Het paradijs verloren: Boek VIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Navigatie: Boek I - Boek II - Boek III - Boek IV - Boek V - Boek VI - Boek VII - Boek VIII

Het paradijs verloren: Boek VIII

Auteur John Milton
Genre(s) Poëzie
Brontaal Engels
Datering 1674 (tweede editie)
Vertaling 2023
Vertaler Jules Grandgagnage
Bron Vertaalde gedichten: Paradise Lost Boek VIII]
Auteursrecht CC-BY-SA
Logo Wikipedia
Logo Wikipedia
Meer over Het paradijs verloren: Boek VIII op Wikipedia
Illustratie door William Blake, 1808: Satan wekt de opstandige engelen op

Het paradijs verloren: Boek VIII (1674)

Paradise Lost Book VIII van John Milton
naar het Nederlands vertaald door Jules Grandgagnage (2023)


Tekstverantwoording: voor de Engelse tekst werd gebruikgemaakt van de tekst op de Engelse Wikisource.

Creative Commons License
Creative Commons Attribution icon
Deze vertaling heeft de licentie Creative Commons Naamsvermelding 3.0;. In het kort: het staat u vrij de tekst te gebruiken en te verspreiden, onder voorwaarde dat u de naam vermeldt van de auteur/vertaler ("Jules Grandgagnage").


ONDERWERP ACHTSTE BOEK ('The Argument')

"Adam informeert naar de hemelbewegingen, maar Rafaël antwoordt ontwijkend en spoort hem aan om liever dingen te onderzoeken die het meer waard zijn om te weten. Adam stemt hiermee in, en nog steeds verlangend om Rafaël bij zich te houden, vertelt hij de engel wat hij zich herinnert van zijn eigen schepping, zijn plaatsing in het paradijs, zijn gesprek met God over eenzaamheid en gepast gezelschap, zijn eerste ontmoeting en huwelijk met Eva, en zijn gesprek daarover met de engel, die na herhaalde vermaningen uiteindelijk terugkeert naar de hemel."

HET PARADIJS VERLOREN

Nederlandse vertaling door Jules Grandgagnage (2023)

BOEK VIII

De engel zweeg, maar in Adams oor
klonk zijn stem betoverend door: hij stond
roerloos stil om geen woord te missen;
Dan, als pas ontwaakt, zei hij dankbaar:
"Hoe kan ik U, goddelijk leraar, voldoende
danken of evenredig belonen, U die
zo volkomen mijn dorst naar kennis wist
te laven, en U zo vriendelijk hebt verwaardigd
mij dingen te vertellen die ik anders
nooit had gevonden: dingen die ik nu
verwonderd maar verrukt verneem, waarvoor
ik zoals het hoort de grote Schepper dien
te prijzen; Toch rest mij enige twijfel die U
alleen kan wegnemen. Als ik dit fraaie
maaksel beschouw, deze Wereld van Hemel
en Aarde, en hun grootte bereken, besef ik
dat deze Aarde een korrel, een atoom is
in vergelijking met het firmament
en zijn talrijke sterren, die lijken te wentelen
doorheen ondoorgrondelijke ruimten
(denk maar aan hun afstanden en snelle
dagelijkse terugkeer), alleen om dag en nacht
licht te geven aan de donkere Aarde,
dat puntje, maar die verder nutteloos zijn
in hun wijde omloop! Verbazend, denk ik
dan, hoe Natuur, zo wijs en zuinig,
zo onevenredig kan zijn die met gulle
hand zo veel edeler Lichamen schiep,
oneindig groter, voor, zo lijkt het althans,
dit ene doel, en hen dag en nacht
rusteloos herhaalde draaiing oplegt
terwijl de vaste Aarde (die moeiteloos kringetjes[1]
zou kunnen maken) wordt gediend door lichamen,
edeler dan zijzelf? En als prijs
voor die soepele reis met matige beweging
en onbelichaamde spoed warmte en licht
van hen ontvangt! Spoed, die nauwelijks
uit te drukken is in getallen."

Zo sprak onze eerste Vader en zijn gezicht
verraadde diepe abstracte gedachten die Eva
opmerkte vanwaar ze teruggetrokken zat,
en met statige bescheidenheid opstond,
zo bevallig dat wie haar zag wenste
dat ze bleef, zich naar haar bloemen en vruchten
begevend, benieuwd naar hun groei en bloesem
(haar kweek); Ze sprongen tevoorschijn bij haar komst
en groeiden blijder door haar zachte voeling.
Toch ging ze niet heen, verveeld met zulk verhaal,
of omdat haar oor verheven woorden
niet begreep; 't vermaak bewaarde ze
tot Adam 't haar verhaalde voor haar alleen:
Als verteller verkoos ze haar echtgenoot
boven de engel: Ze ondervroeg hem liever
en wist dat hij uitweidingen aangenaam
zou variëren met lieflijk huwelijksspel:
Van zijn lippen bevielen haar niet slechts
de woorden. Waar vindt men nog zo'n paren, verbonden
in liefde en wederzijds eerbetoon?
Met goddelijke gratie ging zij voort,
niet zonder gezelschap, want haar volgde een stoet
van aanminnige gratiën als bij een vorstin,
en om haar heen flitste uit alle ogen
verlangen om haar steeds te blijven zien.
Op Adams twijfelvraag antwoordde Rafaël
als volgt bereidwillig en openhartig:

"Wie zoekt en vraagt verdient geen blaam, want Hemel
ligt voor je als Gods open boek,waarin je[2]
leest van Zijn wondere werken, en leert over
seizoenen, uren, dagen, maanden, jaren:
Te weten wat beweegt, Hemel of Aarde,
heeft welbeschouwd geen belang; Al 'r andere
verborg de wijze bouwheer voor mens en engel:
Zijn geheimen dienen niet geopenbaard
en onderzocht te worden door hen die ze
zouden moeten bewonderen; Discussie over
't Hemelplan liet Hij toe aan hen
die willen gissen, mogelijk omdat
hun dwaas vernuft zozeer zijn lachlust wekt
wanneer ze straks een hemelmodel bouwen
en sterren berekenen. Hoe ze dat machtig
bouwwerk zullen ontwerpen en weer afbreken
om alles te verklaren, hoe ze 't heelal
zullen omgorden met banen, centrisch of excentrisch,
cyclisch of epicyclisch, sfeer in sfeer![3]
Dit leid ik reeds af uit je redenering,
jij als stamhoofd van je nageslacht,
die onderstelt dat lichtere, grotere lichamen
de minder lichte niet zouden moeten dienen,
noch d' hemel doorkruisen voor de stille Aarde
die als enige de winst ontvangt. Echter,
groot en helder maakt niet vanzelf voortreffelijk:
Hoewel naast de Hemel de Aarde klein
en lichtloos lijkt, herbergt zij mogelijk
hoger goed dan de Zon, wier stralen
zichzelf geen deugd doen en elders werkloos blijven
maar slechts in de vruchtbare schoot der Aarde
hun kracht tonen. Niet aan de Aarde echter
zijn die grote Lichten dienstbaar, maar wel
aan jullie, aardbewoners. Laat de omvang
der hemelen getuigen van de grootsheid
van de Maker, die zo ruim bouwde
met uitgestrekte maten dat de mens
wel moet weten: dit is niet mijn huis;
Zo'n groot gebouw kan ik alleen niet vullen.
Een klein vertrek is 't mijne, en de rest
voor doeleinden bestemd die God beslist.
Schrijf de snelheid dezer sferen, hoewel
ontelbaar, toe aan Zijn Almacht, die
aan materie haast geestelijke snelheid
schonk; Mij vind je toch niet langzaam, ik
die sinds het ochtenduur neerdaalde
uit Gods hemel, en nog voor de middag
hier in Eden aankwam, een afstand nauwelijks
in noembare getallen uit te drukken.
Dit voer ik aan, de hemelbeweging stellend,
om je twijfel daarover weg te nemen;
Niet dat ik 't zo bevestig, al lijkt het zo[4]
voor jou die hier op Aarde zijn woning heeft.
God heeft om Zijn doen voor 't menselijk begrip
te verhullen, de hemel zo ver geplaatst
dat 't aardse zicht niet anders kan dan dwalen
zo het zich aan gissen waagt. Is 't mogelijk:
de Zon in 't wereldcentrum, en alle planeten[5][6]
door haar en eigen kracht aangetrokken[7]
die in banen om haar heen draaien?
Merk hun zwervende koers, nu hoog, dan laag,
verborgen, stilstaand, vooruit of retrograde,
Zo tonen zich die zes: en wat als Aarde,[8]
als zevende planeet, hoe vast ook lijkend,
onmerkbaar drievoudig bewegen zou?
Dan zou je deze bewegingen moeten toeschrijven
aan tegengesteld bewegende kruisende sferen,[9]
of Zon haar werk besparen, alsook het primum
mobile, d' onzichtbare uiterste sfeer
boven de sterren als wiel van Dag en Nacht,[10]
die uw geloof niet hoeft als het waar is
dat de nijvere Aarde, oostelijk reizend,
zelf de dag haalt en afgewend van 't zonlicht
de nacht ontmoet, terwijl haar ander halfrond
bestraald is door de Zon. Wat als dat licht,
weerkaatst door d' ijle lucht voor haar Maan
gelijk een ster zou zijn, haar bij dag
verlichtend als zij voor d' Aarde doet bij nacht?
Wederkerig indien de maan land,
velden en inwoners heeft. Je ziet haar vlekken
als wolken; de wolken geven mogelijk regen
en regen kweekt in weke grond vruchten
om wie daar woont te voeden. Of je ontdekt
nog andere zonnen met hun manen, mannelijk
en vrouwelijk licht uitwisselend, de Wereld[11]
bezielend met twee geslachten, met mogelijk
levende wezens op elk van haar bollen. Immers,
of zo'n uitgebreidheid in de Natuur
zonder levende ziel, verlaten en troosteloos
kan bestaan die slechts schitteren moet
en nauwelijks licht bijdraagt aan elke bol
en zo ver straalt naar dit bewoonbaar deel,
dat licht naar hen weerkaatst, kan worden betwist.[12]
Maar of de dingen nu zo zijn of niet,
of nu de zon in d' hemel heerst of niet
en opkomt over de Aarde, of andersom,
of Zon uit 't Oost zijn vurig pad begint,[13]
of Aarde uit 't Westen stil haar baan volbrengt
met vreedzame tred, slapend gelijkmatig
wentelend om haar zachte as, en jou
kalm meevoert doorheen de vloeiende lucht;
Bekommer je niet om verborgen zaken,
Laat dit aan God over; dien en vrees Hem;
Over andere schepsels, waar ook geplaatst,[14]
beschikt Hij zoals het Hem behaagt;
Geniet van wat Hij geeft, dit Paradijs
en je mooie Eva. Hemel is buiten
je bereik voor kennis: Wees nederig wijs:
Denk aan jezelf en je eigen wezen;
Droom niet van andere werelden, de wezens
die ze bevolken, hun toestand, staat of graad;
Wees dankbaar voor wat jou is onthuld, niet slechts
van de Aarde, maar van de hoogste Hemel."

