Jugurtha/10
| ← LXXXI-XC | Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet | CI-CXIV → |
| Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings. |
[ 121 ]
XCI.
Gedurende den marsch had hij iederen dag een ge deelte van het vee aan het leger overgeleverd, met bevel het onder de centurieën en eskadrons gelijkelijk te verdeelen, en gezorgd dat uit de huiden zakken werden
gemaakt: op die wijze voorzag hij in het gebrek aan graan, en liet, hoewel ieder onkundig bleef van het doel, de waterzakken gereedmaken die weldra noodig zouden zijn. Den zesden dag, toen men bij de rivier was aan gekomen, was een groote hoeveelheid zakken gereed. Een licht verdedigd kamp werd opgeworpen; Marius geeft bevel, dat de soldaten hun maal zullen gebruiken en bij zonsondergang uit zullen trekken; zij moesten alle bagage laten liggen en zichzelf en de lastdieren alleen met waterzakken belasten. Toen hij oordeelt, dat het oogenblik gekomen is, verlaat hij het kamp, en houdt eerst halt na den geheelen nacht doorgemarscheerd te hebben. Den volgenden nacht handelt hij evenzoo, komt den derden nacht, lang voor zonsopgang, in een heuvelachtige streek aan, niet meer dan twee mijlen van Capsa verwijderd, en blijft daar, zoo verborgen mogelijk, met al zijn troepen wachten. Zoodra het daglicht aanbrak en de Numidiërs, geen aanval vreezend, in groot aantal zich buiten de stad begeven hadden, laat hij de geheele ruiterij en de snelste voetknechten naar Capsa rennen, en de poorten bezetten. Hij zelf volgde hen stipt op den voet, en liet den soldaten niet toe aanstonds te plunderen. Toen de burgers bemerkten wat er gaande was, dwong alles, — de verwarring, de vreeselijke angst, [ 122 ]de onvoorziene ramp, het feit dat een gedeelte der bur gers buiten de muren reeds in des vijands macht was, hen tot capitulatie. Niettemin werd de stad in brand gestoken, de manbare Numidiërs over de kling gejaagd, alle andere verkocht, en de buit onder de soldaten verdeeld. Deze schennis van het oorlogsrecht was geen gevolg van hebzucht of wreedheid des consuls, maar moet toegeschreven worden aan de overweging dat de plaats voor Jugurtha nuttig, voor ons nagenoeg ontoegankelijk, de inlanders wankel en trouweloos waren, noch door vrees, noch door weldaden te bedwingen.
XCII.
Nadat Marius dit gewichtig wapenfeit, zonder eenig verlies van de zijde van zijn troepen, [had ten einde gebracht], werd hij, vroeger reeds beschouwd als groot en beroemd, nu nog grooter en beroemder; alle, zelfs zijn' weinig overlegde maatregelen, werden hem als verdiensten aangerekend; de soldaten, onder een zachte discipline geplaatst, en door buit verrijkt, verhieven hem ten hemel; de Numidiërs vreesden hem alsof hij meer dan een sterveling was; in één woord, bondgenooten en vij anden geloofden dat zijn geest goddelijke kracht bezat, of alles wat hij deed hem door den wil der Goden vooraf werd geopenbaard. De consul, na dezen gelukkigen aanslag, valt andere steden aan, neemt eenige weinige ondanks den tegenstand der Numidiërs, en steekt [ 123 ]een groot aantal in brand, die door de bewoners, voor het ellendig lot van Capsa bevreesd, waren [verlaten]; alles is vol jammer en bloedvergieten. Na zich van een groot aantal plaatsen te hebben meester ge maakt, in verscheidene gevallen zonder dat iemand van zijn leger gewond was geworden, waagt hij een andere onderneming, die niet dezelfde soort van zwarigheden aanbood als die tegen Capsa, maar niet minder moeilijk was.
