Naar inhoud springen

Jugurtha/1

Uit Wikisource
Voorbericht Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet

I-X

XI-XX
Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings.

[ 1 ]

JUGURTHA.



I.

Ten onrechte beklagen de menschen de zwakheid en kortstondigheid van hun bestaan, waarover het geluk meer macht schijnt uit te oefenen dan de deugd. Integendeel, als men er wel over nadenkt, is er niets hoogers en uitstekenders dan de mensch, en is het meer de ijver, die aan de menschelijke natuur te kort komt, dan tijd of kracht. Het leven van den mensch is onderworpen aan de leiding en heerschappij van den geest is deze geneigd den weg der deugd, die naar den roem leidt, te bewandelen, dan is hij uit zich zelf vrij, machtig en roemrijk, en heeft geen behoefte aan de fortuin, die eerlijkheid, vlijt en andere goede eigenschappen niemand geven of ontnemen kan. Is de geest daarentegen slaaf van booze hartstochten, overgegeven aan indolentie en wellust, dan krijgt, als voor een poos de lage zinnelijkheid bevredigd is, en krachten, tijd en vernuft door werkeloosheid zijn te gronde gegaan, de zwakheid onzer natuur de schuld, en schrijven zij, die [ 2 ]zichzelf te gronde richten, alles toe aan de omstandigheden. Indien de menschen zich evenveel moeite gaven voor het nuttige, als zij het onverschillige, nuttelooze en dikwijls gevaarlijke najagen, zouden zij minder door de fortuin beheerscht worden, dan haar zelf beheerschen, en er in slagen, hoewel stervelingen, door den roem onsterfelijk te worden.



II.

De mensch is een vereeniging van ziel en lichaam; zoo zijn ook onze eigenschappen en begeerten af hankelijk, gedeeltelijk van ons lichaam, gedeeltelijk van onze ziel. Schoonheid, rijkdom, lichaamskracht en dergelijke gaan spoedig te gronde; de werken van den geest zijn onsterfelijk als de ziel zelve. Gaven, die afhangen van lichaam en geluk, hebben een begin en een einde: op geboorte volgt dood, en op bloei verval; de ziel, onverderfelijk, eeuwig, beheerscheres van den mensch, bestuurt en omvat alles, en is zelve aan niets onderworpen; des te meer moet men zich verwonderen over de laagheid der lieden, die zich overgeven aan lichamelijk genot, en hun leven doorbrengen in weelde en werkeloosheid, terwijl zij hun geest, het beste en edelste wat de stervelingen bezitten, in onwetendheid en luiheid laten weg zinken. En toch zijn er zoo veel geestesoefeningen, waardoor men roem kan behalen!


[ 3 ]

III.

Onder deze middelen, evenwel, kwam mij het najagen van openbare betrekkingen en commandos, in één woord de toewijding aan de openbare zaak, in dezen tijd zeer ongewenscht voor, daar men de deugd niet beloont, en zij die door oneerlijke middelen hun doel bereiken, daardoor evenmin veilig als gezien zijn. Door geweld zijn vaderland en stamgenooten te beheerschen, is moeilijk zelfs als men slaagt, en misbruiken in den Staat weg kan ruimen; vooral daar alle omwentelingen op den voet gevolgd worden door moord, verbanning en verdere gewelddadigheden. Te vergeefs te worstelen en zich alleen af te sloven om haat te oogsten, is waanzin: indien men ten minste niet bezeten wordt door de booze en gevaarlijke neiging, aan de macht van eenige weinigen zijn eigen goeden naam en vrijheid op te offeren.



IV.

