een andere lucht.
Toen ik me bukte, verscheen in de spiegeling
recht over me een gedaante die zich
naar me boog; ik schrok en deinsde terug,
zij deinsde terug, verheugd keerde ik weer,
haar spiegelbeeld beantwoordde mij nu
met sympathie en liefde. Ik zou daar nog
hebben gestaan in ijdel verlangen, als niet
die stem mij had gewaarschuwd: 'Wat je ziet,
mooi schepsel, wat je daar ziet ben je zelf;[25]
Het komt met jou en gaat met jou weer weg.
Maar volg me, dan breng ik je waar geen
schaduw op jou en jouw omarming wacht:
Hij, wiens beeld jij bent, wordt onafscheidelijk
je genot; je zal hem menigten baren
naar je eigen beeltenis, en Moeder
der mensheid worden genoemd.' Wat kon ik anders
doen dan mijn onzichtbare gids te volgen?
Toen zag ik jou onder een plataan,
schoon en groot, maar toch minder schoon,
zacht of lief dan dat waterig beeld.
Ik keerde me om, mij volgend riep je luid:
'Kom terug, schone Eva. Van wie vlucht je
weg? Je bent van hem voor wie je vliedt,
zijn vlees, zijn been: om jou het licht te geven
onttrok ik aan mijn zij, naast mijn hart,
zelfstandig leven zodat ik je voortaan
steeds naast me heb als dierbare troost.
Ik zoek je als deel van eigen ziel en eis
je op als andere helft.' Toen greep je hand
teder de mijne en ik gaf toe. Sindsdien
weet ik dat mannelijke gratie en wijsheid
schoonheid overtreft als 't ware schoon.

Zo sprak ons aller moeder, in zachte overgave
half omarmend tegen hem aangeleund,
met een blik vol echtelijke liefde;
Haar naakte gezwollen borst raakte half 
de zijne, alleen bedekt door los golvend
gouden haar; Verrukt door haar schoonheid
en gedweeë bevalligheid, glimlachte
hij met verheven liefde zoals Jupiter
naar Juno lacht wanneer hij wolken bevrucht[26]
die meibloemen regenen; Hij overlaadde
haar moederlijke lippen met pure kussen.
Afgunstig draaide de duivel zich om; hen hatelijk
van terzijde bespiedend, klaagde hij:

"Verachtelijk, kwellend schouwspel! Hoe die twee 
in elkaars armen 't paradijs vinden
als blijder Eden en zich verzadigen aan
hun heil wijl ik in d' hel geworpen werd,
waar vreugde noch liefde woont; maar onvervuld
en fel begeren, niet de minste der pijnen
die ons eindeloos kwellen. Laat me echter
niet vergeten wat ik heb vernomen
uit hun mond: Niet alles behoort hun toe,
lijkt het: Er staat een dodelijke boom,
de boom der kennis, waar ze niet van mogen
proeven. Verdacht en onredelijk!
Waarom zou Hij het hun onthouden? Is kennis[27]
zonde? Of dood? Staan zij dan enkel uit
onwetendheid? Is dat geluk hun lot?
Bewijs van godsvrucht en gehoorzaamheid? 
Voorwaar een mooie grondslag om hun verderf
op te bouwen! Daarom zal ik in hen
een dorst naar kennis wekken, en aansporen
tot verwerping van jaloerse bevelen, 
bedoeld om hen, die kennis zou verheffen
tot goden, klein te houden: wie toch probeert
te proeven, sterft. Zo zal het zeker verlopen!
Maar eerst wacht mij een ronde door deze tuin,
waarvan geen hoekje ondoorzocht mag blijven;
Wellicht voert het toeval mij naar waar
ik een dwalende hemelgeest ontmoet
bij een of andere bron of in het lommer,
die mij vertelt wat ik nog meer moet weten.
Geniet, gelukkig paar, van 't kort vermaak
tot ik terugkeer, want dan volgt lange ellende!"

Toen keerde hij minachtend zijn trotse schreden
naar elders, met sluwe omzichtigheid, en zwierf
door woud en wildernis, door berg en dal.
Intussen begon in het uiterste westen, waar de
lucht de aarde en de zee ontmoet,
de zon langzaam te dalen, haar stralen richtend
naar d' oostelijke poort van 't paradijs:
een albasten rots tot aan de wolken
reikend, van ver te zien, met een trap
die vanop de aarde wentelend
naar de enige hoge toegang liep;
De rest was een steile klip die steeds meer
overhing, onmogelijk te beklimmen.
Tussen deze stenen pilaren zat Gabriël,[28]
Heer van de engelwachters, de nacht afwachtend;
Rondom hem speelde 't jeugdig engelenschaar
een heldenspel, ongewapend, maar binnen
handbereik wapens van goud en diamant:
schitterende helmen, schilden en speren.
Daar daalde Uriël neer, door de avond
gleed hij op een zonnestraal, de herfstnacht
als een komeet doorborend wanneer vurige
dampen de lucht vervullen en de zeeman
tonen aan welke kant van zijn kompas
de storm hem wacht. Gehaast sprak hij als volgt:

"Vorst Gabriël, 't viel u bij lot te beurt
dit zalig oord voor onheil te behoeden,
en alle kwaad te stuiten dat ons nadert.
Vandaag kwam s middags in mijn sfeer een geest,
ijverig naar vertoon, om meer te weten
over Gods werken, en vooral de mens,
Zijn laatste beeld: Ik zag hoe hij zijn weg
met grote spoed vervolgde door de lucht;
Maar op de berg ten noorden van Eden, de plaats
waar hij eerst landde, was ik getuige hoe
hij een hemelvreemde vorm aannam
bezield door duistere passie. Ten slotte onttrok
het lommer hem aan mijn zicht; Ik vrees dat er
een banneling uit de diepte kroop, bereid
tot nieuwe opstand. Aan u om hem te vinden."

Waarop de gevleugelde krijger antwoordde:
"Uriël, het is geen wonder dat uw blik
zo wijd en ver kan zien te midden van
de zonnekring waarin u zit: Geen wezen 
raakt voorbij de bewaakte poort, behalve
vertrouwde hemelingen; Geen schepsel kwam
daar sinds het middaguur vandaan; Als een
of andere geest, daartoe geneigd, bewust
de aardse grens passeert, weet u hoe moeilijk
het is een geestelijk wezen fysiek te weren;
Als hij die u vermeldt zich echter verschuilt
binnen deze muren, in welke vermomming
dan ook, dan zal ik het morgen bij dageraad weten."

Dit beloofde hij, en op zijn last
vertrok Uriël, gezeten op de punt
van de heldere straal die hem neerwaarts 
naar de dalende zon bracht achter d' Azoren;
Die eerste kring had ongelooflijk snel
zijn dagloop volbracht, of de tragere aarde
liet door een kortere vlucht naar 't oosten de zon
achter, die wolken rond haar westelijke
troon met purpergouden gloed verfraait. 
Nu kwam de rustige avond die met schemerig
grijs alles met zijn kleed bedekte;
't Werd stil alom en alle dieren en vogels
lagen in hun grazig leger of nest,
behalve de wakkere nachtegaal: die zong
de hele nacht zijn liefdeslied. De stilte
was weldadig: het firmament gloeide
met levende saffieren; Hesperus,[29]
die 't sterrenleger leidde, was het helderst,
tot de maan door de wolken brak, als
ware vorstin haar weergaloos licht onthulde
en over het duister haar zilveren mantel wierp.

Toen sprak Adam tot Eva: Mooie metgezel,
het nachtelijk uur brengt alles tot rust en maant
ons tot verpozen aan: God bepaalde
voor de mens dat rust het werk opvolgt
zoals de nacht volgt op de dag; Tijdelijk
weegt nu op elk ooglid de dauw der slaap:
Andere schepsels behoeven minder rust
omdat ze doelloos dwalen overdag;
Maar Hij wees aan de mens voor lijf en geest
zijn dagelijks werk toe, wat hem verheft
en Gods oog bevalt, terwijl andere
dieren lui zwerven zonder doel
zodat God hun daden niet beoordeelt.
Morgen, voordat de frisse ochtend het oosten
bereikt met 't eerste licht, moeten we opstaan;
Ons wacht de heerlijke taak de wingerd te snoeien
en 't onderhoud van schaduwrijke dreven
die spotten met ons schaars tuinieren, omdat
hun weelderige groei meer handen vereist[30]
om te snoeien dan die van ons beiden alleen.
Die bloesems ook, en druppelende gom,
daar zo vies en grof neergestrooid
en het stappen bemoeilijkt, dient verwijderd;
Nu wil Natuur dat Nacht ons rust gebiedt.

Met volmaakte schoonheid getooid, zei Eva:
"Mijn voogd en Maker, ik volg zonder tegenspraak
al uw bevelen, want zo gebiedt het God;
God is uw wet, en U de mijne: slechts dit
te weten volstaat een vrouw voor 't hoogst geluk.
Met u in gesprek, vergeet ik alle tijd,
niet geraakt door uren en hun wisseling.
Zoet is de ochtendadem, die rijst bij het
gezang van vroege vogels; zoet ook de zon
als ze haar eerste stralen uit het oosten
spreidt over het land op gras, boom,
vrucht en bloesem, glinsterend van de dauw;
zoet geurend de aarde, bevrucht door zachte regen;
zoet de milde schemering en de nacht
met zijn trouwe vogel, deze mooie
maan en deze parels aan de sterrenhemel;
Maar noch de adem van de jonge ochtend,
noch het vogelgezang, de rijzende zon
over dit heerlijke land, noch bedauwd
gras, vrucht, bloesem of natte aardegeur,
noch milde schemering of stille nacht
met zijn trouwe vogel, noch maanverlichte
wandelingen of sterrenglans zijn zoet
zonder jou - Maar voor wie is dit
hemelgeflonker als 's nachts iedereen slaapt?"

