Naar inhoud springen

Java-bode/Jaargang 28/Nummer 273/Gebroken geloften

Uit Wikisource
‘Gebroken geloften’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Java-bode, donderdag 18 november 1880, [p. 4]. Publiek domein.
[ 4 ]

GEBROKEN GELOFTEN.


VI.

— Een aardig, goedhartig schepseltje, maar niet uit onzen stand, sprak de Lady tot haar oudste dochter, terwijl zij achterover, onder het naar huis rijden, in het rijtuig leunde.
— Toch is zij schoon en bevallig, mama, verklaarde de jongste dochter. Ik ben zeker dat zij een groote aanwinst voor den omtrek is. De Hemel weet, of wij hier niet het geheele jaar door, blijven! Dan zal een nieuwe kennis wat leven aan onzen kring geven; nu staan wij geheel op ons zelf, voegde de jonge dame er ongeduldig bij. Voor dit maal moet ik zeggen dat Algy’s keus mij bevalt en mij dunkt, wij moesten die kennis aanhouden; tamelijk jong, schoon, en zeker vermogend, zooals ik veronderstel, dat zijn geen verwerpelijke voorrechten, besloot Maud Valetowers.
— Om s’hemels wil Maud, neem zoo snel geen besluit. Dat is zoo dwaas. Ik ben zeker, ik hoop dat Algernon nimmer een vrouw van lage geboorte zal huwen, zooals Mrs. Reizardt waarschijnlijk is, al is ook alles waar, wat gij zegt. Mij dunkt hij mag hooger op zien. Het is in geen geval wenschelijk, dat uw eenige broeder, Lord Valetowers, een onbekende, misschien een parvenu, en weduwe huwt, zei Milady.
— Maar naar alles wat Algy zegt, is dit meer waarschijnlijk, dan gij een van beiden meent; en ik weet dat hij te huis altijd zeer knorrig en onaangenaam is, en dat gij hem altijd de schuld geeft van ons gebrek aan geld, om ergens heen te gaan. Wat hij ook deed onze positie zou moeilijk en onaangenamer worden, verklaarde Maud kalm.
— Maar ik zie toch ook niet in, dat wij het beter zouden krijgen als hij Mrs. Reizardt huwde, sprak Lady Valetowers kortaf. Wat mij betreft, ik geef nimmer mijn toestemming.
— Dan trouwt hij er zonder, dat is alles mama zei Maud; een lief, beschaafd vrouwtje, zou misschien een goeden invloed op hem hebben, en dat heeft hij wel noodig.
— Het is treurig om te zien, hoe weinig liefde gij voor uw broer voelt, Maud, merkte Milady op.
Mau Valetowers had tennaastenbij gelijk, met hetgeen zij zei; zij kende het humeur en karakter van haar broer zeer goed. Zij zag dat hij meer épris was van Beatriee Reizardt dan noch ooit met een andere dame het geval was, en wist tevens, dat de toestemming harer moeder van geen gewicht voor den kleinen Lord was, die volstrekt niet van haar afhankelijk, van het uur zijner geboorte tot nu toe, stelselmatig door haar was bedorven, terwijl zijn zusters steeds gedwongen waren, hun vermaken en wenschen op te geven, als ze in strijd waren met zijn wil, daarvoor was haar belooning van zijn kant algeheele onverschilligheid en zelfzucht. Want zonder wroeging maakte hij zich meester van alle baar geld, behalve de som bestemd voor het huishouden, alhoewel hij er geen recht op had, en hij hield allen steeds in spanning dat hij iemand beneden zijn stand zou huwen, dat gezelschap was hem het liefst. Dus was Mrs. Reizardt, voor zoover men wist, toch altijd beter dan vroegere minnaressen.
Hij wendde voor, en wat meer is voelde ook een zekere mate van genegenheid voor zijn jongste zuster, die zij op haar beurt beantwoordde; daarom had hij haar gedeeltelijk, in zijn vertrouwen genomen, wat Beatrice Reizardt betreft, zoodat Maud eenigszins op de hoogte zijner wensehen was. Wat haar zelf betreft, was zij door de schoonheid van Beatrice bij hun eerste ontmoeting geheel verblind.