Niet ver van de rivier Muluccha, die het rijk van Jugurtha van dat van Bocchus scheidde, lag, midden in een vlakte, een rotsachtige berg, wiens top juist ruim genoeg was voor het plaatsen van een burcht van middelmatige grootte; de zeer hooge rots bezat slechts één nauwen toegang tot de vesting; al het overige was steil, alsof het door menschenhand en uit overleg was afgehouwen. Van deze plaats, die de schatten des konings bevatte, wenschte Marius zich met alle geweld meester te maken. Het toeval diende hem ditmaal beter dan de taktiek. In het kasteel waren genoeg manschappen en wapenen, een groote hoeveelheid graan, en een waterbron; de gelegenheid der plaats liet niet toe, schansen, evenhoogen en dergelijke werktuigen op te richten; de weg waar de burchtzaten van gebruik maakten, was zeer nauw, aan beide zijden ingesloten door steile [rotsen (?)], zoodat de met het grootste gevaar voortbewogen katten vruchteloos waren: zoodra zij een weinig naar voren waren geschoven, werden zij door vuur of steenen onbruikbaar gemaakt; de soldaten konden wegens het ongunstige terrein vóór de werktuigen geen stand houden, [ 124 ]en onder de katten niet zonder levensgevaar werkzaam zijn; de dappersten vielen, of werden gekwetst, de overigen daardoor afgeschrikt.
XCIII.
Marius, na veel tijd en arbeid verspild te hebben, begon zich, bezorgd, af te vragen, of hij de onderneming moest opgeven, daar alle moeite toch vergeefs was, of op de fortuin wachten, die hem reeds dikwijls goede diensten had bewezen. Terwijl hij zoo vele dagen en nachten besluiteloos en onrustig doorbracht, gebeurde het dat een Liguriër, gewoon soldaat uit een der cohorten van bondgenooten, het kamp verliet om water te halen, en niet ver van de flank van het kasteel, gelegen achter die waar gevochten werd, slakken tusschen de rotsen zag kruipen; hij greep er een, twee, een groot aantal, en klom zoo, al zoekende, bijna tot den top van de rots. Toen hij bemerkte dat alles verlaten was, drong de lust, moeilijkheden te overwinnen, den mensch aangeboren, [hem steeds verder]. Door een gelukkig toeval had zich hier juist tusschen de rotsen een groote steeneik genesteld, beneden schuin, verder naar boven gebogen en de hoogte zoekend zooals alle boomen. De Liguriër, dan eens op de takken, dan eens op de uitstekende rotspunten steunend, slaagde er in, het plateau der vesting te bereiken, daar de aandacht van alle Numidiërs gevestigd [ 125 ]was op den aanval. Na alles waarvan hij partij meende te kunnen trekken, in oogenschouw genomen te hebben, keert hij langs denzelfden weg terug, niet zooals bij zijn opstijgen, op goed geluk, maar alles onderzoekend en om zich heen alles opnemend. Hij haast zich Marius te bezoeken, verhaalt wat hij gedaan heeft, moedigt hem aan van den kant dien hij beklommen had, een aanval op het kasteel te wagen, en belooft zelf als gids bij den tocht en het gevaar tegenwoordig te zullen zijn. Marius zond met den Liguriër eenige van de personen die hij bij zich had, ten einde zich van de waarde van diens beloften te over tuigen. Naar ieders karakter werd bij hun terugkomst de zaak moeilijk of gemakkelijk geoordeeld. De moed van den consul werd evenwel een weinig opgewekt: uit de trompet- en hoornblazers koos hij vijf van de lenigste, en, ter bescherming, vier centurios; hij geeft hun last, in alles den Liguriër te gehoorzamen, en bepaalt den volgenden dag voor hun tocht.
XCIV.