Waarop ons aller aartsvader antwoordde:
"Volmaakte Eva, Gods kind en het mijne,
Die moeten hun baan voltooien rond de aarde:
tot morgenavond en in volgorde
bereiden zij het licht voor nieuwe landen;
Ze gaan op en onder opdat de Duisternis
haar oud bezit niet zou herwinnen en zo
al 't leven in de natuur en alle dingen
tot een einde komt; Niet alleen
behoeven zij 't licht van deze zachte vuren,
maar ook de behaaglijke gloed van velerlei werking
die hen koestert, en tempert, en voedt; De sterren
spreiden hun kracht over alle soorten
die op aarde groeien, en maakt ze klaar
voor d' ontvangst van krachtiger zonnestralen.
En zelfs al niemand in 't holst van de nacht hen ziet,
schijnen ze niet vergeefs; Denk niet dat zonder
de mens de hemel geen toeschouwers heeft en God
niet wordt geloofd: miljoenen geestelijke
wezens zwerven ongezien op aarde
als wij slapen en prijzen dag en nacht
Zijn Werk. Hoe vaak niet weerklonken hemelse
stemmen in de echo van een berg
of uit een bos op 't middernachtelijk uur,
als solostem of in samenzang
de Schepper lovend? Als deze schutsengelen
's nachts hun ronde doen als onze wachters,
verdelen hun liederen in harmonie
met hemels instrumentenspel de nacht,
en leiden onze gedachten naar de hemel."

Zo pratend, gingen zij verder, hand in hand
naar hun gezegend prieel, een plaats verkoren
door de grote Planter toen Hij alles
vormde ten behoeve van de mens;
Het lommerrijke dak was geweven
uit laurier en mirte; wat hoger groeide
vast en geurig blad, aan weerszijden
acanthus, en allerlei welriekende heesters
omheinden de groene wal; Prachtige bloemen:
veelkleurige iris, roos en jasmijn weefden
met hun bloeiend hoofd ertussen een bonte
mozaïek; Daaronder borduurden krokus,
viool en hyacint op de bodem
een rijk tapijt, kleuriger dan vloeren
met kostbare tegels. Andere schepsels,
beest nog vogel, insect noch worm, waagden
zich hier niet uit eerbied voor de mens.
In zulk beschaduwd prieel, al was het verbeelding,
sliep Pan of Silvanus nooit, geen nimf of faun[31]
verbleef ooit hier. In deze beschutte nis
spreidde Eva voor het eerst tussen
guirlandes van bloemen en zoet ruikende kruiden
haar bruidsbed open, terwijl het hemelkoor
het bruiloftsdicht zong over de dag
dat de goede engel haar had gebracht
naar onze heer: In al haar naakte schoonheid
lieflijker dan Pandora, die door de goden[32]
was bedeeld met al hun gaven, maar, ach!
door Hermes gebracht naar Jafets domste zoon[33]
de mensheid daar verstrikte met schone blikken
als wraak voor 't stelen van Jupiters eigen vuur.

Zo kwamen ze aan hun schaduwrijke oord,
en bewonderden onder de open hemel
de schepping van God: de hemel, de lucht, de aarde,
de schitterende maan en de sterrenhemel:
"Gij, almachtige bouwer, maakte de nacht
en de dag, die we hebben voleindigd
met de arbeid die ons werd toegewezen,
gezegend door samenwerking en wederkerige
liefde als kroon op het gezegend geluk,
gelast door U; En dit verrukkelijk oord,
te groot voor ons en voor uw overvloed,
ontbreekt het aan deelgenoten voor de oogst
die anders verloren gaat. Maar Gij beloofde
ons beiden een aardevullend nageslacht
dat mee Uw oneindige goedheid zal prijzen, wakend,
of als we Uw geschenk der slaap opzoeken."

Zo spraken zij eensgezind, zonder enige
andere ritus dan zuivere aanbidding,
wat God het best bevalt; Hand in hand
gingen zij tot diep in het prieel,
zonder de last van ons vermommend gewaad
en lagen zij aan zij, naar ik vermoed
niet afgekeerd, noch Adam van haar schoonheid,
noch zij die de huwelijksrite omarmde,
hoe ook die strenge hypocrieten spreken
over zuiverheid, plaats en onschuld
en onrein heten wat God rein verklaart,
soms gebiedt, maar ieder vrijlaat. God eist
aangroei, wie anders dan Zijn vijand en onze
vernietiger zou er onthouding vragen?
Heil dus, huwelijksliefde, mysteriewet
en ware bron van 't nageslacht, enig bezit
in 't paradijs waar alles gemeengoed is!
Door u werd het overspel verdreven
uit de mens om onder het vee te zwerven;
door u werd voor het eerst de liefdesband
tussen vader, zoon en broer op rede
en trouw gevestigd, zuiver en rechtvaardig.
Ver zij 't van mij u zonde of schande te noemen,
of ongeschikt voor deze heilige plaats,
eeuwige bron van huiselijk vermaak,
Uw bedstee noemt men kuis en onbevlekt,
thans en weleer, als bij heiligen en patriarchen.
Hier schiet Amor zijn vergulde pijlen,
brandt zijn eeuwige fakkel en wieken zijn purperen
vleugels: heerst hij en houdt hij zijn feesten; niet in
de koopbare glimlach van hoeren, zonder vreugde
of min, vluchtig gevrij, noch in minnarij
aan 't hof, gemengde dans, bal, maskerade
of serenade door een hongerige vrijer
aan zijn schone, best te min geacht.
Gewiegd door nachtegalen sliepen zij
in elkaars armen, terwijl het dak
op hun naakte leden rozen regende
en 's ochtends hersteld was. Slaap verder, gezegend paar, 
behoud dit geluk en begeer geen gelukkiger staat!

De nacht was met zijn schaduwkegel nu
halfweg zijn reis over de heuvel onder
't ondermaans gewelf, toen cherubs d' ivoren
poort uitstroomden op hun gewone uur,
krijgshaftig voor hun nachtwacht paraderend,
en Gabriël sprak tot zijn naaste in rang:

"Uzziël! Leid ons halve leger zuidwaarts
voor grondig onderzoek, de rest noordwaarts;
onze ronde sluit in 't westen." Als vlammen
splitsen zij, schildwaarts d' een, speerwaarts
d' andere. Twee sterke, wijze geesten
aan zijn zij gaf hij deze bevelen:

"Ithuriël en Zephon, doorzoek vliegensvlug
dit hof en laat geen hoekje ondoorzocht,
vooral 't verblijf van die twee mooie schepsels
nu mogelijk slapend, veilig voor gevaar.
's Avonds bij zonsondergang kwam er
één melden dat zich een helse geest hierheen
spoedt (wie had dit gedacht?), de tralies
der hel doorbroken, gewis vol boze plannen;
Vind j' er zo een, grijp hem en breng hem naar mij."

Zo sprekend, nam hij de leiding van zijn gelederen,
de maan verblindend met hun schittering,
om in 't prieel de indringer te zoeken:
Daar zat hij, gehurkt als een pad,
Eva's oor belagend, met duivelse kunst
reikend naar d' organen van haar verbeelding,
illusies wekkend, begoocheling en dromen;
Of gif inblazend, levensgeesten smetten
uit rein bloed als het bezoedelen
van dampen uit een zuivere stroom; pogend
om tenminste ontevreden, verstoorde
gedachten op te roepen, ijdele hoop
en overdreven, uit hoogmoed geboren verlangens.
Hiermee bezig, raakte Ithuriël hem lichtjes
met zijn speer (valsheid weerstaat geen hemels
staal) en dwong hem tot zijn eigen gedaante:
Hij springt op, ontmaskerd en verrast.
Alsof een vlam op buskruit landt, dat klaarligt
voor vervoer naar 't wapenarsenaal
omdat oorlog dreigt, en 't vuile poeder
met plotse klap de lucht in lichterlaaie
zet; Zo plotsklaps sprong de duivel op
in zijn eigen vreselijke gedaante.
Het tweetal schone engelen stapte terug,
bij 't zien van deze gruwelijke vorst,
maar naderden onbewogen door vrees en zeiden:

"Welke oproerige hellegeest ben jij,
uit je gevang ontsnapt en vermomd,
en zit je als vijand in een hinderlaag
wakend bij het hoofd van zij die slapen?"

"Hoezo, je kent me niet? "zei Satan spottend,
"Eens was ik door jullie gekend, zo hoog
gezeten dat jullie duchtten tot mij te rijzen!
Mij niet te kennen bewijst hoe onbekend
en laag je zelf bent; Weet je het wél,
is dan je vraag geen overbodig begin
van je missie die even zinloos zal eindigen?"

Waarop Zephon hoon met hoon beantwoordde:
"Waan niet, rebelse geest, je vorm en klaarheid
onverminderd bekend als toen je recht
en zuiver in de hemel stond; die glorie
verdween van jou samen met je goedheid;
En nu zie je eruit als je zonde
en het duistere krocht van je doem.
Maar kom, je moet nu rekenschap afleggen
aan Hem die ons gezonden heeft, deze 
plaats beschermt en hen behoedt voor kwaad."