Waarop Adam, nu vrij van twijfel, antwoordde:
"Zuivere hemelgeest, serene engel,
hoe volkomen bevredigde U mij
en leerde U mij te leven, bevrijd van zorgen,
op aangename wijze de zoetheid van 't leven
niet te bederven met rusteloos gepieker
dat God gebood ver weg te blijven en ons
niet lastig te vallen, tenzij we het zelf opzochten,
gedreven door dwalende en ijdele gedachten.
Doch geest en verbeelding dwalen graag
ongeremd, in dwaasheid zonder end;
Tot ze, gewaarschuwd of uit ervaring rijk,
inzien dat ware wijsheid niet de kennis
van verre, duistere dingen is, maar van wat
zich dagelijks aan ons voordoet in het leven:
Al het andere is rook, leegte
en dwaas gekoesterde ijdelheid. 't Maakt ons
ongeschikt voor wat ons echt aanbelangt,
en doet ons onophoudelijk vruchteloos zoeken.
Laten we dus dalen van deze hoogte,
en spreken van 't lagere, nabijgelegen,
dat nuttig kan zijn om U bij gelegenheid
wat te vragen dat niet onredelijk lijkt
en het U past om mij ter wille te zijn.
Ik hoorde U verhalen wat aan mijn schepping
was voorafgegaan: Luister nu
naar mijn relaas dat U misschien niet kent;
De dag is nog niet voorbij; U merkt
hoe ik mijn best doe om U bij me te houden
met dit verzoek mij aan te horen, een dwaasheid
zo ik 't niet deed uit hoop op enig antwoord.
Want naast U zittend waan ik me in de hemel
en zoeter in mijn oor klinken uw woorden
dan palmboomvruchten die na het werk zowel
dorst als honger stillen tijdens het uur
van 't zoete maal. Hoe heerlijk ook, verzadiging
volgt snel, terwijl Uw zoete Woord,
gedrenkt in Gods gratie, mij niet verzaadt."

Rafaël antwoordde met hemelse goedheid daarop:
"Niet zonder gratie zijn je lippen, Adam,
je tong niet zonder welsprekendheid: Overvloedig
schonk God je deze gaven naar eigen Beeld,
innerlijk en uiterlijk. Sprekend
of zwijgend ben je bevallig in elk woord
of elk gebaar waaruit je adel straalt.
Niet minder dan een broeder-dienaar op Aarde
beschouwt de Hemel jou: Met genoegen
slaan Wij Gods wegen gade met de mens,
want we zien je door God vereerd, die evenveel
Liefde aan jou schonk als aan ons. Vertel dus
verder, want die dag was ik afwezig,
gelast een akelige, duistere reis te maken
naar de verre poorten van de hel.
Met vol legioen, op Zijn bevel, waakten wij
dat er geen enkele spion van gene kant,
geen vijand Hem zou storen in Zijn werk,
opdat Hij niet vertoornd door d' onderbreking
verwoesting met schepping vermengen zou. Niet dat
ze 't zouden wagen zonder Zijn verlof,
maar Hij zond ons op Zijn Hoog Bevel
als Opperkoning uit ter beproeving
van onze gehoorzaamheid. Gesloten en
versperd vonden wij de akelige poorten,
en reeds van ver hoorden wij lawaai
dat niet van dans en zang afkomstig was,
wel kwelling en luid geklaag en razernij.
Blij keerden we voor Sabbatavond terug
naar d' oevers van het Licht, zoals bevolen.
Maar jouw verhaal nu, waar ik even
verlangend naar wacht als jij naar het mijne."