Toen het bij bevel aangegeven oogenblik was aangebroken, vertrekt hij, na alles gereed gemaakt en geregeld te hebben, naar de bestemde plaats. De centurios hadden, op bevel van den veldheer, van wapenen en uit rusting gewisseld; hoofd en voeten waren onbedekt, ten einde te gemakkelijker om zich heen te kunnen zien en [ 126 ]op de rotsen klimmen; op den rug droeg ieder zwaard en schild, het laatste volgens Numidisch model, van leder, ten einde het gewicht te verminderen en het geraas bij iederen schok te matigen. De Liguriër klom vooruit, en hechtte strikken aan de rotsen en oude wortels, die mochten uitsteken, waardoor de soldaten opgelicht, gemakkelijker konden klimmen. Van tijd tot tijd steunde hij met zijn arm de mannen die de ongewone beklimming al te zeer verschrikte; was de helling al te sterk, dan zond hij ze, ontwapend, één voor één vooruit om naderhand zelf met de wapenen te volgen; de bezwaarlijk te beklimmen punten beproefde hij eerst zelf, door herhaaldelijk op en af te stijgen, en ging dan uit den weg staan, na aldus aan de anderen moed te hebben gegeven. Na lange en zware vermoeienissen komen zij ten slotte in het kasteel aan, aan dien kant verlaten, daar allen, evenals de vorige dagen, tegen den vijand in de weer waren. Toen Marius door de boden van de door den Liguriër verkregen resultaten verwittigd was, nadat hij den ganschen dag de, slechts aan het terugslaan van zijn aanval denkende. Numidiërs te wederstaan had gehad, sprak hij de soldaten toe, verliet zelf de kat, liet de soldaten met opgeheven en aaneengesloten schilden oprukken en tevens den vijand van verre door de blijden, boogschutters en slingeraars teisteren. De Numidiërs, die reeds dikwijls de katten der Romeinen omvergeworpen en verbrand hadden, hadden de bescherming die de wallen der vesting hun aanboden, versmaad, en legerden zich dag en nacht vóór de muren: daar wierpen zij den Romeinen beleedigingen naar het hoofd, ver[ 127 ]weten Marius zijn dwaasheid, bedreigden onze soldaten met slavernij onder Jugurtha, waren door voorspoed overmoedig geworden. Terwijl allen, de Romeinen en hun tegenstanders, woedend doorstreden, met den grootsten moed aan beide zijden kampend, de eenen voor roem en heerschappij, de anderen voor hun behoud, werd plotseling van achteren trompetgeschal gehoord: eerst vluchtten de vrouwen en kinderen, die het gevecht waren komen bijwonen, daarna de mannen die het dichtst bij den muur geplaatst waren, ten slotte al de anderen, gewapend en ongewapend. Zoodra dit bemerkt wordt, dringen de Romeinen des te heftiger voorwaarts, werpen den vijand overhoop, ofschoon de groote meerderheid slechts gekwetst werd, en banen zich een weg over de lijken der verslagenen; slechts aan roem denkend, wedijveren zij wie het eerst den muur zal bereiken; niemand liet zich door de gelegenheid tot plundering ophouden. Zoo baarde de toevallig ten goede gekeerde roekeloosheid van Marius voor hem, in plaats van schande, roem.
XCV.
Onderwijl komt L. Sulla als quaestor in het kamp, met een groote menigte ruiterij; ten einde deze uit Latium en de landen der bondgenooten bijeen te brengen, had men hem te Rome achtergelaten. Daar wij melding hebben moeten maken van zulk een buitengewoon man, [ 128 ]schijnt het gepast hier iets te zeggen over zijn karakter en vorming; te meer daar wij niet voornemens zijn elders over Sulla te spreken, en L. Sisenna, de beste en welsprekendste van al de geschiedschrijvers die dit on derwerp behandeld hebben, mij toeschijnt zeer weinig vrijmoedig zijn meening te hebben gezegd.
Sulla was van adel, gesproten uit een patricisch geslacht, maar de tak, waartoe hij behoorde, was bijna vergeten, ten gevolge van de werkeloosheid van zijn voor ouders; in de grieksche en latijnsche letterkunde was hij ervaren als de beste; zijn ziel was groot, begeerig naar genot en nog meer naar roem; in zijn vrijen tijd haakte hij naar zinnelijke genoegens; evenwel hield de wellust hem niet af van het werkzaam leven; alleen was zijn gedrag in huwelijkszaken niet onberispelijk; hij was welbespraakt, sluw en gemakkelijk in den omgang; on doorgrondelijk wanneer hij er belang bij had te veinzen, vrijgevig in alles, en vooral in geldzaken; hij was vóór de overwinning, door hem op zijn eigen medeburgers behaald, degeen wien het geluk het meest begunstigde, en toch was zijn fortuin nooit grooter dan zijn inspanning; zoodat velen twijfelden wat meer te bewonderen: zijn energie of zijn geluk. Wat zijn handelingen na zijn ik weet niet of het schaamte of overwinning betreft walging is, die mij belet er over uit te weiden.
[ 129 ]
XCVI.