Zo sprak de cherubijn; zijn ernstig verwijt,
streng in jeugdige schoonheid, verleende hem
onovertroffen gratie. 't verstomde de duivel,
die voelde hoe machtig goedheid is; Hij zag
hoe lieflijk deugd was en betreurde zijn
verlies; het meest nog dat zijn luister zichtbaar
was verzwakt, al was hij nog onbevreesd. 
"Als ik moet strijden", zei hij, "dan met de zender,
niet met de bode, of met allen tegelijk
ter meerdere glorie en het mijden van blaam."
"Jouw vrees", zei Zephon vermetel, "bespaart ons uit
te testen wat de minste van ons vermag
tegen jouw slechtheid die je zwakte is."

Door woede verstikt zweeg de duivel, maar ging
toch voort als een trots beteugeld ros, 
bijtend op zijn ijzeren bit; vechten
of vluchten leek hem nu nutteloos: de hemel
bedwong zijn anders zo onversaagde hart.
Nu ontmoetten de twee groepen wachters
van de halve ronde elkaar in 't westpunt,
en wachtten in squadron bevelen af. Hun leider
Gabriël stond vooraan en riep hen nu toe.

"Vrienden! Ik hoor 't geluid van snelle voeten
die zich hierheen haasten, en vang een glimp op
van Ithuriël en Zephon in de schaduw;
Met hen komt een vorstelijke gedaante
met gedoofde glans, die ik herken
aan gang en bruut gebaar als Prins der hel,
die zonder strijd wel niet van hier zal gaan;
Wees ferm, want zijn blik bedreigt ons tartend."

Hij zweeg pas, of het engelenpaar trad nader
en verhaalde wie ze brachten, vanwaar,
wat hij deed, in welke vorm hij kroop.

Met strenge blik sprak Gabriël Satan toe:
"Satan, waarom heb jij de grenzen, gesteld
aan jouw overtredingen, doorbroken
en stoor je anderen in hun taak die weigeren 
je voorbeeld te volgen, maar wel de macht en 't recht
bezitten om je gedurfde entree te stuiten?
Alsof je de slaap van hen wil storen in dit
zalig verblijf dat God voor hen bestemde!"

De Boze antwoordde met een frons: "Gabriël,
jij die in de hemel het respect
der wijzen genoot (ook van mij) brengt mij
in twijfel door deze vraag. Niemand leeft
het liefst in lijden. Wie zou niet, kreeg hij
de kans, de hel ontvluchten, ofschoon daarheen
verdoemd? Stellig zou je zelf alles
wagen voor een plaats, ver van pijn,
om daar kwelling voor gemak te ruilen
en verdriet voor vreugd. Dat zocht ik hier;
Geen rede voor jou die enkel 't goede kent
en 't kwaad niet hebt geproefd. Is je verweer
dat het Zijn Wil is ons te binden? Dat Hij
zijn ijzeren poort versterkt om ons voorgoed
in dat duister te houden! Zo antwoord ik.
De rest van wat ze zeggen is waar: ze vingen
me op die plaats, maar zonder enig geweld."

Zo sprak hij honend. De strijdende engel, aangedaan,
antwoordde minachtend met een lachje:
"O, wat een verlies toch voor de hemel
was die val van de wijze Satan,
verdreven door eigen dwaasheid! Nu teruggekeerd,
ontsnapt uit zijn gevang, uit hij zijn twijfel
over de wijsheid van degenen die vragen
wat hem bezielde om zonder vergunning de grenzen
der voorbeschikte hel te doorbreken
naar hier. Hij vond het wijs om pijn en straf
te ontvluchten! Hou dat vol, waanwijze, 
tot de woede die je tot vlieden aanzette
jou en je wijsheid zevenvoudig
teruggeselt naar de hel, die je 
niet heeft geleerd dat geen enkele pijn
volstaat om grenzeloze toorn te stillen.
Maar waarom kwam je alleen en brak
niet heel de hel los? Verdroeg jij het minst
de pijn, moedig leider? Je zou hier niet
alleen staan als je de reden van je vlucht
aan je verlaten leger had meegedeeld."

Daarop antwoordde de Boze even streng:
"Niet dat ik minder verdraag, of terugdeins voor pijn,
grievende engel! die best weet hoe ik
je felste kracht weerstond tot het geschut
van de donder je ter hulp snelde
omdat je speer mij helemaal niet bevreesde.
Je lukrake woorden bewijzen alleen
je onervarenheid in wat je als leider
moet doen: een plichtsbewuste hoofdman weet
na harde beproevingen en verloren strijd
dat hij zijn leger niet uit moet sturen op 
gevaarlijke paden die hij niet zelf verkende;
Daarom vloog ik alleen over de afgrond
om deze nieuwe wereld te verkennen
waarvan de faam weerklinkt tot in de hel,
op zoek naar betere woonst op aarde of in
de lucht, waar mijn strijdmacht kan herstellen.
Al zien we eerst of jij en je elegante
legioenen mijn verovering durven betwisten;
't Viel jullie zeker lichter om de Heer
met hymnen op zijn hemeltroon te dienen,
op veilige afstand te kruipen en niet te vechten."

De aartsengel gaf meteen repliek:
"Je zegt iets en herroept het dan meteen;
Je vlucht voor pijn en gaat dan spioneren;
Dit toont geen leider maar een leugenaar,
Satan, wat dan over je trouw gezegd?
O, naam, heilige naam van trouw bezoedeld!
Trouw aan wie? Aan je rebelse bende?
Je duivels leger: het lijf dat past bij 't hoofd!
Bewoog deze discipline, gezworen
trouw en gehoorzaamheid je tot
het verbreken van je eed aan d' Oppermacht?
Jij, sluwe hypocriet, die zich voordoet
als patroon der vrijheid! Niemand kroop
en vleide meer dan jij in slaafse aanbidding
van de grote monarch! Dit met de hoop
Hem te onteigenen en zelf te heersen.
Maar hoor nu goed naar mijn advies: Ga heen!
Vlucht naar waar je vandaan vluchtte! Want ben je
na een uur nog binnen de heilige grenzen,
dan sleep ik je in ketens naar je put;
daar vastgeklonken, zal je voortaan de grendels
van de hellepoort niet meer bespotten."

Zo dreigde hij, maar Satan sloeg geen acht
op dreiging, en antwoordde nog meer vertoornd:

"Praat pas over ketens wanneer ik je
gevangene ben, trotse cherub! Maar
eer dat gebeurt, wees bereid 't zwaarder
gewicht te voelen van mijn winnaarsarm,
ook al berijdt de hemelkoning uw wieken
en jullie bende, aan 't juk gewend, zijn zegekar
trekt langs sterren-geplaveide hemelbanen."

Terwijl hij sprak, werd 't schitterend engeleskadron
vuurrood; In een falanx gevormd als scherpe
maanhorens begonnen zij hem te omsingelen
met gevelde lansen, zo dicht geschaard
als Ceres' veld, rijp voor de oogst,
zijn baardige aren buigt naar waar de wind
ze zwaait; de zorgelijke ploeger vrezend
dat op de dorsvloer zijn hopeloze schoven
meer kaf zullen zijn. Aan d' andere zijde
stond Satan waaks zijn kracht verzamelend,
wijd als Atlas of Teneriffe, onwrikbaar:[34]
Zijn gestalte reikte tot de wolken,
op zijn hoofd zat de gevederde schrikhelm,
in zijn vuist blonk schild en speer als één;
Vreselijke strijd werd zo voorspeld, die Eden
en misschien het hele sterrengewelf
en alle elementen had vernietigd,
tot gruis vergaan, ware het niet dat God
snel ingreep om dit onheil te voorkomen.
Vanuit de hemel liet hij Zijn gouden schalen[35]
dalen, nog steeds te zien tussen Maagd
en Schorpioen, waarin al het geschapene 
eerst door Hem gewogen wordt, de ronde
aarde met de gewogen lucht in evenwicht.
Ook nu weegt Hij gebeurtenissen, veldslagen
en koninkrijken met twee gewichten: de uitkomst
van Satans aftocht of van zijn strijd: de laatste
vloog te licht bevonden snel omhoog;
Toen hij dit zag, sprak Gabriël tot de vijand.

"Satan, ik ken je kracht en jij de mijne;
zij is niet van onszelf, maar ons gegeven: 
Hoe dwaas is het dan niet dat wij met wapens
pralen die God van kracht voorziet (schoon Hij
de mijne verdubbelde om jou in modder te drukken);
Kijk voor bewijs omhoog en lees je lot
uit je hemelteken: Je werd gewogen
en te licht, te zwak bevonden." Satan
zag zijn schaal omhoog gevoerd, en vluchtte
morrend met de schaduw van de nacht.

PARADISE LOST

John Milton (1674)

BOOK IV


O, for that warning voice, which he, who saw
The Apocalypse, heard cry in Heaven aloud,
Then when the Dragon, put to second rout,
Came furious down to be revenged on men,
Woe to the inhabitants on earth! that now,
While time was, our first parents had been warned
The coming of their secret foe, and 'scaped,
Haply so 'scaped his mortal snare: For now
Satan, now first inflamed with rage, came down,
10 The tempter ere the accuser of mankind,
To wreak on innocent frail Man his loss
Of that first battle, and his flight to Hell:
Yet, not rejoicing in his speed, though bold
Far off and fearless, nor with cause to boast,
Begins his dire attempt; which nigh the birth
Now rolling boils in his tumultuous breast,
And like a devilish engine back recoils
Upon himself; horrour and doubt distract
His troubled thoughts, and from the bottom stir
20 The Hell within him; for within him Hell
He brings, and round about him, nor from Hell
One step, no more than from himself, can fly
By change of place: Now conscience wakes despair,
That slumbered; wakes the bitter memory
Of what he was, what is, and what must be
Worse; of worse deeds worse sufferings must ensue.
Sometimes towards Eden, which now in his view
Lay pleasant, his grieved look he fixes sad;
Sometimes towards Heaven, and the full-blazing sun,
30 Which now sat high in his meridian tower:
Then, much revolving, thus in sighs began.