Zo sprak de goddelijke kracht en Adam antwoordde:
"Voor de mens is 't zwaar te zeggen hoe 't Leven
begon; want wie ken zijn eigen begin?
't Verlangen om langer met je te praten brengt me
hiertoe. Als nieuw ontwaakt uit diepste slaap
bevond ik me op een bed van bloeiend kruid,
en voelde hoe de Zon mijn geurig zweet
snel droogde met haar stralen en zich laafde
aan het vocht. Ik richtte mijn blik ten hemel,
en beschouwde een tijd bewonderend het zwerk,
tot ik als in een impuls daarheen reikte
en rechtverend ging staan; 'k Zag rondom mij
heuvel, dal, schaduwrijk bos, vlakten
schitterend in de zon en het hoorde 't geruis
van murmelende beekjes: bij dezen zag ik
wezens leven: bewegen, gaan of vliegen;
Vogels op takken zingend: Alles lachte;
mijn hart baadde in zoete geuren en vreugde.
Ik onderzocht toen elk ledemaat,
en stapte en rende soms met lenige gewrichten
als door levenskracht geleid. Maar wie
ik was, of waar of door welke oorzaak,
wist ik niet; Ik beproefde mijn tong
en sprak meteen en noemde alle dingen
bij naam: Gij, Zon, zei ik, bevallig Licht,
en Gij, verlichte Aarde, fris en blij,
Heuvels en dalen, stromen, bossen, vlakten,
en jullie, levende bewegende schepsels,
zeg me zo je 't weet: hoe kwam ik hier?
Niet door mezelf, dus door een grote Maker,
volmaakt in goedheid en ongemeen vermogen;
Zeg me: hoe kan ik Hem kennen en aanbidden
door Wie ik leven en bewegen kan,
en meer geluk voel dan ik kan bevatten?
Zo roepend, wandelde ik verdwaald rond,
ver vanwaar ik eerst Lucht ademde
en eerst het blije Licht aanschouwde, tot ik,
geen antwoord krijgend, op een beschaduwde oever
vol bloemen voor 't eerst in zachte slaap verzonk,
en vredig mijn sluimerende zinnen beving;
Ik stelde me voor zo terug te keren naar mijn
eerdere gevoelloze staat
en te verzinken in het Niets, toen plots
een droomgestalte opdook in mijn hoofd
wiens verschijning mijn verbeelding ertoe
bewoog te geloven dat ik bestond
en nog leefde. Er kwam er een, me dunkt,
in goddelijke gedaante en sprak: "Sta op,
Adam, Eerste Mens, tot stamvader van velen
voorbestemd! Door jou geroepen zal ik
je leiden naar Eden, jouw bereide woonst."
Dit zeggend nam hij mijn hand en richtte me op,
Over veld en water glijdend als in
lucht zonder lopen, voerde hij me laatst
naar een beboste berg met vlakke top,
een ruim en afgepaald gebied, beplant
met fraaie bomen, paden en priëlen;
Niets van wat ik voordien op Aarde zag
was mooier. Elke boom had 't fijnste fruit
dat de blik verleidde, wat in mij
plotse honger en pluklust wekte. Ontwakend
zag ik dat wat mijn droom had voorgespiegeld
werkelijk was. Mijn zwerftocht had ik hervat,
als mijn gids van gindse berg niet tussen
het geboomte als goddelijke gestalte
was verschenen. Verheugd maar met ontzag
viel ik in aanbidding aan zijn voeten;
Hij richtte me op en zei liefdevol:
"Ik ben degene die je zocht, de Maker
van dit alles, boven, rondom en onder je.
Dit paradijs is 't jouwe: ik schenk het je;
bewerk en bewaar het, eet naar hartenlust
van 't fruit van elke boom in deze tuin;
Vrees geen gebrek, maar voor de Boom der Kennis
van goed en kwaad die ik in het midden
van de tuin naast de Boom des levens
plaatste als onderpand van je gehoorzaamheid
en trouw, wees gewaarschuwd! Wie daarvan proeft,
zal de bittere gevolgen moeten dragen.
Weet, dat de dag dat je ervan eet
en mijn enige verbod overtreedt,
je sterfelijk wordt en onvermijdelijk
de dood je wacht. Je zalige staat verloren,
word je van hier verdreven in een wereld
van ellende en verdriet." Zijn streng
verbod bleef vreselijk in mijn oor weerklinken
al was het mijn keuze om niet te zondigen;
Maar weldra herwon hij zijn sereen gelaat
en vervolgde zijn genadig plan:
"Niet slechts dit mooie hof, maar heel de Aarde
schenk ik aan jou en je ras als meesters
over alles wat leeft in zee of lucht:
beest, vis en gevogelte.
Ziedaar waarom ik voor jou alle dieren
volgens soort breng om van jou
hun naam te ontvangen en hun onderwerping
te tonen door jou nederig hulde te brengen.
Zo ook voor vissen in hun waterig verblijf,
die niet ontboden zijn: ze kunnen hun element
niet ruilen voor 't ademen van ijlere lucht."

Zo sprak hij, en Zie! Elke vogel- en diersoort
naderde twee aan twee: sommigen bogen[15]
vleierig de knie, en elke vogel streek neer.
Ik gaf hun namen terwijl ze voorbijkwamen,
en kende met mijn door God verleend verstand
meteen hun aard, maar vond hierbij nog niet
wat me leek te ontbreken. Daarom waagde
ik het hemelse visioen weer aan te spreken:

"O, met welke naam zal ik U noemen,
zo verheven boven de mensensoort,
dat U alle namen overtreft;
Hoe mag ik U eren, Maker van 't Heelal
en van al 't goede aan de mens gegeven,
zo mild en overvloedig zorgde U
voor alle dingen. Maar dit geluk kan ik
met niemand delen. Bestaat geluk in eenzaamheid?
Wie kan, alleen, vreugde smaken als
't genot van alles hem geen bevrediging schenkt?"
Zo sprak ik aanmatigend, en het visioen
antwoordde met een stralende glimlach als volgt:

"Wat noem jij eenzaamheid? Is niet de Aarde
bevolkt met veel verschillende schepsels, alsook
de lucht? Die gebied jij om voor jou
te komen en te spelen! Ken je dan niet
hun taal en hun gewoonten? Ook zij bezitten
verstand en rede die niet verachtelijk zijn;
Vind tijdverdrijf met hen en wees hun heerser:
je rijk is ruim." Zo sprak ons aller Heer,
en 't klonk als een gebod. Verlof tot spreken
smekend, antwoordde ik uiterst nederig:

"Wees niet gekrenkt door wat ik zeg, Mijn Maker
en Hemelse Macht, hoor mij genadig aan.
Maakte U mij niet tot uw plaatsvervanger
met deze minderen ver onder mij?
Wel dan, wat voor samenhorigheid[16]
en harmonie is er tussen ongelijken?
Welk waar genot dat wederkerig moet zijn,
in juiste verhouding gegeven en ontvangen?
Eén hoog en d' ander laag is onverenigbaar
waardoor ze elkaar dra zullen vervelen.
Waar ik van spreek, gezelschap zoals ik zoek,
daar heeft eenieder deel aan de geneugten
van het verstand; een dier daarentegen
is voor de mens geen goede metgezel;
De bruten verheugen zich in in eigen soort:
Leeuw met leeuwin, zo paste u allen in paren;
Veel minder goed verkeert vogel, beest
of vis onder elkaar, noch os met aap;
Wel, minst van al kan mens met beest omgaan."
Waarop d' Almachtige, niet beledigd, antwoordde:

"Ik zie: je wenst een fijn en teder geluk,
Adam, in de keuze van je gezellen,
en dat je, hoewel midden in het genot,
daar in eenzaamheid niet van wil proeven.
Wat dan te denken van mij en mijn conditie?
Heb ik niet voldoende geluk volgens jou?
Ik die eeuwig alleen ben, ken geen tweede
die mijn gelijke is, noch vergelijkbaar.
Met wie dan kan ik me onderhouden, behalve
met de schepsels die ik zelf maakte,
mijn minderen, die oneindige treden
lager staan dan andere schepselen
zich bevinden ten opzichte van jou?"

Hij zweeg. Ik hervatte nederig: "Om d' hoogten
en diepten van uw eeuwige wegen te bereiken
schiet het menselijk denken tekort, Opperwezen.
U bent volmaakt in uzelf, in U
is geen gebrek te vinden. De mens, daarentegen,
moet groeien naar volmaaktheid; het is daarom
dat hij omgang met gelijken zoekt
die zijn gebreken kunnen verhelpen. U hoeft
zichzelf niet voort te planten, want bent oneindig:
onbeperkt in getal, maar Eén;
De mens, echter, drukt in veelheid van aantal
zijn onvolkomenheid als enkeling uit,
en wil nakomelingen verwekken
omdat hij eenzaam gebrekkig is. Dit vergt
wederzijdse liefde en tedere vriendschap.
U heeft in uw verborgen eenzaamheid
voldoende aan uzelf en heeft geen nood
aan sociale omgang; Als 't u behaagt,
kan u uw wezen verheffen tot elke gewenste
hoogte van goddelijke eenheid of vereniging;
Ik kan gebogen dieren niet rechtop
doen gaan, noch mij vinden in hun wegen."
Zo dapper nam ik de vrijheid om te spreken,
en werd gehoord, want de stem van God
gaf mij inschikkelijk het volgend antwoord:

Tot nu, Adam, wilde ik je beproeven;
't Beviel me dat je niet alleen de dieren
kende (en juist benoemde), maar ook jezelf,
en een vrije geest toont, mijn evenbeeld
dat ik niet deelde met het beest, dat daardoor
slecht gezelschap voor je is: met reden
was het dat je het hebt afgewezen
en blijft doen. Ik wist, nog voor je sprak,
dat eenzaamheid niet goed is voor een mens,
en het gezelschap dat ik voor je bracht
was niet voor jou bedoeld, maar om je oordeel
te beproeven van wat goed en passend is.
Wat ik je nu breng, zal je zeker bevallen:
je evenbeeld, hulp en ander zelf;
je wens, precies zoals je hart begeert."