Sulla, zooals wij boven zeiden, in Africa en in het kamp van Marius met de ruiterij aangekomen, werd, hoewel tot op dat oogenblik onwetend en onervaren in oorlogszaken, binnen kort de meest geschikte van allen. Hij had bovendien de gewoonte de soldaten vriendelijk toe te spreken, bewees veel weldaden, veel op verzoek, andere uit eigen beweging, nam ze ongaarne aan, maar gaf ze dan sneller dan geleend geld terug, vorderde van niemand een wederdienst, en zorgde vooral dat het grootst mogelijk aantal lieden aan hem verplichtingen had. Jok en ernst wisselde hij met de nederigste personen; bij den bouw der versterkingen, bij marschen, bij de wachtposten was hij dikwijls aanwezig; hij vermeed, zooals gemeenlijk bij lage ambitie het geval is, de goede faam van den consul of van iemand anders aan te tasten, maar waakte er alleen voor dat niemand in raad of daad hem voorbij streefde, en muntte zelf uit boven de meesten. Door deze eigenschappen en kunstgrepen wist hij zich spoedig gezien te maken, bij Marius zoowel als bij de soldaten.
XCVII.
Jugurtha, na de stad Capsa en andere versterkte plaatsen, die hem dienstig waren, en groote schatten verloren te hebben, zond zendelingen aan Bocchus, om hem te verzoeken zoo spoedig mogelijk met troepen naar [ 130 ]Numidië te komen: het was tijd, slag te leveren. Toen hij vernam dat gene aarzelde en weifelend de kansen van vrede en oorlog berekende, kocht hij opnieuw de vertrouwden van den koning door geschenken om, en belooft aan den Moorenkoning het derde deel van Numidië, indien de Romeinen uit Africa verdreven, of vrede gesloten werd, zonder dat Jugurtha's grondgebied verminderd wordt. Door
deze beloften verlokt, voegt Bocchus zich met een groot leger bij Jugurtha. Na hun beider leger vereenigd te hebben, vallen zij Marius, op marsch om de winterkwartieren te betrekken, nauwlijks één uur voor zonsondergang, op het lijf, hopend dat de nacht, die weldra invallen zou, hen in geval van nederlaag zou verbergen, in geval van overwinning hen niet zou hinderen, daar zij de plaats kenden, terwijl voor de Romeinen in beide gevallen de duisternis een groote hindernis zou zijn. Op het oogenblik zelf dat de Consul van verschillende zijden van den aanmarsch des vijands verwittigd werd, waren de vijanden-zelf daar, en voordat de troepen in orde geschaard konden worden, de bagage af- en op een hoop werpen, voordat zij een signaal of een order ontvangen konden, rennen de Mooren en de Gaetuliërs, te paard, niet in gelederen of in slagorde, maar bij hoopen, zooals het toeval hen bijeen had gebracht, op de onzen in. Allen zijn door een plotselinge paniek in verwarring gebracht, maar, aan hun oude dapperheid indachtig, nemen zij evenwel de wapenen op of verdedigen tegen den vijand hun kameraden die zich evenzoo wapenen; sommigen stijgen te paard, trekken den vijand te gemoet; het gevecht gelijkt meer op den aanval eener rooverbende dan op [ 131 ]een geregelden slag; zonder veldteekenen, zonder orde vluchten ruiters en voetknechten dooreen, of worden neergesabeld; velen, die tegen hun vijanden hardnekkig kampten, worden in den rug aangevallen; dapperheid noch wapenen helpen, daar de vijanden talrijker waren dan de onzen, en van alle zijden aandrongen. Ten laatste besloten de Romeinen die[1]... en daarom met den oorlog vertrouwd waren, zooals de plaats of het toeval hen bijeen had gebracht, carrés te vormen, en slaagden er zoo in, van alle zijden te gelijk beschermd en in orde gerangschikt, de macht der vijanden te wederstaan.
XCVIII.