"O thou, that, with surpassing glory crowned,
Lookest from thy sole dominion like the God
Of this new world; at whose sight all the stars
Hide their diminished heads; to thee I call,
But with no friendly voice, and add thy name,
Of Sun! to tell thee how I hate thy beams,
That bring to my remembrance from what state
I fell, how glorious once above thy sphere;
40 Till pride and worse ambition threw me down
Warring in Heaven against Heaven's matchless King:
Ah, wherefore! he deserved no such return
From me, whom he created what I was
In that bright eminence, and with his good
Upbraided none; nor was his service hard.
What could be less than to afford him praise,
The easiest recompence, and pay him thanks,
How due! yet all his good proved ill in me,
And wrought but malice; lifted up so high
50 I sdeined subjection, and thought one step higher
Would set me highest, and in a moment quit
The debt immense of endless gratitude,
So burdensome still paying, still to owe,
Forgetful what from him I still received,
And understood not that a grateful mind
By owing owes not, but still pays, at once
Indebted and discharged; what burden then
O, had his powerful destiny ordained
Me some inferiour Angel, I had stood
60 Then happy; no unbounded hope had raised
Ambition! Yet why not some other Power
As great might have aspired, and me, though mean,
Drawn to his part; but other Powers as great
Fell not, but stand unshaken, from within
Or from without, to all temptations armed.
Hadst thou the same free will and power to stand?
Thou hadst: whom hast thou then or what to accuse,
But Heaven's free love dealt equally to all?
Be then his love accursed, since love or hate,
70 To me alike, it deals eternal woe.
Nay, cursed be thou; since against his thy will
Chose freely what it now so justly rues.
Me miserable! which way shall I fly
Infinite wrath, and infinite despair?
Which way I fly is Hell; myself am Hell;
And, in the lowest deep, a lower deep
Still threatening to devour me opens wide,
To which the Hell I suffer seems a Heaven.
O, then, at last relent: Is there no place
80 Left for repentance, none for pardon left?
None left but by submission; and that word
Disdain forbids me, and my dread of shame
Among the Spirits beneath, whom I seduced
With other promises and other vaunts
Than to submit, boasting I could subdue
The Omnipotent. Ay me! they little know
How dearly I abide that boast so vain,
Under what torments inwardly I groan,
While they adore me on the throne of Hell.
90 With diadem and scepter high advanced,
The lower still I fall, only supreme
In misery: Such joy ambition finds.
But say I could repent, and could obtain,
By act of grace, my former state; how soon
Would highth recall high thoughts, how soon unsay
What feigned submission swore? Ease would recant
Vows made in pain, as violent and void.
For never can true reconcilement grow,
Where wounds of deadly hate have pierced so deep:
100 Which would but lead me to a worse relapse
And heavier fall: so should I purchase dear
Short intermission bought with double smart.
This knows my Punisher; therefore as far
From granting he, as I from begging, peace;
All hope excluded thus, behold, in stead
Mankind created, and for him this world.
So farewell, hope; and with hope farewell, fear;
Farewell, remorse! all good to me is lost;
Evil, be thou my good; by thee at least
110 Divided empire with Heaven's King I hold,
By thee, and more than half perhaps will reign;
As Man ere long, and this new world, shall know."

Thus while he spake, each passion dimmed his face
Thrice changed with pale, ire, envy, and despair;
Which marred his borrowed visage, and betrayed
Him counterfeit, if any eye beheld.
For heavenly minds from such distempers foul
Are ever clear. Whereof he soon aware,
Each perturbation smoothed with outward calm,
120 Artificer of fraud; and was the first
That practised falsehood under saintly show,
Deep malice to conceal, couched with revenge:
Yet not enough had practised to deceive
Uriel once warned; whose eye pursued him down
The way he went, and on the Assyrian mount
Saw him disfigured, more than could befall
Spirit of happy sort; his gestures fierce
He marked and mad demeanour, then alone,
As he supposed, all unobserved, unseen.

130 So on he fares, and to the border comes
Of Eden, where delicious Paradise,
Now nearer, crowns with her enclosure green,
As with a rural mound, the champaign head
Of a steep wilderness, whose hairy sides
Access denied; and overhead upgrew
Insuperable height of loftiest shade,
Cedar, and pine, and fir, and branching palm,
A sylvan scene, and, as the ranks ascend,
Shade above shade, a woody theatre
140 Of stateliest view. Yet higher than their tops
The verdurous wall of Paradise upsprung;
Which to our general sire gave prospect large
Into his nether empire neighbouring round.
And higher than that wall a circling row
Of goodliest trees, loaden with fairest fruit,
Blossoms and fruits at once of golden hue,
Appeared, with gay enamelled colours mixed:
On which the sun more glad impressed his beams
Than in fair evening cloud, or humid bow,
150 When God hath showered the earth; so lovely seemed
That landskip: And of pure now purer air
Meets his approach, and to the heart inspires
Vernal delight and joy, able to drive
All sadness but despair: Now gentle gales,
Fanning their odoriferous wings, dispense
Native perfumes, and whisper whence they stole
Those balmy spoils. As when to them who fail
Beyond the Cape of Hope, and now are past
Mozambick, off at sea north-east winds blow
160 Sabean odours from the spicy shore
Of Araby the blest; with such delay
Well pleased they slack their course, and many a league
Cheered with the grateful smell old Ocean smiles:
So entertained those odorous sweets the Fiend,
Who came their bane; though with them better pleased
Than Asmodeus with the fishy fume
That drove him, though enamoured, from the spouse
Of Tobit's son, and with a vengeance sent
From Media post to Egypt, there fast bound.

170 Now to the ascent of that steep savage hill
Satan had journeyed on, pensive and slow;
But further way found none, so thick entwined,
As one continued brake, the undergrowth
Of shrubs and tangling bushes had perplexed
All path of man or beast that passed that way.
One gate there only was, and that looked east
On the other side: which when the arch-felon saw,
Due entrance he disdained; and, in contempt,
At one flight bound high over-leaped all bound
180 Of hill or highest wall, and sheer within
Lights on his feet. As when a prowling wolf,
Whom hunger drives to seek new haunt for prey,
Watching where shepherds pen their flocks at eve
In hurdled cotes amid the field secure,
Leaps o'er the fence with ease into the fold:
Or as a thief, bent to unhoard the cash
Of some rich burgher, whose substantial doors,
Cross-barred and bolted fast, fear no assault,
In at the window climbs, or o'er the tiles:
190 So clomb this first grand thief into God's fold;
So since into his church lewd hirelings climb.
Thence up he flew, and on the tree of life,
The middle tree and highest there that grew,
Sat like a cormorant; yet not true life
Thereby regained, but sat devising death
To them who lived; nor on the virtue thought
Of that life-giving plant, but only used
For prospect, what well used had been the pledge
Of immortality. So little knows
200 Any, but God alone, to value right
The good before him, but perverts best things
To worst abuse, or to their meanest use.

Beneath him with new wonder now he views,
To all delight of human sense exposed,
In narrow room, Nature's whole wealth, yea more,
A Heaven on Earth: For blissful Paradise
Of God the garden was, by him in the east
Of Eden planted; Eden stretched her line
From Auran eastward to the royal towers
210 Of great Seleucia, built by Grecian kings,
Of where the sons of Eden long before
Dwelt in Telassar: In this pleasant soil
His far more pleasant garden God ordained;
Out of the fertile ground he caused to grow
All trees of noblest kind for sight, smell, taste;
And all amid them stood the tree of life,
High eminent, blooming ambrosial fruit
Of vegetable gold; and next to life,
Our death, the tree of knowledge, grew fast by,
220 Knowledge of good bought dear by knowing ill.
Southward through Eden went a river large,
Nor changed his course, but through the shaggy hill
Passed underneath ingulfed; for God had thrown
That mountain as his garden-mould high raised
Upon the rapid current, which, through veins
Of porous earth with kindly thirst up-drawn,
Rose a fresh fountain, and with many a rill
Watered the garden; thence united fell
Down the steep glade, and met the nether flood,
230 Which from his darksome passage now appears,
And now, divided into four main streams,
Runs diverse, wandering many a famous realm
And country, whereof here needs no account;
But rather to tell how, if Art could tell,
How from that sapphire fount the crisped brooks,
Rolling on orient pearl and sands of gold,
With mazy errour under pendant shades
Ran nectar, visiting each plant, and fed
Flowers worthy of Paradise, which not nice Art
240 In beds and curious knots, but Nature boon
Poured forth profuse on hill, and dale, and plain,
Both where the morning sun first warmly smote
The open field, and where the unpierced shade
Imbrowned the noontide bowers: Thus was this place
A happy rural seat of various view;
Groves whose rich trees wept odorous gums and balm,
Others whose fruit, burnished with golden rind,
Hung amiable, Hesperian fables true,
If true, here only, and of delicious taste:
250 Betwixt them lawns, or level downs, and flocks
Grazing the tender herb, were interposed,
Or palmy hillock; or the flowery lap
Of some irriguous valley spread her store,
Flowers of all hue, and without thorn the rose:
Another side, umbrageous grots and caves
Of cool recess, o'er which the mantling vine
Lays forth her purple grape, and gently creeps
Luxuriant; mean while murmuring waters fall
Down the slope hills, dispersed, or in a lake,
260 That to the fringed bank with myrtle crowned
Her crystal mirrour holds, unite their streams.
The birds their quire apply; airs, vernal airs,
Breathing the smell of field and grove, attune
The trembling leaves, while universal Pan,
Knit with the Graces and the Hours in dance,
Led on the eternal Spring. Not that fair field
Of Enna, where Proserpine gathering flowers,
Herself a fairer flower by gloomy Dis
Was gathered, which cost Ceres all that pain
270 To seek her through the world; nor that sweet grove
Of Daphne by Orontes, and the inspired
Castalian spring, might with this Paradise
Of Eden strive; nor that Nyseian isle
Girt with the river Triton, where old Cham,
Whom Gentiles Ammon call and Libyan Jove,
Hid Amalthea, and her florid son
Young Bacchus, from his stepdame Rhea's eye;
Nor where Abassin kings their issue guard,
Mount Amara, though this by some supposed
280 True Paradise under the Ethiop line
By Nilus' head, enclosed with shining rock,
A whole day's journey high, but wide remote
From this Assyrian garden, where the Fiend
Saw, undelighted, all delight, all kind
Of living creatures, new to sight, and strange:

