Naar inhoud springen

Jugurtha/11

Uit Wikisource
XCI-C Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet

CI-CXIV

Geografische namen
Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings.
[ 135 ]

CI.


Den vierden dag, niet ver van Cirta, trekken de op verkenning uitgezonden mannen van alle kanten zich op het hoofdkorps terug, teeken dat de vijand nadert. De uit verschillende richtingen terugkeerende verspieders gaven ieder van zijn kant hetzelfde te kennen, zoodat de consul, niet wetend naar welken kant hij zijn leger in slagorde zou keeren, besluit, zonder iets aan de slagorde der troepen te veranderen, op de plaats zelve, op alles voorbereid, den vijand af te wachten. Zoo werd de hoop van Jugurtha verijdeld, die zijn troepen in vier richtin gen had laten oprukken, verwachtend, dat op die wijze één afdeeling van zijn leger den vijand in den rug zou vallen. Sulla, onderwijl, die het eerst met den vijand slaags was geraakt, had de zijnen toegesproken, en zelf met een deel der ruiterij, hoopsgewijze en zorgend de paarden zooveel mogelijk aaneengesloten te houden, de Mooren aangevallen; de overigen hielden stand, ontweken de uit [ 136 ]de verte geworpen lansen, en doodden de vijandelijke ruiters die in hun handen vielen. Terwijl de ruiterij zóó vecht, valt Bocchus met de voetknechten, die zijn zoon Volux juist had medegebracht en die, onderweg opgehouden, niet bij den vorigen slag tegenwoordig waren geweest, de Romeinsche achterhoede aan. Marius was toen in de voorhoede, daar hij wist dat dáár Jugurtha met een sterke troepenmacht den aanval leidde. Maar de Numidiër, zoodra hij de komst van Bocchus verneemt, voegt zich stil, met eenige weinige volgelingen, bij de infanterie. Daar roept hij in het Latijn — taal die hij te Numantië had leeren spreken — den onzen toe, dat hun strijd nutteloos was, daar Marius, kort te voren, door zijn hand gedood was; tevens toonde hij een bloedig zwaard, dat hij in het gevecht in het bloed van een door hem snel afgemaakten Romeinschen voetknecht, gedoopt had. Onze soldaten worden ontzet, terneder geslagen, meer door het ontzettende der tijding in zich zelf, dan door het vertrouwen dat de verhaler verdiende: de barbaren worden aanstonds stoutmoediger en vallen de van hun stuk gebrachte Romeinen heftiger aan. Een paniek was nabij, toen Sulla, na de tegenover hem geplaatste troepen geslagen te hebben, terugkeert en de Mooren in de flank aanvalt. Bocchus wordt aanstonds tot wijken gebracht. Jugurtha, op het oogenblik dat hij de zijnen steunen en de reeds bijna behaalde overwinning behouden wil, wordt door ruiters omsingeld, zijn makkers worden links en rechts gedood; hij zelf slaagt er in, onder een regen van vijandelijke werpspiessen te ontkomen, en er zich door heen te slaan. Onderwijl drijft [ 137 ]Marius de ruiterij op de vlucht en komt de zijnen te hulp, van welke hij reeds wist dat zij begonnen te wijken. Ten slotte was de vijand overal geslagen: het schouwspel dat het slagveld op dat oogenblik aanbood, was afschuwelijk: overal vervolging, vlucht, slachting, gevangenneming, paarden en manschappen ter aarde geworpen; velen, zwaar gewond, kunnen evenmin vluchten als stil blijven liggen, pogen op te staan en vallen aanstonds neder; zoover de blik reikte, was alles bestrooid met lansen, wapenen, lijken, en daar tusschen de grond beplast met bloed.



CII.