Hij eindigde, of ik hoorde niets meer,
mijn aardse natuur door zijn hemelse overweldigd
waar ik zo lang aan onderworpen was,
uitgeput door dat sublieme onderhoud;
Als wanneer iets de zintuigen overbelast
zonk ik verblind en moe neer, herstel
en slaap behoevend, die me meteen overviel;
Natuur verleende bijstand en sloot mijn ogen,
maar liet verbeelding, 't inwendig zicht, open.
Zo zag ik, hoewel slapend, als in een trance,[17]
nog steeds vanwaar ik lag dezelfde vorm
even stralend als toen ik wakker stond;
Hij boog zich over me, opende
mijn linkerzij en nam vandaar een rib,
nog steeds warm door de levensgeesten
en vers stromend bloed: De wond was wijd,
maar vulde zich plots met vlees en heelde snel;
De rib vormde en kneedde hij met zijn handen;
Onder zijn scheppende handen groeide een wezen,
een mens, verschillend van geslacht, zo lieflijk
dat wat voorheen mooi leek in de wereld,
ertegen verbleekte of reeds vervat was in haar
en in haar blikken die mijn hart blijvend
met nooit gevoelde zoetheid overstroomden,
en alles werd door haar bezield met geest
van liefde en verliefde vrolijkheid.
Maar zij verdween en liet mij in 't donker achter;
Ik ontwaakte om haar te vinden of om
voor eeuwig te treuren en elk plezier af te zweren.
Reeds zonder hoop, zag ik haar vlakbij,
zoals in mijn droom getooid met alles
wat Aarde en Hemel hadden geschonken om haar
beminnelijk te maken. Ze kwam, geleid
door haar hemelse Schepper (hoewel onzichtbaar)
en Zijn stem, niet onwetend over
de sacrale huwelijksband en plichten;
Gratie was in haar gang, hemel in haar ogen,
in elk gebaar waardigheid en liefde.
Overstelpt door vreugde riep ik uit:

"Zo heeft u 't goedgemaakt en woord gehouden,
groothartige goede schepper, schenker van al
wat mooi is; Maar dit is 't mooiste van al uw gaven
zonder tegenzin: Ik zie nu been
van mijn been, vlees van mijn vlees,
mezelf voor me: Vrouw is haar naam,
uit Man genomen: Nu zal een man zijn ouders
verlaten om met zijn vrouw te kunnen verkeren:
Eén vlees, één hart, één ziel zullen ze zijn."

Zij hoorde me: Hoewel gebracht door God,
was ze zich, onschuldig en kuis bescheiden,
toch bewust van eigen waarde (een prijs
die ongevraagd niet te winnen was),
niet vrijpostig of opdringerig, eerder
beschroomd en dus begeerlijker, kortom:
Natuur zelf, zonder onreine gedachte,
dit alles maakte dat zij, mij ziende, zich afwendde;
Ik volgde haar: zij wist wat eer was en stemde
majesteitelijk gehoorzaam in
met mijn liefdespleit. Ik leidde haar
blozend als de morgen naar 't bruidsprieel;
Alle hemelen en gelukkige gesternten
bestraalden dat ogenblik met edelste invloed;
Aarde en haar heuvels zonden gelukwensen;
vogels kwinkeleerden, koele briesjes
fluisterden door 't bos, de geur van roos
en specerij als op vleugels meevoerend,
tot de verliefde vogel van de nacht[18]
de bruiloft bezong en d' avondster op d' heuveltop[19]
met spoed verzocht de bruidslamp te ontsteken.
Ziedaar mijn geschiedenis, tot op het punt
van d' aardse gelukzaligheid waarvan
ik geniet, en beken: 't Is waar,
ook al het andere geeft mij vreugd, maar zulks
wekt, al dan niet gebruikt, geen verandering
of begeerte in de geest: ik bedoel
heerlijkheden als smaak, zicht, geur,
kruid, fruit, bloem, wandeling en vogelzang;
Heel anders zie ik nu verrukt, raak ik
verrukt, mijn eerste hartstocht voelde ik,
een vreemde beroering, boven alle geneugten
verheven standvastig, en ik was niet in staat
om de glans van Schoonheid te weerstaan.
Of faalde Natuur in mij en liet ze een deel
achter dat zulk ding niet kon weerstaan?
Of wat zij uit mijn zijde nam, was mogelijk
meer dan nodig: zij overlaadde de vrouw
in elk geval met veel versiersel, rijk
aan uiterlijke schijn, innerlijk zuiniger.
Want goed begrijp ik dat ze in 't ontwerp
van de natuur mijn mindere is; in innerlijke
vermogens als allerhoogste, en uiterlijke
omdat ze minder gelijkt op het beeld
van wie ons beiden schiep, en minder 't karakter
uitdrukt van verleende heerschappij
over andere schepsels; En toch, nader ik
haar gratie, dan lijkt ze zo volmaakt geheel
zichzelf en zelfbewust, dat wat ze zegt
of wil doen het meest wijze, deugdzame,
discrete en beste lijkt; Hogere kennis
verliest zijn kracht in haar aanwezigheid,
Wijsheid die spreekt met haar verliest zichzelf
en lijkt wel dwaas. Gezag en rede volgen haar
alsof ze als eerste was bedoeld, en niet
bij gelegenheid achteraf gemaakt;[20]
En om het helemaal af te maken, zetelen
grootheid van geest en adel in haar gratie
en dwingen rondom haar als een wacht
van engelen ontzag en eerbied af.
Zijn voorhoofd fronsend antwoordde de engel:

"Beschuldig niet Natuur, zij deed haar deel;
Doe wat jij moet, en wantrouw wijsheid niet:
zij zal jou niet verlaten, tenzij je haar,
wanneer je haar het meeste nodig hebt,
wegstuurt door al te veel waarde te hechten
aan mindere dingen, zoals je zelf beseft.
Want wat bewonder je? Wat verrukt je zo?
Het uiterlijk? Schoon, ongetwijfeld,
jouw koestering, eer en liefde waardig,
maar niet je onderwerping! Meet haar met eigen
waarde en oordeel dan: Vaak baat eigenwaarde
gegrond op billijkheid en recht en goed
bestuurd het meest; Hoe meer je die kunst beheerst,
hoe meer zij jou als leider zal erkennen
en haar schijn zal zwichten voor de feiten.
Zo prachtig is zij gemaakt om jou te plezieren,
dat je haar eervol kan minnen, zij,
die weet wanneer je wijsheid zwakker is.
Maar als de tastzin, die de mens aanzet
tot nageslacht, jou hoger genoegen schenkt
dan al het andere, bedenk dan dat
je dit deelt met vee en elk dier;
't Zou hun niet algemeen onthuld zijn
als iets daarin vermocht de mensenziel
te knechten of zijn hartstocht te bewegen.
Wat je aantrekkelijk menselijk, redelijk vindt
in haar gezelschap: heb het lief; Door liefde
doe je goed, door hartstocht niet. Ware liefde
is het niet: liefde verfijnt de geest,
verruimt het hart, zetelt in de Rede
en oordeelt juist: zij is de ladder waarlangs
je naar hemelse Liefde opstijgen kunt
zonder de zwaarte van vleselijke lust; En daarom
is er geen dier als metgezel voor jou."