Two of far nobler shape, erect and tall,
Godlike erect, with native honour clad
In naked majesty seemed lords of all:
And worthy seemed; for in their looks divine
290 The image of their glorious Maker shone,
Truth, wisdom, sanctitude severe and pure,
(Severe, but in true filial freedom placed,)
Whence true authority in men; though both
Not equal, as their sex not equal seemed;
For contemplation he and valour formed;
For softness she and sweet attractive grace;
He for God only, she for God in him:
His fair large front and eye sublime declared
Absolute rule; and hyacinthine locks
300 Round from his parted forelock manly hung
Clustering, but not beneath his shoulders broad:
She, as a veil, down to the slender waist
Her unadorned golden tresses wore
Dishevelled, but in wanton ringlets waved
As the vine curls her tendrils, which implied
Subjection, but required with gentle sway,
And by her yielded, by him best received,
Yielded with coy submission, modest pride,
And sweet, reluctant, amorous delay.
310 Nor those mysterious parts were then concealed;
Then was not guilty shame, dishonest shame
Of nature's works, honour dishonourable,
Sin-bred, how have ye troubled all mankind
With shows instead, mere shows of seeming pure,
And banished from man's life his happiest life,
Simplicity and spotless innocence!
So passed they naked on, nor shunned the sight
Of God or Angel; for they thought no ill:
So hand in hand they passed, the loveliest pair,
320 That ever since in love's embraces met;
Adam the goodliest man of men since born
His sons, the fairest of her daughters Eve.
Under a tuft of shade that on a green
Stood whispering soft, by a fresh fountain side
They sat them down; and, after no more toil
Of their sweet gardening labour than sufficed
To recommend cool Zephyr, and made ease
More easy, wholesome thirst and appetite
More grateful, to their supper-fruits they fell,
330 Nectarine fruits which the compliant boughs
Yielded them, side-long as they sat recline
On the soft downy bank damasked with flowers:
The savoury pulp they chew, and in the rind,
Still as they thirsted, scoop the brimming stream;
Nor gentle purpose, nor endearing smiles
Wanted, nor youthful dalliance, as beseems
Fair couple, linked in happy nuptial league,
Alone as they. About them frisking played
All beasts of the earth, since wild, and of all chase
340 In wood or wilderness, forest or den;
Sporting the lion ramped, and in his paw
Dandled the kid; bears, tigers, ounces, pards,
Gambolled before them; the unwieldy elephant,
To make them mirth, used all his might, and wreathed
His lithe proboscis; close the serpent sly,
Insinuating, wove with Gordian twine
His braided train, and of his fatal guile
Gave proof unheeded; others on the grass
Couched, and now filled with pasture gazing sat,
350 Or bedward ruminating; for the sun,
Declined, was hasting now with prone career
To the ocean isles, and in the ascending scale
Of Heaven the stars that usher evening rose:
When Satan still in gaze, as first he stood,
Scarce thus at length failed speech recovered sad.

"O Hell! what do mine eyes with grief behold!
Into our room of bliss thus high advanced
Creatures of other mould, earth-born perhaps,
Not Spirits, yet to heavenly Spirits bright
360 Little inferiour; whom my thoughts pursue
With wonder, and could love, so lively shines
In them divine resemblance, and such grace
The hand that formed them on their shape hath poured.
Ah! gentle pair, ye little think how nigh
Your change approaches, when all these delights
Will vanish, and deliver ye to woe;
More woe, the more your taste is now of joy;
Happy, but for so happy ill secured
Long to continue, and this high seat your Heaven
370 Ill fenced for Heaven to keep out such a foe
As now is entered; yet no purposed foe
To you, whom I could pity thus forlorn,
Though I unpitied: League with you I seek,
And mutual amity, so strait, so close,
That I with you must dwell, or you with me
Henceforth; my dwelling haply may not please,
Like this fair Paradise, your sense; yet such
Accept your Maker's work; he gave it me,
Which I as freely give: Hell shall unfold,
380 To entertain you two, her widest gates,
And send forth all her kings; there will be room,
Not like these narrow limits, to receive
Your numerous offspring; if no better place,
Thank him who puts me loth to this revenge
On you who wrong me not for him who wronged.
And should I at your harmless innocence
Melt, as I do, yet publick reason just,
Honour and empire with revenge enlarged,
By conquering this new world, compels me now
390To do what else, though damned, I should abhor."

So spake the Fiend, and with necessity,
The tyrant's plea, excused his devilish deeds.
Then from his lofty stand on that high tree
Down he alights among the sportful herd
Of those four-footed kinds, himself now one,
Now other, as their shape served best his end
Nearer to view his prey, and, unespied,
To mark what of their state he more might learn,
By word or action marked. About them round
400 A lion now he stalks with fiery glare;
Then as a tiger, who by chance hath spied
In some purlieu two gentle fawns at play,
Straight couches close, then, rising, changes oft
His couchant watch, as one who chose his ground,
Whence rushing, he might surest seize them both,
Griped in each paw: when, Adam first of men
To first of women Eve thus moving speech,
Turned him, all ear to hear new utterance flow.

"Sole partner, and sole part, of all these joys,
410 Dearer thyself than all; needs must the Power
That made us, and for us this ample world,
Be infinitely good, and of his good
As liberal and free as infinite;
That raised us from the dust, and placed us here
In all this happiness, who at his hand
Have nothing merited, nor can perform
Aught whereof he hath need; he who requires
From us no other service than to keep
This one, this easy charge, of all the trees
420 In Paradise that bear delicious fruit
So various, not to taste that only tree
Of knowledge, planted by the tree of life;
So near grows death to life, whate'er death is,
Some dreadful thing no doubt; for well thou knowest
God hath pronounced it death to taste that tree,
The only sign of our obedience left,
Among so many signs of power and rule
Conferred upon us, and dominion given
Over all other creatures that possess
430 Earth, air, and sea. Then let us not think hard
One easy prohibition, who enjoy
Free leave so large to all things else, and choice
Unlimited of manifold delights:
But let us ever praise him, and extol
His bounty, following our delightful task,
To prune these growing plants, and tend these flowers,
Which were it toilsome, yet with thee were sweet."

To whom thus Eve replied. O thou for whom
And from whom I was formed, flesh of thy flesh,
440 And without whom am to no end, my guide
And head! what thou hast said is just and right.
For we to him indeed all praises owe,
And daily thanks; I chiefly, who enjoy
So far the happier lot, enjoying thee
Pre-eminent by so much odds, while thou
Like consort to thyself canst no where find.
That day I oft remember, when from sleep
I first awaked, and found myself reposed
Under a shade on flowers, much wondering where
450 And what I was, whence thither brought, and how.
Not distant far from thence a murmuring sound
Of waters issued from a cave, and spread
Into a liquid plain, then stood unmoved
Pure as the expanse of Heaven; I thither went
With unexperienced thought, and laid me down
On the green bank, to look into the clear
Smooth lake, that to me seemed another sky.
As I bent down to look, just opposite
A shape within the watery gleam appeared,
460 Bending to look on me: I started back,
It started back; but pleased I soon returned,
Pleased it returned as soon with answering looks
Of sympathy and love: There I had fixed
Mine eyes till now, and pined with vain desire,
Had not a voice thus warned me; 'What thou seest,
'What there thou seest, fair Creature, is thyself;
'With thee it came and goes: but follow me,
'And I will bring thee where no shadow stays
'Thy coming, and thy soft embraces, he
470 'Whose image thou art; him thou shalt enjoy
'Inseparably thine, to him shalt bear
'Multitudes like thyself, and thence be called
'Mother of human race.' What could I do,
But follow straight, invisibly thus led?
Till I espied thee, fair indeed and tall,
Under a platane; yet methought less fair,
Less winning soft, less amiably mild,
Than that smooth watery image: Back I turned;
Thou following cryedst aloud, 'Return, fair Eve;
480 'Whom flyest thou? whom thou flyest, of him thou art,
'His flesh, his bone; to give thee being I lent
'Out of my side to thee, nearest my heart,
'Substantial life, to have thee by my side
'Henceforth an individual solace dear;
'Part of my soul I seek thee, and thee claim
'My other half:' With that thy gentle hand
Seised mine: I yielded; and from that time see
How beauty is excelled by manly grace,
And wisdom, which alone is truly fair.

490 So spake our general mother, and with eyes
Of conjugal attraction unreproved,
And meek surrender, half-embracing leaned
On our first father; half her swelling breast
Naked met his, under the flowing gold
Of her loose tresses hid: he in delight
Both of her beauty, and submissive charms,
Smiled with superiour love, as Jupiter
On Juno smiles, when he impregns the clouds
That shed Mayflowers; and pressed her matron lip
500 With kisses pure: Aside the Devil turned
For envy; yet with jealous leer malign
Eyed them askance, and to himself thus plained.