Onder de overige bezigheden, waarmede de geest zich onledig kan houden, is geen nuttiger dan de studie der geschiedenis. Velen hebben over dit punt uitgeweid, en ik zal er dus over zwijgen, teneinde mij niet in verdenking te brengen, van mij zelf, uit eigenliefde, door den lof der studie, waaraan ik mij gewijd heb, te willen verheffen. Er zullen er gevonden worden, geloof ik, die omdat ik besloten heb mijn leven door te brengen zonder [ 4 ]mij met de publieke zaak in te laten, mijn ernstigen en nuttigen arbeid zullen uitmaken voor nietsdoen. Natuurlijk zijn deze personen de zelfde, die gelooven dat de gewichtigste bezigheid daarin bestaat, dat men iederen burger persoonlijk toespreekt, en door het geven van maaltijden zich aanhangers wint. Indien zij wilden bedenken, in welke omstandigheden ik openbare ambten bekleed heb, welke mannen er toen niet in slaagden die te veroveren, en welk soort van lieden sedert in den Senaat plaats nam, zullen zij van oordeel zijn, dat ik om goede redenen en niet uit indolentie, mijn levensdoel gewijzigd heb, en dat mijn private werkzaamheid meer nut kan stichten voor het algemeen, dan de politieke bezigheid van anderen. Zooals ik vaak heb hooren verhalen, plach ten Q. Maxumus. P. Scipio en andere in de geschiedenis van onzen Staat beroemde mannen, te zeggen, dat bij den aanblik van de beelden[1] hunner voorouders, geestdrift voor de deugd hun ziel overmeesterde. Het was en de gelaatstrekken waren het niet die zulk een aantrekkingskracht bezaten, maar bij het herdenken van de roemruchtige daden der voorouders, ontvlamde de ziel dier groote mannen, en kwam niet tot rust voor dat hun deugd den naam en roem der voorouders geëvenaard had. Wie is er thans, onder de tegenwoordige zeden, te vinden, die niet liever door rijkdom en verspilling, dan door eerlijkheid en vlijt met zijn voorouders wedijvert? Zelfs de nieuwelingen, die vroeger beproefden den adel door hun [ 5 ]verdiensten te overtreffen, pogen thans door intrigue en roof, eerder dan door eerlijke middelen, commandementen en eerambten te veroveren, alsof pretuur, consulaat en dergelijke waardigheden in zich zelf heerlijkheid en pracht hadden, en niet werden beoordeeld naar de eigenschappen van hen, die er mede bekleed zijn. Doch het verdriet en de walging, die de openbare zeden mij inboezemen, doen mij afdwalen en te zeer teruggaan. Ik keer tot mijn onderwerp terug.



V.

Ik ga den oorlog verhalen van het Romeinsche volk met den Numidiër-koning Jugurtha: vooreerst omdat de krijg moeilijk en bloedig, de overwinning lang twijfelachtig was, en dan, omdat men bij die gelegenheid voor het eerst zich verzet heeft tegen de aanmatigingen der aristocratie. Het was deze twist, die, na alle goddelijke en menschelijke wetten onzeker te hebben gemaakt, tot zulk een razernij steeg, dat alleen een oorlog en de verwoesting van Italië aan de burgerlijke oneenigheden een einde konden maken. Maar vóór ik het eigenlijk begin der gebeurtenissen verhaal, zal ik een weinig teruggaan ten einde den loop der zaken klaarder en helderder uitéén te zetten.

Gedurende den tweeden Punischen oorlog, toen Hannibal, als veldheer der Carthagers, voor het eerst sedert Rome machtig was geworden, de hulpbronnen van Italië [ 6 ]had uitgeput, had Masinissa, koning der Numidiërs, als bondgenoot aangenomen door P. Scipio (denzelfden wien zijn overwinningen den bijnaam Africaner verwierven) vele en roemruchtige krijgsbedrijven verricht. Uit erkentelijkheid had, na de nederlaag van Carthago, en de gevangenneming van Syphax, wiens rijk toen in Afrika geducht en uitgebreid was, het Romeinsche volk de steden en landen die het veroverd had, zijn bondgenoot ten geschenke gegeven. De nuttige en eervolle vriendschap van Masinissa bleef ons steeds getrouw. De dood maakte aan de eenheid van zijn rijk een einde. Zijn zoon Micipsa slaagde er eerst in het rijk geheel te bezitten, toen zijn broeders Mastanabal en Gulussa door ziekte waren weggenomen. Micipsa had tot zonen Adherbal en Hiëmpsal en liet Jugurtha, zoon van zijn broeder Mastanabal, (dien Masinissa, daar hij zoon van een bijwijf was, als privaat persoon behandeld had) tegelijk met zijn eigen zonen in zijn paleis opvoeden.



VI.