Daarop antwoordde Adam wat beschaamd:
"Noch haar mooi gevormde buitenkant,
noch de teling gemeen aan elke soort
(hoewel ik bedgemeenschap hoger acht
en haar mysterie vereer) schep ik vooral
behagen in haar bevallige gebaren, die duizend
dagelijkse welvoeglijkheden die vloeien
uit haar woorden en daden, vermengd met liefde
en bereidwilligheid die oprecht
ons beider eenheid van geest en ziel tonen;
een harmonie tussen twee echtgenoten,
bekoorlijker dan het mooiste lied voor 't oor.
Dit onderwerpt mij echter niet; Aan U
onthul ik wat ik voel; geenszins beheerst
door vele dingen die mijn zinnen ontmoeten,
kies ik daaruit in vrijheid het beste, en volg
wat ik verkozen heb. U berispt
mijn liefde niet, want liefde, zegt u, is onze
gids en weg die naar naar de hemel leidt.
Vergun me dan, zo 't wettig is te vragen:
Hebben hemelse geesten niet lief? En hoe
tonen zij die? Alleen door blikken, of mengen
zij hun licht met ijl of echt contact?"[21]

Daarop antwoordde de Engel met een hemelse
roze glimlach, Liefdes eigen kleur:
"'t Volstaat te weten dat wij gelukkig zijn
en dat geluk niet zonder Liefde bestaat.
Al wat je lichaam aan zuiver genot schenkt
(en zuiver werd je geschapen) smaken wij
voortreffelijker zonder hinder van obstakels
als weefsel, gewricht of ledemaat: Geesten
omarmen lichter dan lucht met lucht, volledig,
in zuivere vereniging, niet beperkt
om vlees met vlees, of ziel met ziel te mengen.
Maar ik kan nu niet langer blijven: de Zon
reist reeds voorbij de groene Kaap der Aarde[22]
en de vruchtbare eilanden:
Dat is mijn teken om te gaan. Wees sterk,
leef gelukkig, heb lief, maar bovenal
Heb Hem lief voor wie liefde overgave
betekent. Eer Zijn gebod opdat hartstocht
je niet tot daden verleidt die Vrije Wil
anders niet toe zou staan; In jou huist
al 't leed van jou en al je zonen; Hoed je.
Samen met alle zaligen zal ik verheugd
zijn als je volhoudt, maar staan of vallen
hangt af van je eigen vrije keuze.
Zoek, zelf volmaakt, geen hulp van buiten
en wijs elke verleiding tot zonde af."

Dit zeggende, stond hij op en Adam zegende
't vertrek: "Ga nu heen, hemelse Gast,
Verheven afgezant door Hem gezonden
wiens goedheid ik aanbid; Vriendelijk
en minzaam verwaardigde u zich af te dalen
naar uw mindere, In mijn dankbare
herinnering blijf ik u eren: Blijf
de mensheid genegen en kom vaak terug."

Zo scheidden zij, de Engel ging ten hemel
vanuit de schaduw en Adam naar zijn prieel.

PARADISE LOST

John Milton (1674)

BOOK VIII

THE Angel ended, and in Adams Eare
So Charming left his voice, that he a while
Thought him still speaking, still stood fixt to hear;
Then as new wak't thus gratefully repli'd.
What thanks sufficient, or what recompence
Equal have I to render thee, Divine
Hystorian, who thus largely hast allayd
The thirst I had of knowledge, and voutsaf't
This friendly condescention to relate
10 Things else by me unsearchable, now heard
With wonder, but delight, and, as is due,
With glorie attributed to the high
Creator; something yet of doubt remaines,
Which onely thy solution can resolve.
When I behold this goodly Frame, this World
Of Heav'n and Earth consisting, and compute,
Thir magnitudes, this Earth a spot, a graine,
An Atom, with the Firmament compar'd
And all her numberd Starrs, that seem to rowle
20 Spaces incomprehensible (for such
Thir distance argues and thir swift return
Diurnal) meerly to officiate light
Round this opacous Earth, this punctual spot,
One day and night; in all thir vast survey
Useless besides, reasoning I oft admire,
How Nature wise and frugal could commit
Such disproportions, with superfluous hand
So many nobler Bodies to create,
Greater so manifold to this one use,
30 For aught appeers, and on thir Orbs impose
Such restless revolution day by day
Repeated, while the sedentarie Earth,
That better might with farr less compass move,
Serv'd by more noble than her self, attaines
Her end without least motion, and receaves,
As Tribute such a sumless journey brought
Of incorporeal speed, her warmth and light;
Speed, to describe whose swiftness Number failes.

So spake our Sire, and by his count'nance seemd
40 Entring on studious thoughts abstruse, which Eve
Perceaving where she sat retir'd in sight,
With lowliness Majestic from her seat,
And Grace that won who saw to wish her stay,
Rose, and went forth among her Fruits and Flours,
To visit how they prosper'd, bud and bloom,
Her Nurserie; they at her coming sprung
And toucht by her fair tendance gladlier grew.
Yet went she not, as not with such discourse
Delighted, or not capable her eare
50 Of what was high: such pleasure she reserv'd,
Adam relating, she sole Auditress;
Her Husband the Relater she preferr'd
Before the Angel, and of him to ask
Chose rather: hee, she knew would intermix
Grateful digressions, and solve high dispute
With conjugal Caresses, from his Lip
Not Words alone pleas'd her. O when meet now
Such pairs, in Love and mutual Honour joyn'd?
With Goddess-like demeanour forth she went;
60 Not unattended, for on her as Queen
A pomp of winning Graces waited still,
And from about her shot Darts of desire
Into all Eyes to wish her still in sight.
And Raphael now to Adam's doubt propos'd
Benevolent and facil thus repli'd.

To ask or search I blame thee not, for Heav'n
Is as the Book of God before thee set,
Wherein to read his wondrous Works, and learne
His Seasons, Hours, or Dayes, or Months, or Yeares:
70 This to attain, whether Heav'n move or Earth,[23]
Imports not, if thou reck'n right, the rest
From Man or Angel the great Architect
Did wisely to conceal, and not divulge
His secrets to be scann'd by them who ought
Rather admire; or if they list to try
Conjecture, he his Fabric of the Heav'ns
Hath left to thir disputes, perhaps to move
His laughter at thir quaint Opinions wide
Hereafter, when they come to model Heav'n
80 And calculate the Starrs, how they will weild
The mightie frame, how build, unbuild, contrive
To save appeerances, how gird the Sphear
With Centric and Eccentric scribl'd o're,
Cycle and Epicycle, Orb in Orb:
Alreadie by thy reasoning this I guess,
Who art to lead thy ofspring, and supposest
That bodies bright and greater should not serve
The less not bright, nor Heav'n such journies run,
Earth sitting still, when she alone receaves
90 The benefit: consider first, that Great
Or Bright inferrs not Excellence: the Earth
Though, in comparison of Heav'n, so small,
Nor glistering, may of solid good containe
More plenty than the Sun that barren shines,
Whose vertue on it self workes no effect,
But in the fruitful Earth; there first receavd
His beams, unactive else, thir vigour find.
Yet not to Earth are those bright Luminaries
Officious, but to thee Earths habitant.
100 And for the Heav'ns wide Circuit, let it speak
The Makers high magnificence, who built
So spacious, and his Line stretcht out so farr;
That Man may know he dwells not in his own;
An Edifice too large for him to fill,
Lodg'd in a small partition, and the rest
Ordain'd for uses to his Lord best known.
The swiftness of those Circles attribute,
Though numberless, to his Omnipotence,
That to corporeal substances could adde
110 Speed almost Spiritual; mee thou thinkst not slow,
Who since the Morning hour set out from Heav'n
Where God resides, and ere mid-day arriv'd
In Eden, distance inexpressible
By Numbers that have name. But this I urge,
Admitting Motion in the Heav'ns, to shew
Invalid that which thee to doubt it mov'd;
Not that I so affirm, though so it seem
To thee who hast thy dwelling here on Earth.
God to remove his wayes from human sense,
120 Plac'd Heav'n from Earth so farr, that earthly sight,
If it presume, might erre in things too high,
And no advantage gaine. What if the Sun
Be Centre to the World, and other Starrs
By his attractive vertue and their own
Incited, dance about him various rounds?
Thir wandring course now high, now low, then hid,
Progressive, retrograde, or standing still,
In six thou seest, and what if sev'nth to these
The Planet Earth, so stedfast though she seem,
130 Insensibly three different Motions move?
Which else to several Spheres thou must ascribe,
Mov'd contrarie with thwart obliquities,
Or save the Sun his labour, and that swift
Nocturnal and Diurnal rhomb suppos'd,
Invisible else above all Starrs, the Wheele
Of Day and Night; which needs not thy beleefe,
If Earth industrious of her self fetch Day
Travelling East, and with her part averse
From the Suns beam meet Night, her other part
140 Still luminous by his ray. What if that light
Sent from her through the wide transpicuous aire,
To the terrestrial Moon be as a Starr
Enlightning her by Day, as she by Night
This Earth? reciprocal, if Land be there,
Fields and Inhabitants: Her spots thou seest
As Clouds, and Clouds may rain, and Rain produce
Fruits in her soft'nd Soile, for some to eate
Allotted there; and other Suns perhaps
With thir attendant Moons thou wilt descrie
150 Communicating Male and Femal Light,
Which two great Sexes animate the World,
Stor'd in each Orb perhaps with some that live.
For such vast room in Nature unpossest
By living Soule, desert and desolate,
Onely to shine, yet scarce to contribute
Each Orb a glimps of Light, conveyd so farr
Down to this habitable, which returnes
Light back to them, is obvious to dispute.
But whether thus these things, or whether not,
160 Whether the Sun predominant in Heav'n
Rise on the Earth, or Earth rise on the Sun,
Hee from the East his flaming rode begin,
Or Shee from West her silent course advance
With inoffensive pace that spinning sleeps
On her soft Axle, while she paces Eev'n,
And beares thee soft with the smooth Air along,
Solicit not thy thoughts with matters hid,
Leave them to God above, him serve and feare;
Of other Creatures, as him pleases best,
170 Wherever plac't, let him dispose: joy thou
In what he gives to thee, this Paradise
And thy faire Eve; Heav'n is for thee too high
To know what passes there; be lowlie wise:
Think onely what concernes thee and thy being;
Dream not of other Worlds, what Creatures there
Live, in what state, condition or degree,
Contented that thus farr hath been reveal'd
Not of Earth onely but of highest Heav'n.