"Sight hateful, sight tormenting! thus these two,
Imparadised in one another's arms,
The happier Eden, shall enjoy their fill
Of bliss on bliss; while I to Hell am thrust,
Where neither joy nor love, but fierce desire,
Among our other torments not the least,
Still unfulfilled with pain of longing pines.
510 Yet let me not forget what I have gained
From their own mouths: All is not theirs, it seems;
One fatal tree there stands, of knowledge called,
Forbidden them to taste: Knowledge forbidden
Suspicious, reasonless. Why should their Lord
Envy them that? Can it be sin to know?
Can it be death? And do they only stand
By ignorance? Is that their happy state,
The proof of their obedience and their faith?
O fair foundation laid whereon to build
520 Their ruin! hence I will excite their minds
With more desire to know, and to reject
Envious commands, invented with design
To keep them low, whom knowledge might exalt
Equal with Gods: aspiring to be such,
They taste and die: What likelier can ensue
But first with narrow search I must walk round
This garden, and no corner leave unspied;
A chance but chance may lead where I may meet
Some wandering Spirit of Heaven by fountain side,
530 Or in thick shade retired, from him to draw
What further would be learned. Live while ye may,
Yet happy pair; enjoy, till I return,
Short pleasures, for long woes are to succeed!"

So saying, his proud step he scornful turned,
But with sly circumspection, and began
Through wood, through waste, o'er hill, o'er dale, his roam
Mean while in utmost longitude, where Heaven
With earth and ocean meets, the setting sun
Slowly descended, and with right aspect
540 Against the eastern gate of Paradise
Levelled his evening rays: It was a rock
Of alabaster, piled up to the clouds,
Conspicuous far, winding with one ascent
Accessible from earth, one entrance high;
The rest was craggy cliff, that overhung
Still as it rose, impossible to climb.
Betwixt these rocky pillars Gabriel sat,
Chief of the angelick guards, awaiting night;
About him exercised heroick games
550 The unarmed youth of Heaven, but nigh at hand
Celestial armoury, shields, helms, and spears,
Hung high with diamond flaming, and with gold.
Thither came Uriel, gliding through the even
On a sun-beam, swift as a shooting star
In autumn thwarts the night, when vapours fired
Impress the air, and shows the mariner
From what point of his compass to beware
Impetuous winds: He thus began in haste.

"Gabriel, to thee thy course by lot hath given
560 Charge and strict watch, that to this happy place
No evil thing approach or enter in.
This day at highth of noon came to my sphere
A Spirit, zealous, as he seemed, to know
More of the Almighty's works, and chiefly Man,
God's latest image: I described his way
Bent all on speed, and marked his aery gait;
But in the mount that lies from Eden north,
Where he first lighted, soon discerned his looks
Alien from Heaven, with passions foul obscured:
570 Mine eye pursued him still, but under shade
Lost sight of him: One of the banished crew,
I fear, hath ventured from the deep, to raise
New troubles; him thy care must be to find."

To whom the winged warriour thus returned.
Uriel, no wonder if thy perfect sight,
Amid the sun's bright circle where thou sitst,
See far and wide: In at this gate none pass
The vigilance here placed, but such as come
Well known from Heaven; and since meridian hour
580 No creature thence: If Spirit of other sort,
So minded, have o'er-leaped these earthly bounds
On purpose, hard thou knowest it to exclude
Spiritual substance with corporeal bar.
But if within the circuit of these walks,
In whatsoever shape he lurk, of whom
Thou tellest, by morrow dawning I shall know.

So promised he; and Uriel to his charge
Returned on that bright beam, whose point now raised
Bore him slope downward to the sun now fallen
590 Beneath the Azores; whether the prime orb,
Incredible how swift, had thither rolled
Diurnal, or this less volubil earth,
By shorter flight to the east, had left him there
Arraying with reflected purple and gold
The clouds that on his western throne attend.
Now came still Evening on, and Twilight gray
Had in her sober livery all things clad;
Silence accompanied; for beast and bird,
They to their grassy couch, these to their nests
600 Were slunk, all but the wakeful nightingale;
She all night long her amorous descant sung;
Silence was pleased: Now glowed the firmament
With living sapphires: Hesperus, that led
The starry host, rode brightest, till the moon,
Rising in clouded majesty, at length
Apparent queen unveiled her peerless light,
And o'er the dark her silver mantle threw.

When Adam thus to Eve: Fair Consort, the hour
Of night, and all things now retired to rest,
610 Mind us of like repose; since God hath set
Labour and rest, as day and night, to men
Successive; and the timely dew of sleep,
Now falling with soft slumbrous weight, inclines
Our eye-lids: Other creatures all day long
Rove idle, unemployed, and less need rest;
Man hath his daily work of body or mind
Appointed, which declares his dignity,
And the regard of Heaven on all his ways;
While other animals unactive range,
620 And of their doings God takes no account.
To-morrow, ere fresh morning streak the east
With first approach of light, we must be risen,
And at our pleasant labour, to reform
Yon flowery arbours, yonder alleys green,
Our walk at noon, with branches overgrown,
That mock our scant manuring, and require
More hands than ours to lop their wanton growth:
Those blossoms also, and those dropping gums,
That lie bestrown, unsightly and unsmooth,
630 Ask riddance, if we mean to tread with ease;
Mean while, as Nature wills, night bids us rest.

To whom thus Eve, with perfect beauty adorned
My Author and Disposer, what thou bidst
Unargued I obey: So God ordains;
God is thy law, thou mine: To know no more
Is woman's happiest knowledge, and her praise.
With thee conversing I forget all time;
All seasons, and their change, all please alike.
Sweet is the breath of Morn, her rising sweet,
640 With charm of earliest birds: pleasant the sun,
When first on this delightful land he spreads
His orient beams, on herb, tree, fruit, and flower,
Glistering with dew; fragrant the fertile earth
After soft showers; and sweet the coming on
Of grateful Evening mild; then silent Night,
With this her solemn bird, and this fair moon,
And these the gems of Heaven, her starry train:
But neither breath of Morn, when she ascends
With charm of earliest birds; nor rising sun
650 On this delightful land; nor herb, fruit, flower,
Glistering with dew; nor fragrance after showers;
Nor grateful Evening mild; nor silent Night,
With this her solemn bird, nor walk by moon,
Or glittering star-light, without thee is sweet.
But wherefore all night long shine these? for whom
This glorious sight, when sleep hath shut all eyes?

To whom our general ancestor replied.
Daughter of God and Man, accomplished Eve,
These have their course to finish round the earth,
660 By morrow evening, and from land to land
In order, though to nations yet unborn,
Ministring light prepared, they set and rise;
Lest total Darkness should by night regain
Her old possession, and extinguish life
In Nature and all things; which these soft fires
Not only enlighten, but with kindly heat
Of various influence foment and warm,
Temper or nourish, or in part shed down
Their stellar virtue on all kinds that grow
670 On earth, made hereby apter to receive
Perfection from the sun's more potent ray.
These then, though unbeheld in deep of night,
Shine not in vain; nor think, though men were none,
That Heaven would want spectators, God want praise:
Millions of spiritual creatures walk the earth
Unseen, both when we wake, and when we sleep:
All these with ceaseless praise his works behold
Both day and night: How often from the steep
Of echoing hill or thicket have we heard
680 Celestial voices to the midnight air,
Sole, or responsive each to others note,
Singing their great Creator? oft in bands
While they keep watch, or nightly rounding walk,
With heavenly touch of instrumental sounds
In full harmonick number joined, their songs
Divide the night, and lift our thoughts to Heaven.

Thus talking, hand in hand alone they passed
On to their blissful bower: it was a place
Chosen by the sovran Planter, when he framed
690 All things to Man's delightful use; the roof
Of thickest covert was inwoven shade
Laurel and myrtle, and what higher grew
Of firm and fragrant leaf; on either side
Acanthus, and each odorous bushy shrub,
Fenced up the verdant wall; each beauteous flower,
Iris all hues, roses, and jessamin,
Reared high their flourished heads between, and wrought
Mosaick; underfoot the violet,
Crocus, and hyacinth, with rich inlay
700 Broidered the ground, more coloured than with stone
Of costliest emblem: Other creature here,
Bird, beast, insect, or worm, durst enter none,
Such was their awe of Man. In shadier bower
More sacred and sequestered, though but feigned,
Pan or Sylvanus never slept, nor Nymph
Nor Faunus haunted. Here, in close recess,
With flowers, garlands, and sweet-smelling herbs,
Espoused Eve decked first her nuptial bed;
And heavenly quires the hymenaean sung,
710 What day the genial Angel to our sire
Brought her in naked beauty more adorned,
More lovely, than Pandora, whom the Gods
Endowed with all their gifts, and O! too like
In sad event, when to the unwiser son
Of Japhet brought by Hermes, she ensnared
Mankind with her fair looks, to be avenged
On him who had stole Jove's authentick fire.

Thus, at their shady lodge arrived, both stood,
Both turned, and under open sky adored
720 The God that made both sky, air, earth, and heaven,
Which they beheld, the moon's resplendent globe,
And starry pole: Thou also madest the night,
Maker Omnipotent, and thou the day,
Which we, in our appointed work employed,
Have finished, happy in our mutual help
And mutual love, the crown of all our bliss
Ordained by thee; and this delicious place
For us too large, where thy abundance wants
Partakers, and uncropt falls to the ground.
730 But thou hast promised from us two a race
To fill the earth, who shall with us extol
Thy goodness infinite, both when we wake,
And when we seek, as now, thy gift of sleep.