VII

De zomerschemering nam toe; sterren schenen door de boomen van Netherwood, en hun schoone meesteres lag noch op haar sopha bij het venster, en beschouwde ze droomend; zij was niet geheel blind voor hun schoonheid; niet ongevoelig voor den zang der nachtegalen, die juist in een boom, dicht bij het huis waren beginnen te zingen.
De lamp verspreidde maar een twijfelachtig licht, en Beatrice deed haar uiterste best, om tusschen haar eerzuchtige wenschen, ten opzichte van haar adelijken minnaar ook aan teedere gevoelens een plaatsje in te ruimen. Het gelukte haar misschien eenigszins, maar zij bestonden toch alleen in haar verbeelding.
Zij stelde zich hem voor, meer zooals zij hem wenschte dan zooals hij werkelijk was; en deze pogingen vermaakten haar en hielden haar eenigen tijd bezig.
Beatrice Reizardt had zeven en twintig jaar van haar leven gesleten, zonder dat haar hart ook zelfs een zweem van vriendschap gevoeld had, veel minder van liefde; en zij vroeg zich kalm af, waarin dat gevoel zou bestaan; of zij dat haar leven lang nooit zou ondervinden, en eindelijk bepaalde zij vastberaden dat, zoo ooit, nu die tijd van zooveel genot en angst tevens, voor de deur stond.
Toen zij huwde, voelde zij voor haar echtgenoot eer afkeer dan liefde; maar zij stond alleen, zonder vrienden in de wijde wereld, dat was haar verontschuldiging, en toen hij gewoon aan haar schoonheid, haar onbeschoft behandelde verfoeide zij hem evengoed, als den kring waarin hij haar tusschenbeide bracht. De smerige, naakte vloer van een [ko]ud huis ia de stad, was een treurige ruil zelfs voor het sombere, stille klooster, waarin zij zoovele jaren harer jeugd had gesleten, en noch meer voor het afwisselende, bedrijvige leven in het Hotel Seville, waar zij vooral door haar kennis van de Engelsche taal een oude nicht, aan wie het toebehoorde, bijstond, en waar zij het eerst Mr. Reizardt zag en boeide. Mr. Reizardt, ijdel als hij was, verbeeldde zich dat het geld, hetwelk hem zoo na aan het hart lag, voldoende zijn zou om van zijn vrouw een Engelsche milady te maken. Met schrik dacht zij aan haar doorgebracht Engelsch leven; nu was het als een droom verdwenen. De toekomst zou haar slechts zonneschijn geven, en zij zegende het lot, dat haar wachtte en dat haar niet kon ontgaan.
In zeker opzicht, waren haar gebreken de schuld van anderen. Zonder liefde was zij opgevoed, had nimmer de beteekenis van het woord dankbaarheid leeren kennen, en was ongevoelig voor den zegen het te kunnen uitspreken.
Zij wilde niet verkeerd handelen, maar men had haar niet geleerd goed te doen; haar sterkste hartstocht was tot nu toe geweest, zelfverdediging tegenover de vele beleedigingen en grieven die men haar aandeed; maar nu waren zij voorbij en bijna vergeten, en in den laatsten tijd had zij zich toegelegd op de kunst om te behagen aan hen die zij wilde bevallen; ten volle overtuigd van haar schoonheid, en met hoogen dunk van haar positie, was deze taak niet moeilijk. Een onbepaalde wensch, om iets beters te doen of te zijn, bekroop haar tusschen beide maar hij bleef te zwak en onbepaald, om ten uitvoer, gebracht te worden. Zorg voor haar zelf en haar eigen genoegens, nam al haar tijd weg.
Mrs. Wilson sluimerde in de schemering, en Beatrice was verdiept in gepeins, toen de stem van haar gezellin haar deed opschikken.