Toen deze tot een jonkman aangroeide, krachtig gebouwd, schoon van aangezicht, maar vooral buitengewoon schrander, liet hij zich niet door weelde en werkeloosheid ontzenuwen, maar oefende zich, naar 's lands gewoonte, in het paardrijden, speerwerpen, wedloopen met jonge lieden van zijn leeftijd; met dat gevolg, dat zijn naam boven allen uitblonk, en hij tevens zich bij iedereen be[ 7 ]mind maakte; een groot gedeelte van zijn tijd bracht hij door met jagen, en was steeds de eerste of onder de eersten, als het gold den leeuw of andere wilde dieren te treffen. In één woord, hij deed veel, en sprak weinig over zich zelven. In het begin verheugde Micipsa zich hierover, verwachtend, dat de groote gaven van Jugurtha zouden bijdragen tot den roem van zijn rijk. Maar later, toen Jugurtha, als jong man, meer en meer gezien werd, terwijl Micipsa-zelf bij het toenemen der jaren slechts twee jonge kinderen had, werd hij door dezen staat van zaken zeer getroffen en begon ernstig na te denken. Hij overlegde, vol vrees, hoe de menschelijke natuur tot heerschzucht geneigd is en bereid, zich door de begeerte te laten medeslepen; welk een gelegenheid zijn leeftijd en die zijner kinderen aanbood, zoo dat zelfs een gewoon man zich door hoop op gewin kon laten verlokken; daarbij kwam de neiging der Numidiërs tot Jugurtha, zoodat hij vreesde, dat, indien hij den jongen man door list van kant liet maken, er een opstand of burgeroorlog zou kunnen uitbreken.




VII.

Te midden van deze moeilijkheden, oordeelend dat hij, door geweld noch hinderlagen, een bij het volk zoo gezien man uit den weg kon ruimen, besloot hij, daar Jugurtha dapper en op militairen roem belust was, hem bloot te stellen aan gevaren, en zoo de fortuin te [ 8 ]beproeven. De Numantijnsche oorlog was uitgebroken, en Micipsa was verplicht het Romeinsche volk met ruiterij en voetvolk bij te staan; hopende dat Jugurtha bij het ten toon spreiden van zijn moed of door de woeste dapperheid des vijands gemakkelijk zijn einde zou vinden, stelde hij hem aan het hoofd der Numidiërs, die hij naar Spanje zond. Maar de uitslag was geheel verschillend: Jugurtha, even scherpzinnig als energiek, doorgrondde weldra het karakter van P. Scipio, die toen het Romeinsche leger commandeerde, en den aard der vijanden; steeds werkzaam, steeds oplettend, bovendien steeds onderworpen en gehoorzaam, zich vaak blootstellend aan gevaren, verwierf hij zich weldra zulk een naam, dat hij bij de onzen zeer gezien en bij de Numantijnen meer dan iemand gevreesd werd. Wat men vooral moeilijk vereenigd vindt, hij was dapper in het gevecht, en beleidvol in den raad: ofschoon gewoonlijk voorzichtigheid overslaat tot vreesachtigheid, en stoutmoedigheid tot roekeloosheid. Het gevolg was, dat de bevelhebber bijna in alle moeilijke gelegenheden Jugurtha gebruikte, hem onder zijn vrienden telde, zich iederen dag meer aan hem hechtte, daar hij met iemand te doen had, wiens raadslagen nimmer feil waren, wiens ondernemingen nooit mislukten. Hierbij kwamen zijn vrijgevigheid, en zijn vernuft, eigenschappen waardoor hij zich onder de Romeinen veel vrienden maakte.


[ 9 ]

VIII.


Er waren toen in ons leger verschillende personen, nieuwelingen zoowel als edelen, die meer gehecht waren aan rijkdom, dan aan deugd en eerlijkheid, raddraaiers te Rome, invloedrijk bij de bondgenooten, meer schitterend dan braaf, die den reeds niet weinig heerschzuchtigen Jugurtha nog meer ontvlamden door hem te verzekeren, dat hij, na den dood van Micipsa, zonder twijfel alleen koning van geheel Numidie zou worden: hij zelf, zeiden zij, was er begaafd genoeg voor, en te Rome kon men met geld alles gedaan krijgen. Na de verwoesting van Numantië, toen P. Scipio besloten had de hulptroepen weg te zenden en zelf huiswaarts te keeren, beloonde en prees hij Jugurtha in prachtige termen, vóór het geheele leger en geleidde hem daarna in zijn veldheerstent, waar hij hem onder vier oogen op het hart drukte, liever de vriendschap van het Romeinsche volk in het algemeen dan die van privaatpersonen te zoeken; hij waarschuwde hem tegen de gewoonte aan sommige personen geschenken te geven: het was gevaarlijk van enkelen te koopen, wat alleen de menigte kon geven. Wilde hij voortgaan op den ingeslagen weg, dan zouden roem en heerschappij hem van zelf ten deel vallen; overhaastte hij zich, dan zou hij door zijn eigen omkooperijen zich te gronde richten.