This said unanimous, and other rites
Observing none, but adoration pure
Which God likes best, into their inmost bower
Handed they went; and, eased the putting off
These troublesome disguises which we wear,
Straight side by side were laid; nor turned, I ween,
740 Adam from his fair spouse, nor Eve the rites
Mysterious of connubial love refused:
Whatever hypocrites austerely talk
Of purity, and place, and innocence,
Defaming as impure what God declares
Pure, and commands to some, leaves free to all.
Our Maker bids encrease; who bids abstain
But our Destroyer, foe to God and Man?
Hail, wedded Love, mysterious law, true source
Of human offspring, sole propriety
750 In Paradise of all things common else!
By thee adulterous Lust was driven from men
Among the bestial herds to range; by thee
Founded in reason, loyal, just, and pure,
Relations dear, and all the charities
Of father, son, and brother, first were known.
Far be it, that I should write thee sin or blame,
Or think thee unbefitting holiest place,
Perpetual fountain of domestick sweets,
Whose bed is undefiled and chaste pronounced,
760 Present, or past, as saints and patriarchs used.
Here Love his golden shafts employs, here lights
His constant lamp, and waves his purple wings,
Reigns here and revels; not in the bought smile
Of harlots, loveless, joyless, unendeared,
Casual fruition; nor in court-amours,
Mixed dance, or wanton mask, or midnight ball,
Or serenate, which the starved lover sings
To his proud fair, best quitted with disdain.
These, lulled by nightingales, embracing slept,
770 And on their naked limbs the flowery roof
Showered roses, which the morn repaired. Sleep on,
Blest pair; and O! yet happiest, if ye seek
No happier state, and know to know no more.

Now had night measured with her shadowy cone
Half way up hill this vast sublunar vault,
And from their ivory port the Cherubim,
Forth issuing at the accustomed hour, stood armed
To their night watches in warlike parade;
When Gabriel to his next in power thus spake.

780 Uzziel, half these draw off, and coast the south
With strictest watch; these other wheel the north;
Our circuit meets full west. As flame they part,
Half wheeling to the shield, half to the spear.
From these, two strong and subtle Spirits he called
That near him stood, and gave them thus in charge.

Ithuriel and Zephon, with winged speed
Search through this garden, leave unsearched no nook;
But chiefly where those two fair creatures lodge,
Now laid perhaps asleep, secure of harm.
790 This evening from the sun's decline arrived,
Who tells of some infernal Spirit seen
Hitherward bent (who could have thought?) escaped
The bars of Hell, on errand bad no doubt:
Such, where ye find, seise fast, and hither bring.

So saying, on he led his radiant files,
Dazzling the moon; these to the bower direct
In search of whom they sought: Him there they found
Squat like a toad, close at the ear of Eve,
Assaying by his devilish art to reach
800 The organs of her fancy, and with them forge
Illusions, as he list, phantasms and dreams;
Or if, inspiring venom, he might taint
The animal spirits, that from pure blood arise
Like gentle breaths from rivers pure, thence raise
At least distempered, discontented thoughts,
Vain hopes, vain aims, inordinate desires,
Blown up with high conceits ingendering pride.
Him thus intent Ithuriel with his spear
Touched lightly; for no falshood can endure
810 Touch of celestial temper, but returns
Of force to its own likeness: Up he starts
Discovered and surprised. As when a spark
Lights on a heap of nitrous powder, laid
Fit for the tun some magazine to store
Against a rumoured war, the smutty grain,
With sudden blaze diffused, inflames the air;
So started up in his own shape the Fiend.
Back stept those two fair Angels, half amazed
So sudden to behold the grisly king;
820 Yet thus, unmoved with fear, accost him soon.

Which of those rebel Spirits adjudged to Hell
Comest thou, escaped thy prison? and, transformed,
Why sat'st thou like an enemy in wait,
Here watching at the head of these that sleep?

Know ye not then said Satan, filled with scorn,
Know ye not me? ye knew me once no mate
For you, there sitting where ye durst not soar:
Not to know me argues yourselves unknown,
The lowest of your throng; or, if ye know,
830 Why ask ye, and superfluous begin
Your message, like to end as much in vain?

To whom thus Zephon, answering scorn with scorn.
Think not, revolted Spirit, thy shape the same,
Or undiminished brightness to be known,
As when thou stoodest in Heaven upright and pure;
That glory then, when thou no more wast good,
Departed from thee; and thou resemblest now
Thy sin and place of doom obscure and foul.
But come, for thou, be sure, shalt give account
840To him who sent us, whose charge is to keep
This place inviolable, and these from harm.

So spake the Cherub; and his grave rebuke,
Severe in youthful beauty, added grace
Invincible: Abashed the Devil stood,
And felt how awful goodness is, and saw
Virtue in her shape how lovely; saw, and pined
His loss; but chiefly to find here observed
His lustre visibly impaired; yet seemed
Undaunted. If I must contend, said he,
850 Best with the best, the sender, not the sent,
Or all at once; more glory will be won,
Or less be lost. Thy fear, said Zephon bold,
Will save us trial what the least can do
Single against thee wicked, and thence weak.

The Fiend replied not, overcome with rage;
But, like a proud steed reined, went haughty on,
Champing his iron curb: To strive or fly
He held it vain; awe from above had quelled
His heart, not else dismayed. Now drew they nigh
860 The western point, where those half-rounding guards
Just met, and closing stood in squadron joined,
A waiting next command. To whom their Chief,
Gabriel, from the front thus called aloud.

"O friends! I hear the tread of nimble feet
Hasting this way, and now by glimpse discern
Ithuriel and Zephon through the shade;
And with them comes a third of regal port,
But faded splendour wan; who by his gait
And fierce demeanour seems the Prince of Hell,
870 Not likely to part hence without contest;
Stand firm, for in his look defiance lours."

He scarce had ended, when those two approached,
And brief related whom they brought, where found,
How busied, in what form and posture couched.

To whom with stern regard thus Gabriel spake.
Why hast thou, Satan, broke the bounds prescribed
To thy transgressions, and disturbed the charge
Of others, who approve not to transgress
By thy example, but have power and right
880 To question thy bold entrance on this place;
Employed, it seems, to violate sleep, and those
Whose dwelling God hath planted here in bliss!

To whom thus Satan with contemptuous brow.
Gabriel? thou hadst in Heaven the esteem of wise,
And such I held thee; but this question asked
Puts me in doubt. Lives there who loves his pain!
Who would not, finding way, break loose from Hell,
Though thither doomed! Thou wouldst thyself, no doubt
And boldly venture to whatever place
890 Farthest from pain, where thou mightst hope to change
Torment with ease, and soonest recompense
Dole with delight, which in this place I sought;
To thee no reason, who knowest only good,
But evil hast not tried: and wilt object
His will who bounds us! Let him surer bar
His iron gates, if he intends our stay
In that dark durance: Thus much what was asked.
The rest is true, they found me where they say;
But that implies not violence or harm.

900 Thus he in scorn. The warlike Angel moved,
Disdainfully half smiling, thus replied.
O loss of one in Heaven to judge of wise
Since Satan fell, whom folly overthrew,
And now returns him from his prison 'scaped,
Gravely in doubt whether to hold them wise
Or not, who ask what boldness brought him hither
Unlicensed from his bounds in Hell prescribed;
So wise he judges it to fly from pain
However, and to 'scape his punishment!
910 So judge thou still, presumptuous! till the wrath,
Which thou incurrest by flying, meet thy flight
Sevenfold, and scourge that wisdom back to Hell,
Which taught thee yet no better, that no pain
Can equal anger infinite provoked.
But wherefore thou alone? wherefore with thee
Came not all hell broke loose? or thou than they
Less hardy to endure? Courageous Chief!
The first in flight from pain! hadst thou alleged
To thy deserted host this cause of flight,
920 Thou surely hadst not come sole fugitive.

To which the Fiend thus answered, frowning stern.
Not that I less endure, or shrink from pain,
Insulting Angel! well thou knowest I stood
Thy fiercest, when in battle to thy aid
The blasting vollied thunder made all speed,
And seconded thy else not dreaded spear.
But still thy words at random, as before,
Argue thy inexperience what behoves
From hard assays and ill successes past
930 A faithful leader, not to hazard all
Through ways of danger by himself untried:
I, therefore, I alone first undertook
To wing the desolate abyss, and spy
This new created world, whereof in Hell
Fame is not silent, here in hope to find
Better abode, and my afflicted Powers
To settle here on earth, or in mid air;
Though for possession put to try once more
What thou and thy gay legions dare against;
940 Whose easier business were to serve their Lord
High up in Heaven, with songs to hymn his throne,
And practised distances to cringe, not fight,

To whom the warriour Angel soon replied.
To say and straight unsay, pretending first
Wise to fly pain, professing next the spy,
Argues no leader but a liear traced,
Satan, and couldst thou faithful add? O name,
O sacred name of faithfulness profaned!
Faithful to whom? to thy rebellious crew?
950 Army of Fiends, fit body to fit head.
Was this your discipline and faith engaged,
Your military obedience, to dissolve
Allegiance to the acknowledged Power supreme?
And thou, sly hypocrite, who now wouldst seem
Patron of liberty, who more than thou
Once fawned, and cringed, and servily adored
Heaven's awful Monarch? wherefore, but in hope
To dispossess him, and thyself to reign?
But mark what I arreed thee now, Avant;
960 Fly neither whence thou fledst! If from this hour
Within these hallowed limits thou appear,
Back to the infernal pit I drag thee chained,
And seal thee so, as henceforth not to scorn
The facile gates of Hell too slightly barred.