— Lieve, sta snel op; daar is Lord Valetowers, Marie brengt hem naar de zijkamer of misschien komt hij regelrecht hier heen.
— En waarom zou ik snel opstaan? als ik u vragen mag, sprak Beatriee kalm.
Mrs. Wilson met haar ouderwetsche ideés meende dat geen dame bezoek kon ontvangen, liggende op een kanape zoo zij niet ongesteld was, en Beatriee was dit niet. Eensklaps werd de portière, die het boudoir van de zijkamer scheidde, opengeslagen, en een welbekende stem vroeg:
— Mag ik binnen komen? Gij gaaft mij onlangs hiertoe verlof, anders had ik het niet gewaagd u heden die gunst te vragen, en in een oogenblik boog Lord Vale towers zich over zijn aangebedene, drukte zacht haar teedere vingers in zijn hand, terwijl de bloem op haar borst zoowel als de geur van haar kapsel hem bedwelmde.
— Wat komt gij laat! Ik had u al opgegeven.
— Dus hebt gij aan mij gedacht? vroeg hij op gedempten toon. Waarlijk, ik zou hier reeds sedert lang geweest zijn; maar mijn moeder had bezoek, en ik kon niet weg. Nu zelfs is zij woedend, omdat ik heen gegaan ben.
— Wist zij dat gij naar mij toe gingt? vroeg Beatrice met argwaan.
— Waarschijnlijk raadde zij het; maar het kan mij niet schelen, of zij het al of niet doet.
— Ik vrees, dat gij geen zeer onderdanige zoon zijt.
— Een man kan zijn geheel leven door niet aan den leiband gaan. Dat is het ergst van een huis met veel vrouwen; zij willen altijd dat een man naar hun pijpen danst.
— Gij zijt niet zeer galant tegenover onze sekse, zei Beatrice lachend.
— Wel zeker ben ik het, sprak de Lord; maar gij weet niet hoezeer mijn moeder en zusters mij soms hinderen, bekende hij meer waar dan beleefd. Zij meenen het goed, dat weet ik wel, voegde hij er vergoelijkend bij.
Eenige oogenblikken later verliet Mrs. Wilson de kamer.
— Den Hemel zij dankt riep de Lord uit, toen zij buiten het gehoor was, nu zijn wij ten minste alleen! Beatrice, waarom moet die vrouw ons altijd bespieden? Zij merkte op, dat hij haar voor de eerste maal bij haar doopnaam noemde, en een gevoel van zegevierenden trots kwam op in haar borst; maar zij sloeg haar heldere oogen tot hem op, en hij sloeg de zijne neer.
— Vergeef mij! Uw naam vloeide onverwacht over mijn lippen, omdat hij altijd mijn gedachten bezig houdt, sprak hij. Gij zijt er immers niet boos om?
— O, neen, ik ben er niet verstoord over, gaf zij op zachten toon ten antwoord. Om u de waarheid te zeggen ik heb zoo weinig bloedverwanten of zelfs vrienden gehad, dat mijn eigen naam mij vreemd in de ooren klinkt.
— En toch is het zulk een schoone, zei Lord Valetowers galant.
— Maar zeg mij eens, waarom hebt gij zulk een afschuw van mijn oude vriendin Mrs. Wilson? Waarom mag zij niet bij ons zijn? vroeg Beatrice.
— O, ik heb een hekel aan alle oude vrouwen; zij hinderen altijd, en zij zit daar ons aan te kijken, als een oude kat, die op een muis loert.
Mrs. Reizardt toonde zich niet verder beleedigd, over zijn hekel voor haar gezellin; Lord Valetowers won zich koortsachtig op. Hij zocht te vergeefs al zijn moed te vergaderen, om zijn aangebedene ten huwlijk te vragen, en als hij op het punt stond dit te doen, fluisterde de voorzichtigheid hem toe, dat het noch beter was het uit te stellen. Hij was niet volkomen zeker van zijn zaak, en het was wijzer zijn betrekkingen te huis eerst zachter te stemmen voor zijn plannen. Hij wilde in geen enkel opzicht toegeven, maar alles zou aangenamer en beter gaan, als er geen hinderpalen in den weg stonden. En Beatrice hielp hem volkstrekt niet. Zij lag op haar kanape uitgestrekt, en speelde tusschenbeide met een grooten Spaanschen waaier, die zelden uit haar handen was.