[ 10 ]

IX.


Na hem aldus te hebben toegesproken, en hem een brief voor Micipsa te hebben medegegeven, zond hij hem weg. De inhoud van den brief kwam hierop neder: „ Uw Jugurtha blonk in den Numantijnschen oorlog boven allen door dapperheid uit: ik weet dat dit U verheugen zal. Bij ons heeft hij zich door zijne verdiensten zeer bemind gemaakt; wij zullen doen wat wij kunnen, opdat hij evenzoo door den Senaat en het Romeinsche volk geliefd worde. Ik wensch U, als vriend, daarmede geluk. Gij hebt in Jugurtha een man, uwer en zijn grootvader Masinissa waardig." Toen de koning aldus wat hij reeds uit het gerucht vernomen had, door den brief van den veldheer bevestigd zag, veranderde hij, door de dapperheid even als door het aanzien van Jugurtha bewogen, zijn vroeger plan, en beproefde hem door weldaden te winnen: hij nam hem aanstonds aan als zijn zoon, en stelde hem in een testament tot erfgenaam aan, tegelijk met zijn eigen zonen. Eenige jaren later, door ouderdom en ziekte uitgeput en zijn einde voelende naderen, sprak hij Jugurtha toe, in tegenwoordigheid van zijn vrienden en bloedverwanten, van Adherbal en Hiëmpsal: naar men zegt ongeveer in deze woorden:



Χ.


„Gij waart nog een kind. Jugurtha, toen ik U, na den dood van uw vader, zonder vooruitzichten, zonder [ 11 ]hulpmiddelen, als erfgenaam heb aangewezen, overtuigd dat ik U door deze weldaden, niet minder dierbaar zou zijn dan mijn eigen kinderen, indien ik er had, en ik vond mij daarin niet bedrogen. Nog onlangs (over andere groote en roemrijke daden zwijg ik) hebt gij, van Numantia terugkeerend, mij en mijn rijk met roem overdekt, en door uw dapperheid de Romeinen, reeds met ons bevriend, ten nauwste aan ons verbonden; in Spanje hebt gij de eer onzer dynastie hernieuwd. In één woord: gij zijt er in geslaagd te doen wat stervelingen het zwaarst valt: gij hebt den nijd door roem overwonnen. Thans, nu de natuur een eind maakt aan mijn leven, spoor ik U aan, bezweer ik U bij deze hand, bij uw koninklijke trouw, dat gij hen bemint die door het bloed uwe verwanten, door mijn weldaad uw broeders zijn, en vermijdt een bondgenootschap met vreemden te stellen boven de vriendschap met bloedverwanten.

Noch legers, noch schatten beschermen tronen, maar vrienden, die men niet door wapenen behoeft te dwingen of door goud te winnen: goede diensten en trouw zijn hiertoe voldoende. Wie is beter vriend dan een broeder, en op welk vreemdeling zult gij kunnen bouwen, indien gij U uw naasten tot vijanden maakt? Ik laat U een rijk na, krachtig indien gij elkander behulpzaam, zwak indien gij voor elkander hardvochtig zijt. Eendracht vergroot kleine, tweedracht vernietigt groote rijken. Het is uw plicht. Jugurtha, die doorjaren en ondervinding de rijpste zijt, meer noch dan uw broeders te zorgen, dat mijn verwachtingen niet beschaamd worden. In ieder geschil heeft de sterkste, zelfs in[ 12 ]dien hij de beleedigde partij is, juist omdat hij machtiger is, den schijn van den beleediger te zijn. Gij, Adherbal en Hiëmpsal, begunstigt en eert een man als dezen: wedijvert met hem in dapperheid, en doet wat gij kunt, opdat niet van mij gezegd worde, dat de zoon dien ik aannam uitmunt boven de zonen die ik teelde."


  1. De huizen der Romeinsche edelen waren versierd met de portretten, meestal in was, der voorouders. Deze reeksen beelden vervingen de moderne genealogieën.
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Jugurtha/1&oldid=201684"