So threatened he; but Satan to no threats
Gave heed, but waxing more in rage replied.

"Then when I am thy captive talk of chains,
Proud limitary Cherub! but ere then
Far heavier load thyself expect to feel
970 From my prevailing arm, though Heaven's King
Ride on thy wings, and thou with thy compeers,
Us'd to the yoke, drawest his triumphant wheels
In progress through the road of Heaven star-paved."

While thus he spake, the angelick squadron bright
Turned fiery red, sharpening in mooned horns
Their phalanx, and began to hem him round
With ported spears, as thick as when a field
Of Ceres ripe for harvest waving bends
Her bearded grove of ears, which way the wind
980 Sways them; the careful plowman doubting stands,
Left on the threshing floor his hopeless sheaves
Prove chaff. On the other side, Satan, alarmed,
Collecting all his might, dilated stood,
Like Teneriff or Atlas, unremoved:
His stature reached the sky, and on his crest
Sat Horrour plumed; nor wanted in his grasp
What seemed both spear and shield: Now dreadful deeds
Might have ensued, nor only Paradise
In this commotion, but the starry cope
990 Of Heaven perhaps, or all the elements
At least had gone to wrack, disturbed and torn
With violence of this conflict, had not soon
The Eternal, to prevent such horrid fray,
Hung forth in Heaven his golden scales, yet seen
Betwixt Astrea and the Scorpion sign,
Wherein all things created first he weighed,
The pendulous round earth with balanced air
In counterpoise, now ponders all events,
Battles and realms: In these he put two weights,
1000 The sequel each of parting and of fight:
The latter quick up flew, and kicked the beam,
Which Gabriel spying, thus bespake the Fiend.

"Satan, I know thy strength, and thou knowest mine;
Neither our own, but given: What folly then
To boast what arms can do? since thine no more
Than Heaven permits, nor mine, though doubled now
To trample thee as mire: For proof look up,
And read thy lot in yon celestial sign;
Where thou art weighed, and shown how light, how weak,
1010 If thou resist." The Fiend looked up, and knew
His mounted scale aloft: Nor more; but fled
Murmuring, and with him fled the shades of night.


>>> Ga verder met BOOK V

Noten[bewerken]

Bron voor de explicatieve noten: The John Milton Reading Room: Paradise Lost (onder Creative Commons licentie)

  1. vermanende/waarschuwende stem. Milton verwijst naar Johannes' gelijkenis van de nederlaag van Satan in Openbaring 12: 3-12.
  2. eindtijd of apocalyps. het einde van de wereld en de dag des oordeels zijn de thema's van het boek Openbaring.
  3. De hel in hem: deze regels weerspiegelen de beroemde toespraken van Mephistopheles in Marlowes Doctor Faustus (B-Text) 1.3.76: "Why this is hell: nor am I out of it;".
  4. Niphates: Assyrische berg.
  5. Sheba: verwijst naar het Bijbelse Sheba, het hedendaagse Jemen.
  6. Asmodeus: Milton roept het verhaal van Tobit op uit het apocriefe boek Tobit. Tobit, die door Perzië reisde, trouwde met Sara wier zeven voormalige echtgenoten op hun huwelijksnacht werden vermoord door haar demonenminnaar, Asmodeus. Raphael adviseerde Tobit om het hart en de lever van een vis te verbranden om de demon te verdrijven (Tobit 8: 3)..
  7. waterraaf: aalscholver
  8. Hauran: een dorp aan wat ooit de oostelijke rand van het oude Israël was.
  9. Seleucië: een stad aan de Middellandse Zee, nu deel van Turkije.
  10. Thelassar is een stad die wordt genoemd in 2 Koningen 19:12 en Jesaja 37:12.
  11. Genesis 2: 10 vermeldt zo'n rivier in Eden, die zich in vier stromen splitst. De fontein is een verzinsel van Milton.
  12. Hesperiden: verwijst naar de verhalen over de tuinen der Hesperiden, een legendarische boomgaard aan de rand van de wereld waar gouden fruit groeide, zoals beschreven in Ovidius' Metamorfosen.
  13. De gratiën en de horen (uren). De gratiën, in de Griekse religie, waren een groep vruchtbaarheidsgodinnen. De horen (Latijn: Horae, "uren") waren in de Griekse en Romeinse mythologie de godinnen van de seizoenen.
  14. Proserpina: Milton verwijst naar de verhalen van Proserpina in Ovidius' Metamorfosen 5 en de homerische 'Hymne aan Demeter'. Proserpina, dochter van Zeus en Ceres, wordt door Dis (Pluto) meegenomen tijdens het verzamelen van bloemen in de Siciliaanse stad Enna. Ceres, de godin van het koren, verhindert de groei van gewassen terwijl ze naar haar dochter zoekt. Ten slotte stemt Dis ermee in om Proserpina voor zes maanden per jaar aan haar moeder terug te geven. Zo groeien de gewassen maar een half jaar.
  15. Daphne: De tuinen van Daphne aan de rivier de Orontes in Syrië stonden bekend om hun prachtige cipressen en laurierbomen, die werden bewaterd door een bron, gewijd aan Apollo en vernoemd naar de Castaliaanse bron op de berg Parnassus.
  16. Nysea: eiland waar Ammon, de zoon van Saturnus en koning van Libië, zijn zoon Bacchus liet opvoeden om hem te beschermen tegen zijn stiefmoeder Rhea. Ammon werd geïdentificeerd met Zeus en Noachs zoon Ham.
  17. Amalthea: Amalthea (of 'tedere godin') baarde Bacchus, een zoon van Zeus (bekend als Amon in Egypte en Libië). Rhea, de vrouw van Zeus, wilde hen uit wraak doden.
  18. Amhara: In Miltons tijd werd Amhara, een heuvel in het hedendaagse Ethiopië, door sommigen beschouwd als het paradijs dat zich op de evenaar bevond.
  19. Hyacinthus: Het gedicht vergelijkt Adam met Hyacinthus, de geliefde jongen van Apollo in het lied van Orpheus uit Ovidius' Metamorfosen 10.163-219.
  20. mysterieuze delen: hun geslachtsdelen. Milton kiest het woord 'mysterieus' om de lezers eraan te herinneren dat 'huwelijkse riten' (regel 743) echt (hoewel allegorisch) gaan over de relaties tussen Christus en zijn kerk (Efeziërs 5:31-32), 'mysterieus bedoeld', zoals de trappen die naar de hemel leiden (3.516).
  21. Zephiros: de westenwind.
  22. Levensboom: Volgens Genesis 2:9 stond de boom des levens dicht bij de verboden boom van kennis van goed en kwaad.
  23. Milton was niet de enige die geloofde dat het enige doel waarvoor de vrouw is geschapen, is om de eenzaamheid van een man te verhelpen.
  24. 'nergens je gelijke': Adam, zo staat in Boek 8, vroeg God specifiek om hem te voorzien van een gelijkwaardige partner, een zoals hijzelf. Toch impliceert Eva hier dat Adam zozeer haar meerdere is dat hij geen gelijke op aarde heeft en dus geen gelijkaardige partner.
  25. 'wat je daar ziet ben je zelf': Dit kan worden gelezen als implicerend dat Eva's zelf (gescheiden van Adam zoals ze zichzelf voor het eerst vindt) niet dieper is dan haar uiterlijk. In Boek 8 verwijst Raphael naar Eva's schoonheid als "een buitenkant" (8.568).
  26. Juno: Jupiters koningin; allegorisc: de lucht.
  27. 'Is kennis zonde?': Satan bereidt zijn verleidingsargumenten al voor. De zonde is natuurlijk geen kennis of zelfs verlangen naar kennis, maar ongehoorzaamheid aan God.
  28. Gabriël: een van de vier aartsengelen van de Hebreeuwse traditie. De anderen waren Michaël, Rafaël en Uriël; elk kreeg een kwart van de wereld toegewezen in elk van de kardinale richtingen. Gabriël dient ook als een hemelse boodschapper.
  29. Hesperus: de avondster.
  30. Milton is van mening dat als het Paradijs echt perfect wil zijn, er werk beschikbaar moet zijn voor Adams kinderen, aangezien werk een van de grootste genoegens van het leven is en een uitgesproken menselijke waardigheid.
  31. Pan en Silvanus: Pan, Silvanus en Faunus zijn allemaal saters, wezens met de vorm van een geit vanaf het middel, uit de Griekse en Romeinse mythologie.
  32. Pandora: volgens de heidense legende de eerste vrouw. Zij werd gemaakt op verzoek van Zeus om zich op Prometheus te wreken, die vuur uit de hemel stal.
  33. Jafet: Noa's zoon, hier geïdentificeerd met de legendarische Titan Iapetus, vader van Prometheus en Epimetheus.
  34. Atlas of Teneriffe - Teneriffe: een berg op de Canarische Eilanden, ooit beschouwd als de hoogste ter wereld. Atlas: een berg in Marokko, waarvan ooit werd gedacht dat hij de hemel steunde.
  35. Gouden schalen: Milton herinnert zich uit de Ilias de gouden schalen waarin Zeus het lot van de Grieken en Trojanen, en van Hector tegen Achilles woog en vergeleek, of de weging van het lot van Aeneas tegen die van Turnus uit de Aeneis. Hij geeft deze conceptie echter kosmische reikwijdte door de schalen te identificeren met het sterrenbeeld Weegschaal dat tussen de Maagd en de Schorpioen in de dierenriem staat.