To whom thus Adam cleerd of doubt, repli'd.
180 How fully hast thou satisfi'd me, pure
Intelligence of Heav'n, Angel serene,
And freed from intricacies, taught to live
The easiest way, nor with perplexing thoughts
To interrupt the sweet of Life, from which
God hath bid dwell farr off all anxious cares,
And not molest us, unless we our selves
Seek them with wandring thoughts, and notions vain.
But apt the Mind or Fancy is to roave
Uncheckt, and of her roaving is no end;
190 Till warn'd, or by experience taught, she learne,
That not to know at large of things remote
From use, obscure and suttle, but to know
That which before us lies in daily life,
Is the prime Wisdom, what is more, is fume,
Or emptiness, or fond impertinence,
And renders us in things that most concerne
Unpractis'd, unprepar'd, and still to seek.
Therefore from this high pitch let us descend
A lower flight, and speak of things at hand
200 Useful, whence haply mention may arise
Of somthing not unseasonable to ask
By sufferance, and thy wonted favour deign'd.
Thee I have heard relating what was don
Ere my remembrance: now hear mee relate
My Storie, which perhaps thou hast not heard;
And Day is yet not spent; till then thou seest
How suttly to detaine thee I devise,
Inviting thee to hear while I relate,
Fond, were it not in hope of thy reply:
210 For while I sit with thee, I seem in Heav'n,
And sweeter thy discourse is to my eare
Than Fruits of Palm-tree pleasantest to thirst
And hunger both, from labour, at the houre
Of sweet repast; they satiate, and soon fill,
Though pleasant, but thy words with Grace Divine
Imbu'd, bring to thir sweetness no satietie.

To whom thus Raphael answer'd heav'nly meek.
Nor are thy lips ungraceful, Sire of men,
Nor tongue ineloquent; for God on thee
220 Abundantly his gifts hath also pour'd
Inward and outward both, his image faire:
Speaking or mute all comliness and grace
Attends thee, and each word, each motion formes
Nor less think wee in Heav'n of thee on Earth
Than of our fellow servant, and inquire
Gladly into the wayes of God with Man:
For God we see hath honour'd thee, and set
On Man his Equal Love: say therefore on;
For I that Day was absent, as befell,
230 Bound on a voyage uncouth and obscure,
Farr on excursion toward the Gates of Hell;
Squar'd in full Legion (such command we had)
To see that none thence issu'd forth a spie,
Or enemie, while God was in his work,
Least hee incenst at such eruption bold,
Destruction with Creation might have mixt.
Not that they durst without his leave attempt,
But us he sends upon his high behests
For state, as Sovran King, and to enure
240 Our prompt obedience. Fast we found, fast shut
The dismal Gates, and barricado'd strong;
But long ere our approaching heard within
Noise, other than the sound of Dance or Song,
Torment, and loud lament, and furious rage.
Glad we return'd up to the coasts of Light
Ere Sabbath Eev'ning: so we had in charge.
But thy relation now; for I attend,
Pleas'd with thy words no less than thou with mine.

So spake the Godlike Power, and thus our Sire.
250 For Man to tell how human Life began
Is hard; for who himself beginning knew?
Desire with thee still longer to converse
Induc'd me. As new wak't from soundest sleep
Soft on the flourie herb I found me laid
In Balmie Sweat, which with his Beames the Sun
Soon dri'd, and on the reaking moisture fed.
Strait toward Heav'n my wondring Eyes I turnd,
And gaz'd a while the ample Skie, till rais'd
By quick instinctive motion up I sprung,
260 As thitherward endevoring, and upright
Stood on my feet; about me round I saw
Hill, Dale, and shadie Woods, and sunnie Plaines,
And liquid Lapse of murmuring Streams; by these,
Creatures that livd, and movd, and walk'd, or flew,
Birds on the branches warbling; all things smil'd,
With fragrance and with joy my heart oreflow'd.
My self I then perus'd, and Limb by Limb
Survey'd, and sometimes went, and sometimes ran
With supple joints, as lively vigour led:
270 But who I was, or where, or from what cause,
Knew not; to speak I tri'd, and forthwith spake,
My Tongue obey'd and readily could name
What e're I saw. Thou Sun, said I, faire Light,
And thou enlight'nd Earth, so fresh and gay,
Ye Hills and Dales, ye Rivers, Woods, and Plaines,
And ye that live and move, fair Creatures, tell,
Tell, if ye saw, how came I thus, how here?
Not of my self; by some great Maker then,
In goodness and in power præeminent;
280 Tell me, how may I know him, how adore,
From whom I have that thus I move and live,
And feel that I am happier than I know.
While thus I call'd, and stray'd I knew not whither,
From where I first drew Aire, and first beheld
This happie Light, when answer none return'd,
On a green shadie Bank profuse of Flours
Pensive I sate me down; there gentle sleep
First found me, and with soft oppression seis'd
My droused sense, untroubl'd, though I thought
290 I then was passing to my former state
Insensible, and forthwith to dissolve:
When suddenly stood at my Head a dream,
Whose inward apparition gently mov'd
My Fancy to believe I yet had being,
And livd: One came, methought, of shape Divine,
And said, thy Mansion wants thee, Adam, rise,
First Man, of Men innumerable ordain'd
First Father, call'd by thee I come thy Guide
To the Garden of bliss, thy seat prepar'd.
300 So saying, by the hand he took me rais'd,
And over Fields and Waters, as in Aire
Smooth sliding without step, last led me up
A woodie Mountain; whose high top was plaine,
A Circuit wide, enclos'd, with goodliest Trees
Planted, with Walks, and Bowers, that what I saw
Of Earth before scarce pleasant seemd. Each Tree
Load'n with fairest Fruit, that hung to the Eye
Tempting, stirr'd in me sudden appetite
To pluck and eate; whereat I wak'd, and found
310 Before mine Eyes all real, as the dream
Had lively shadowd: Here had new begun
My wandring, had not hee who was my Guide
Up hither, from among the Trees appeer'd,
Presence Divine. Rejoycing, but with aw,
In adoration at his feet I fell
Submiss: he rear'd me, and Whom thou soughtst I am,
Said mildely, Author of all this thou seest
Above, or round about thee or beneath.
This Paradise I give thee, count it thine
320 To Till and keep, and of the Fruit to eate:
Of every Tree that in the Garden growes
Eate freely with glad heart; fear here no dearth:
But of the Tree whose operation brings
Knowledg of good and ill, which I have set
The Pledge of thy Obedience and thy Faith,
Amid the Garden by the Tree of Life,
Remember what I warne thee, shun to taste,
And shun the bitter consequence: for know,
The day thou eat'st thereof, my sole command
330 Transgrest, inevitably thou shalt dye;
From that day mortal, and this happie State
Shalt loose, expell'd from hence into a World
Of woe and sorrow. Sternly he pronounc'd
The rigid interdiction, which resounds
Yet dreadful in mine eare, though in my choice
Not to incur; but soon his cleer aspect
Return'd and gracious purpose thus renew'd.
Not onely these fair bounds, but all the Earth
To thee and to thy Race I give; as Lords
340 Possess it, and all things that therein live,
Or live in Sea, or Aire, Beast, Fish, and Fowle.
In signe whereof each Bird and Beast behold
After thir kindes; I bring them to receave
From thee thir Names, and pay thee fealtie
With low subjection; understand the same
Of Fish within thir watry residence,
Not hither summon'd, since they cannot change
Thir Element to draw the thinner Aire.