Te midden van deze netelige omstandigheden was Marius in het minst niet verschrikt of meer dan vroeger ontmoedigd; maar met zijn persoonlijke garde, die hij meer uit de dappersten, dan uit de langst bekenden gekozen had, trok hij heen en weêr, kwam zijn worstelende soldaten te hulp, of viel den vijand aan, waar hij het dichtst aaneengesloten stond; met zijn hand gaf hij aan de soldaten wenken, daar hij bij de algemeene verwarring geen bevelen kon geven. De dag was reeds ten einde, en de barbaren beginnen nog niet te wijken, en volgens bevel der koningen, en daar zij verwachten, dat [ 132 ]de nacht in hun voordeel zou zijn, is hun aanval zelfs heviger. Op dat oogenblik vindt Marius in de omstandigheden een redmiddel, en bezet, teneinde den zijnen een toevluchtsoord te verschaffen, twee naast elkander gelegen heuvels; de eene heuvel, niet groot genoeg voor een kamp, bezat een aanzienlijke waterbron, de andere was voor een kampement geschikt, daar hij, voor een deel zich hoog boven de vlakte verheffend en steil, slechts weinig versterkingen behoefde. Hij geeft aan Sulla last met de ruiterij bij de bron den nacht door te brengen. Hij zelf vereenigt de verstrooide soldaten trouwens, de vijand was niet minder in wanorde langzaam in één corps, en voert ze met stormpas den top van den heuvel op. De koningen, door de moeilijkheden van het terrein gedwongen, geven den strijd op, maar laten hun troepen niet ver wegtrekken; zij hielden stand na de beide heuvels door de er om heen gelegerde troepen te hebben laten omsingelen. Talrijke vuren worden aangestoken, en een groot deel van de nacht gaan de barbaren voort, naar hun gewoonte, vreugde te bedrijven, te pralen, te schreeuwen; de veldheeren zelf, overmoedig geworden, omdat zij ditmaal niet gevlucht waren, namen de houding van overwinnaars aan. De Romeinen, te midden der duisternis op hun hoogten gelegerd, zagen dit schouwspel aan, en werden er zeer door opgewekt.
[ 133 ]
XCIX.
Marius, uit de onhandigheid der vijanden moed put tend, geeft bevel, dat ieder een diep stilzwijgen zal bewaren; hij verbiedt zelfs dat zooals gewoonlijk gedurende de nachtwaak, trompet-signalen worden geblazen. Zoodra de dag aanbrak, op het oogenblik dat de vijanden uitgeput en juist ingeslapen waren, krijgen de schildwachten en de gezamenlijke trompetters der cohorten, troepen en legioenen, bevel, hoorngeschal te doen hooren; de soldaten moeten hun krijgsgeschreeuw aanheffen en uit de poorten snellen. De Mooren en Gaetulen, door het onbekende en vreeselijke geraas plotseling opgewekt, konden noch vluchten, noch de wapenen opnemen, in één woord niets doen en niets voorzien: zoozeer had te midden van het geraas, geschreeuw, terwijl niemand te hulp kwam, en de onzen van alle zijden voortdrongen, door de paniek en de angst, de algemeene schrik de afmetingen van een zinsverbijstering aangenomen. Het geheele leger werd uitéén- en op de vlucht gedreven; wapenen en talrijke veldteekenen werden genomen, het aantal dooden was aanzienlijker dan in al de vorige veldslagen; de slaap en de paniek hadden voor een groot deel de vlucht onmogelijk gemaakt.
[ 134 ]
C.
Marius was begonnen [naar de winterkwartieren te marscheeren][2], waartoe hij de zeehavens had gekozen met het oog op de proviandeering. De overwinning had hem niet zorgeloos of overmoedig gemaakt, maar, alsof onder de oogen van den vijand, liet hij zijn leger in carré oprukken. Sulla was met de ruiterij op de rechter flank geplaatst, links was A. Manlius, met de slingeraars en boogschutters; hij kommandeerde bovendien de Ligurische cohorten. In de voor- en achterhoede waren de tribunen met de lichtgewapende voetknechten. De Numidische overloopers, aan wier leven men het minst hechtte, maar die het land goed kenden, gingen de marschen des vijands na. De Consul, alsof er geen onderbevelhebber was, zorgde voor alles, was bij alles tegenwoordig, prees en berispte naar verdienste. Zelf gewapend en oplettend, noopte hij de soldaten, evenzoo te zijn. Niet minder dan op marsch, was hij vol zorg als het gold, het kamp te versterken, bij de poorten van het kamp cohorten der legioenen, vóór het kamp ruiterij uit de hulpbenden te plaatsen, anderen op de wal in wachtposten te stellen, zelf de wachten rond te gaan, niet zoozeer uit wantrouwen dat zijn orders uitgevoerd zouden worden, als met het doel de soldaten gewilliger te maken tot het vervullen van hun taak, die voor den veldheer even zwaar was als voor hen. Het is zeker dat Marius op dit en op andere oogenblikken van den Ju[ 135 ]gurthijnschen oorlog, de tucht in zijn leger meer door eergevoel dan door straffen handhaafde. Velen beweerden dat deze handelwijs het gevolg was van jacht op populariteit, anderen dat de van kindsbeen aangewende harde levenswijs en andere ontberingen, die men gewoonlijk ellende noemt, voor hem een genoegen waren: in ieder geval werd de Staat er even goed door gediend als door de strengste discipline.