— Mrs. Reizardt, vroeg Lord Valetowers eensklaps, terwijl hij zijn stoel dicht bij haar trok, bewijs mij een gunst, ik weet wel dat ik ze niet moest vragen, maar ik kan het niet laten, dat is de waarheid. Wij worden nu oude vrienden niet waar?
Zij richtte zich op, en bedekte haar gelaat met de handen. Zij dacht dat het gewichtige oogenblik was aangegebroken en kon niet wensehen, dat hij noch langer zou dralen.
— Eerst moet ik uw wensch hooren, voor den tijd kan ik niets toestaan, sprak zij langzaam.
— Mag ik, als wij alleen zijn — tusschenbeide meen ik — u Beatrice noemen? Het is zulk een schoone naam.
— Is dat alles? vroeg zij verlicht. Nu dat is gean groote gunst, maar toch moet ik ze weigeren. Wat zou uw moeder en vrienden, zelfs mijn oude vriendin denken?
— Denken! Het hindert ons niet, wat zij denken? Zij kunnen denken, wat ik hoop dat spoedig iedereen weten zal; zij wist nu dat zij het spel had gewonnen.
— Maar gij zijt nu zoo koel, zoo geheel anders dan gij placht te zijn. Gij houdt mij op zulk een afstand. Ik heb u nooit zoo gezien. Gij weet niet hoe ongelukkig gij mij maakt; en waarlijk het smalle, burgerlijk gelaat, met zijn dun rood haar, zag er zeer ongelukkig uit; het doffe licht was er gunstig voor.
— Ik denk er niet aan, sprak zij zacht, u of iemand ongelukkig te maken. Zoo het u gelukkig maken kan; noem mij dan heden avond Beatrice, maar later niet meer.
Toen toonde hij zich verrukt, en dankte haar vurig. Hij wist dat als eens deze zaak was toegestaan, de vergunning niet kon worden ingetrokken.
— Beatrice, welke ring is dat, die aan uw derden vinger schittert? vroeg hij vol achterdocht. Het is die, welke mijn moeder onlangs zag, en zoozeer bewonderde. Over dezen ring en een tafel, die zij hier zag, spreekt zij voortdurend; het is een antiquiteit, en de oude dame dweept met zulke zaken.
— Wel waarschijnlijk, ik heb zooveel ringen, en den gelijke snuisterijen. Het is een kostbare, dat geloof ik ook; mijn echtgenoot gaf hem mij; hij hield dien in hooge waarde; — het laatste gedeelte van wat ze zei, was waar, niet het eerste. — Hij is zoo nauw, det ik hem moeilijk kan afleggen.
— En ik zie hem gaarne waar hij nu is, zei hij, toen stak hij zijn hand uit, en zij was genoodzaakt haar eigen, zachte, blanke met den schitterenden saffier in de zijne te leggen; hij sloeg geen acht meer op den ring; maar hiel haar hand vast, drukte ze zacht, en voordat het haar gelukte ze los te maken, had hij ze aan zijn lippen gedrukt.
— Lord Valetowers, het is reeds zeer laat, ik moet u wezenlijk weg zenden, sprak zij half opstaande, toen stond hij ook op, draalde noch een oogenblik; hij, zoowel als zij zelf, wilde vermijden dat er een smet viel op den naam der toekomstige Lady Valetowers.
— Wanneer mag ik terug komen? vroeg hij.
— Wanneer gij wilt. Ik ben niet gewoon de bezoeken mijner vrienden te beperken, zei ze glimlachend. Maar Donderdag dineer ik bij de familie Greville, en op Vrijdag geloof ik bij uw moeder.

Wordt vervolgd.