As thus he spake, each Bird and Beast behold
350 Approaching two and two, These cowring low
With blandishment, each Bird stoop'd on his wing.
I nam'd them, as they pass'd, and understood
Thir Nature, with such knowledg God endu'd
My sudden apprehension: but in these
I found not what me thought I wanted still;
And to the Heav'nly vision thus presum'd.

O by what Name, for thou above all these,
Above mankinde, or aught than mankinde higher,
Surpassest farr my naming, how may I
360 Adore thee, Author of this Universe,
And all this good to man, for whose well being
So amply, and with hands so liberal
Thou hast provided all things: but with mee
I see not who partakes. In solitude
What happiness, who can enjoy alone,
Or all enjoying, what contentment find?
Thus I presumptuous; and the vision bright,
As with a smile more bright'nd, thus repli'd.

What call'st thou solitude, is not the Earth
370 With various living creatures, and the Aire
Replenisht, and all these at thy command
To come and play before thee; know'st thou not
Thir language and thir wayes? They also know,
And reason not contemptibly; with these
Find pastime, and beare rule; thy Realm is large.
So spake the Universal Lord, and seem'd
So ordering. I with leave of speech implor'd,
And humble deprecation thus repli'd.

Let not my words offend thee, Heav'nly Power,
380 My Maker, be propitious while I speak.
Hast thou not made me here thy substitute,
And these inferiour farr beneath me set?
Among unequals what societie
Can sort, what harmonie or true delight?
Which must be mutual, in proportion due
Giv'n and receiv'd; but in disparitie
The one intense, the other still remiss
Cannot well suite with either, but soon prove
Tedious alike: Of fellowship I speak
390 Such as I seek, fit to participate
All rational delight, wherein the brute
Cannot be human consort; they rejoyce
Each with thir kinde, Lion with Lioness;
So fitly them in pairs thou hast combin'd;
Much less can Bird with Beast, or Fish with Fowle
So well converse, nor with the Ox the Ape;
Wors then can Man with Beast, and least of all.
Whereto th' Almighty answer'd, not displeas'd.

A nice and suttle happiness I see
400 Thou to thyself proposest, in the choice
Of thy Associates, Adam, and wilt taste
No pleasure, though in pleasure, solitarie.
What think'st thou then of mee, and this my State,
Seem I to thee sufficiently possest
Of happiness, or not? who am alone
From all Eternitie, for none I know
Second to mee or like, equal much less.
How have I then with whom to hold converse
Save with the Creatures which I made, and those
410 To me inferiour, infinite descents
Beneath what other Creatures are to thee?

He ceas'd, I lowly answer'd. To attaine
The highth and depth of thy Eternal wayes
All human thoughts come short, Supream of things;
Thou in thy self art perfet, and in thee
Is no deficience found; not so is Man,
But in degree, the cause of his desire
By conversation with his like to help,
Or solace his defects. No need that thou
420 Shouldst propagat, already infinite;
And through all numbers absolute, though One;
But Man by number is to manifest
His single imperfection, and beget
Like of his like, his Image multipli'd,
In unitie defective, which requires
Collateral love, and deerest amitie.
Thou in thy secresie although alone,
Best with thy self accompanied, seek'st not
Social communication, yet so pleas'd,
430 Canst raise thy Creature to what highth thou wilt
Of Union or Communion, deifi'd;
I by conversing cannot these erect
From prone, nor in thir wayes complacence find.
Thus I embold'nd spake, and freedom us'd
Permissive, and acceptance found, which gain'd
This answer from the gratious voice Divine.

Thus farr to try thee, Adam, I was pleas'd,
And finde thee knowing not of Beasts alone,
Which thou hast rightly nam'd, but of thy self,
440 Expressing well the spirit within thee free,
My Image, not imparted to the Brute,
Whose fellowship therefore unmeet for thee
Good reason was thou freely shouldst dislike,
And be so minded still; I, ere thou spak'st,
Knew it not good for Man to be alone,
And no such companie as then thou saw'st
Intended thee, for trial onely brought,
To see how thou could'st judge of fit and meet:
What next I bring shall please thee, be assur'd,
450 Thy likeness, thy fit help, thy other self,
Thy wish, exactly to thy hearts desire.

Hee ended, or I heard no more, for now
My earthly by his Heav'nly overpowerd,
Which it had long stood under, streind to the highth
In that celestial Colloquie sublime,
As with an object that excels the sense,
Dazl'd and spent, sunk down, and sought repair
Of sleep, which instantly fell on me, call'd
By Nature as in aide, and clos'd mine eyes.
460 Mine eyes he clos'd, but op'n left the Cell
Of Fancie my internal sight, by which
Abstract as in a transe methought I saw,
Though sleeping, where I lay, and saw the shape
Still glorious before whom awake I stood;
Who stooping op'nd my left side, and took
From thence a Rib, with cordial spirits warme,
And Life-blood streaming fresh; wide was the wound,
But suddenly with flesh fill'd up and heal'd:
The Rib he formd and fashond with his hands;
470 Under his forming hands a Creature grew,
Manlike, but different sex, so lovly faire,
That what seemd fair in all the World, seemd now
Mean, or in her summ'd up, in her containd
And in her looks, which from that time infus'd
Sweetness into my heart, unfelt before,
And into all things from her Aire inspir'd
The spirit of love and amorous delight.
Shee disappeerd, and left me dark, I wak'd
To find her, or for ever to deplore
480 Her loss, and other pleasures all abjure:
When out of hope, behold her, not farr off,
Such as I saw her in my dream, adornd
With what all Earth or Heaven could bestow
To make her amiable: On she came,
Led by her Heav'nly Maker, though unseen,
And guided by his voice, nor uninformd
Of nuptial Sanctitie and marriage Rites:
Grace was in all her steps, Heav'n in her Eye,
In every gesture dignitie and love.
490 I overjoyd could not forbear aloud.

This turn hath made amends; thou hast fulfill'd
Thy words, Creator bounteous and benigne,
Giver of all things faire, but fairest this
Of all thy gifts, nor enviest. I now see
Bone of my Bone, Flesh of my Flesh, my Self
Before me; Woman is her Name, of Man
Extracted; for this cause he shall forgoe
Father and Mother, and to his Wife adhere;
And they shall be one Flesh, one Heart, one Soule.

500 She heard me thus, and though divinely brought,
Yet Innocence and Virgin Modestie,
Her vertue and the conscience of her worth,
That would be woo'd, and not unsought be won,
Not obvious, not obtrusive, but retir'd,
The more desirable, or to say all,
Nature her self, though pure of sinful thought,
Wrought in her so, that seeing me, she turn'd;
I follow'd her, she what was Honour knew,
And with obsequious Majestie approv'd
510 My pleaded reason. To the Nuptial Bowre
I led her blushing like the Morn: all Heav'n,
And happie Constellations on that houre
Shed thir selectest influence; the Earth
Gave sign of gratulation, and each Hill;
Joyous the Birds; fresh Gales and gentle Aires
Whisper'd it to the Woods, and from thir wings
Flung Rose, flung Odours from the spicie Shrub,
Disporting, till the amorous Bird of Night
Sung Spousal, and bid haste the Eevning Starr
520 On his Hill top, to light the bridal Lamp.
Thus I have told thee all my State, and brought
My Storie to the sum of earthly bliss
Which I enjoy, and must confess to find
In all things else delight indeed, but such
As us'd or not, works in the mind no change,
Nor vehement desire, these delicacies
I mean of Taste, Sight, Smell, Herbs, Fruits and Flours,
Walks, and the melodie of Birds; but here
Farr otherwise, transported I behold,
530 Transported touch; here passion first I felt,
Commotion strange, in all enjoyments else
Superiour and unmov'd, here onely weake
Against the charm of Beauties powerful glance.
Or Nature faild in mee, and left some part
Not proof enough such Object to sustain,
Or from my side subducting, took perhaps
More than enough; at least on her bestow'd
Too much of Ornament, in outward shew
Elaborate, of inward less exact.
540 For well I understand in the prime end
Of Nature her th' inferiour, in the mind
And inward Faculties, which most excell,
In outward also her resembling less
His Image who made both, and less expressing
The character of that Dominion giv'n
O're other Creatures; yet when I approach
Her loveliness, so absolute she seems
And in her self compleat, so well to know
Her own, that what she wills to do or say,
550 Seems wisest, vertuousest, discreetest, best;
All higher knowledge in her presence falls
Degraded, Wisdom in discourse with her
Looses discount'nanc't, and like folly shewes;
Authority and Reason on her waite,
As one intended first, not after made
Occasionally; and to consummate all,
Greatness of mind and nobleness thir seat
Build in her loveliest, and create an awe
About her, as a guard Angelic plac't.
560 To whom the Angel with contracted brow.

Accuse not Nature, she hath don her part;
Do thou but thine, and be not diffident
Of Wisdom, she deserts thee not, if thou
Dismiss not her, when most thou needst her nigh,
By attributing overmuch to things
Less excellent, as thou thy self perceav'st.
For what admir'st thou, what transports thee so,
An outside? fair no doubt, and worthy well
Thy cherishing, thy honouring, and thy love,
570 Not thy subjection: weigh with her thy self;
Then value: Oft times nothing profits more
Than self esteem, grounded on just and right
Well manag'd; of that skill the more thou know'st,
The more she will acknowledge thee her Head,
And to realities yield all her shows:
Made so adorn for thy delight the more,
So awful, that with honour thou maist love
Thy mate, who sees when thou art seen least wise.
But if the sense of touch whereby mankind
580 Is propagated seem such dear delight
Beyond all other, think the same voutsaf't
To Cattel and each Beast; which would not be
To them made common and divulg'd, if aught
Therein enjoy'd were worthy to subdue
The Soule of Man, or passion in him move.
What higher in her societie thou findst
Attractive, human, rational, love still;
In loving thou dost well, in passion not,
Wherein true Love consists not; love refines
590 The thoughts, and heart enlarges, hath his seat
In Reason, and is judicious, is the scale
By which to heav'nly Love thou maist ascend,
Not sunk in carnal pleasure, for which cause
Among the Beasts no Mate for thee was found.

To whom thus half abash't Adam repli'd.
Neither her out-side formd so fair, nor aught
In procreation common to all kindes
(Though higher of the genial Bed by far,
And with mysterious reverence I deem)
600 So much delights me as those graceful acts,
Those thousand decencies that daily flow
From all her words and actions mixt with Love
And sweet compliance, which declare unfeign'd
Union of Mind, or in us both one Soule;
Harmonie to behold in wedded pair
More grateful than harmonious sound to the eare.
Yet these subject not; I to thee disclose
What inward thence I feel, not therefore foild,
Who meet with various objects, from the sense
610 Variously representing; yet still free
Approve the best, and follow what I approve.
To Love thou blam'st me not, for love thou saist
Leads up to Heav'n, is both the way and guide;
Bear with me then, if lawful what I ask;
Love not the heav'nly Spirits, and how thir Love
Express they, by looks onely, or do they mix
Irradiance, virtual or immediate touch?

To whom the Angel with a smile that glow'd
Celestial rosie red, Loves proper hue,
620 Answer'd. Let it suffice thee that thou know'st
Us happie, and without Love no happiness.
Whatever pure thou in the body enjoy'st
(And pure thou wert created) we enjoy
In eminence, and obstacle find none
Of membrane, joynt, or limb, exclusive barrs:
Easier than Air with Air, if Spirits embrace,
Total they mix, Union of Pure with Pure
Desiring; nor restrain'd conveyance need
As Flesh to mix with Flesh, or Soul with Soul.
630 But I can now no more; the parting Sun
Beyond the Earths green Cape and verdant Isles
Hesperean sets, my Signal to depart.
Be strong, live happie, and love, but first of all
Him whom to love is to obey, and keep
His great command; take heed lest Passion sway
Thy Judgment to do aught, which else free Will
Would not admit; thine and of all thy Sons
The weal or woe in thee is plac't; beware.
I in thy persevering shall rejoyce,
640 And all the Blest: stand fast; to stand or fall
Free in thine own Arbitrement it lies.
Perfet within, no outward aid require;
And all temptation to transgress repel.

So saying, he arose; whom Adam thus
Follow'd with benediction. Since to part,
Go heavenly Guest, Ethereal Messenger,
Sent from whose sovran goodness I adore.
Gentle to me and affable hath been
Thy condescension, and shall be honour'd ever
650 With grateful Memorie: thou to mankind
Be good and friendly still, and oft return.

So parted they, the Angel up to Heav'n
From the thick shade, and Adam to his Bowre.


Noten[bewerken]

Bron voor de explicatieve noten: The John Milton Reading Room: Paradise Lost (onder Creative Commons licentie)

  1. sedentarie Earth (vaste, roerloze aarde): Adam gaat ervan uit dat de aarde stilstaat en dat het hele universum eromheen wervelt.
  2. "Het boek van God" of het "boek van de schepping" diende als een traditionele metafoor onder theologen. Calvijn gebruikt deze metafoor van de schepping als Gods boek en werkt het uit door over de Bijbel te spreken als de bril die nodig is om het boek van de natuur correct te lezen.
  3. 'Epicycle': Een kleine cirkel, waarvan het middelpunt op de omtrek van een grotere cirkel ligt. In het ptolemeïsche systeem werd verondersteld dat elk van de 'zeven planeten' ronddraaide in een epi­cyclus, waarvan het middelpunt langs een grotere cirkel bewoog.
  4. 'Not that I so affirm': Rafaël houdt vol dat hij alleen speculeert en geen specifieke theorie bevestigt. Hij wil Adam er gewoon toe aanzetten zijn aannames te heroverwegen.
  5. De Zon in 't wereldcentrum: ('What if'): Rafaël introduceert een copernicaanse versie van het universum strikt als een speculatie, zonder enige goedkeuring.
  6. 'Stars' verwijst hier naar de planeten.
  7. Kracht van aantrekking: Aantrekkingskracht van de Zon: Kepler stelde dat de planeten in hun baan werden gehouden door de magnetische kracht van de zon.
  8. 'In six thou sees': De zes andere planeten dan de zon, bekend in de tijd van Milton.
  9. 'thwart obliquities': "De dwarse bewegingen van de sferen opgevat als schuin ten opzichte van elkaar in het ptolemeïsche systeem"
  10. 'Nocturnal and Diurnal rhomb': In de ptolemeïsche kosmologie de buitenste of tiende onzichtbare sfeer of primum mobile. Een ruit is in deze zin een ruitvormige baan of bewegingssfeer.
  11. Mannelijk en vrouwelijk licht verwijzen hier naar de twee bronnen van het licht: de zon is mannelijk en de maan vrouwelijk, volgens de oude gewoonte om de zon als een god (Apollo) en de maan als een godin (Diana) voor te stellen.
  12. 'obvious to dispute' (open voor betwisting): Dat wil zeggen, ongeacht of de rest van de planeten en manen hun eigen bewoners hebben.
  13. 'Hee from the East': Rafaël verwijst naar de zon als "Hee" en de aarde als "Shee.
  14. 'what Creatures there': Velen in de tijd van Milton speculeerden over het leven op andere planeten.
  15. 'Twee aan twee'(Two and two): herinnert aan het verhaal van Noach en zijn ark in Genesis 7.
  16. 'societie' (samenleving): Adams taal weerspiegelt die van Milton in The Doctrine of Discipline and Divorce. Adams nadruk op wat wederzijds is en zijn behoefte aan gemeenschap en rationeel genot zijn in overeenstemming met wat volgens Milton de juiste doelen van het huwelijk zijn.
  17. ENG 'abstract'=abstracted, teruggetrokken in zichzelf, geen oog hebbend voor de omgeving, als in een trance.
  18. 'De verliefde vogel van de nacht': de nachtegaal.
  19. 'De avondster': Venus.
  20. Voor een gelegenheid, dat wil zeggen om Adams verlangen naar een metgezel te bevredigen.
  21. 'virtual or immediate touch': zonder bemiddeling; in dit geval zonder vlees en dus zonder aanraking.
  22. 'Earths green Cape and verdant Isles': De Kaapverdische Eilanden, voor de westkust van Afrika.
  23. 'whether Heav'n move or Earth': Dat wil zeggen, of het ptolemeïsche (geocentrisch) of het copernicaanse (he­lio­cen­trisch) model van de kosmos waar is.