Van dit oogenblik af kon de consul als overwinnaar beschouwd worden; hij bereikte de stad Cirta, doel van zijn tocht. Daar kwamen, den vijfden dag na den tweeden door de barbaren verloren slag, gezanten van Boc chus aan, die, in door den koning opgegeven termen Marius verzochten, dat hij hem twee van zijn meest vertrouwde raadslieden zoû zenden; hij wenschte over zich en over de belangen van het Romeinsche volk te onderhandelen. Marius geeft aan L. Sulla en A. Manlius last te gaan. Ofschoon dezen door den koning geroepen kwamen, behaagde het hun het eerst hem toe te spreken, ten einde zijn gemoed, indien vijandig, gunstig te stemmen, indien vredelievend, nog meer in dien zin aan te moedigen. — Sulla, wien Manlius, lettend op zijn wel[ 138 ]sprekendheid, niet op zijn jaren, den eerrang had afgestaan, sprak eenige woorden, ongeveer op deze wijze: „Koning Bocchus, wij verheugen ons zeer dat de Goden een man als U op het denkbeeld hebben gebracht liever vrede dan oorlog te willen, en dat gij niet langer uw deugd door de betrekking met den ellendigen Jugurtha wilt zien verontreinigen; dat gij ons tevens ontheft van de bittere noodzakelijkheid tegelijk uw dwaling en zijn schelmstukken te achtervolgen. Het Romeinsche volk heeft, reeds van het begin van zijn macht, liever vrienden dan slaven gezocht en het veiliger geacht aan gewillige bondgenooten dan aan gedwongen onderdanen te gebieden. Geen bondgenootschap kan gunstiger voor U zijn, dan het onze: vooreerst omdat wij ver van U af zijn gelegen, zoodat er weinig gelegenheid tot twist is, en dezelfde voordeelen alsof wij dichtbij waren; dan omdat wij reeds genoeg onderdanen hebben, maar wij noch iemand anders ooit genoeg vrienden kunnen hebben. Het ware te wenschen dat gij van den beginne van deze meening geweest waart; gij zoudt van het Romeinsche volk veel meer blijken van gunst ontvangen hebben dan thans blijken van vijandschap. De Fortuin beheerscht een groot deel der menschelijke zaken: het heeft haar behaagd U beide onze vijandschap en onze gunst te doen ondervinden. Thans, nu zij U de gelegenheid er toe geeft, haast U en ga voort op den ingeslagen weg. Gij hebt thans vele en gunstige gelegenheden om uwe fouten door uwe diensten te doen vergeten. Prent dit denkbeeld in de ziel, dat het Romeinsche volk onovertroffen is in het bewijzen van weldaden. Wat het door wapenen vermag, weet gij genoeg." [ 139 ]

Het antwoord van Bocchus is welwillend en vriendelijk; hij voegt er eenige verontschuldigingen bij van zijn fouten: hij had niet uit vijandschap, maar om zijn rijk te verdedigen de wapenen opgenomen. Het deel van Numidië, waaruit hij Jugurtha met de wapenen verdreven had, was, volgens oorlogsrecht, zijn bezit geworden; hij had niet kunnen dulden dat dit gebied door Marius verwoest werd; hij had vroeger gezanten naar Rome afgevaardigd, en men had hem het bondgenootschap geweigerd. Overigens wilde hij het gebeurde laten rusten; weldra, indien Marius het toeliet, zou hij gezanten naar den Senaat afvaardigen. —Maar gedurende dit uitstel werd de opinie van den barbaar wederom gewijzigd door vrienden, die Jugurtha, zoodra hij kennis droeg van de zending van Sulla en Manlius, vreezend wat er werd beraamd, had omgekocht.



CIII.


Marius, na de troepen in de winterkwartieren gelegerd te hebben, was met de lichte cohorten en een deel der ruiterij naar de woestijn gemarscheerd, ten einde den Koningstoren, waar Jugurtha al de overloopers in bezetting gelegd had, te belegeren. Bocchus had wederom, hetzij uit nadenken over het profijt dat de twee verloren veldslagen hem aangebracht hadden, hetzij vermaand door andere vrienden, die Jugurtha nog niet had omkocht, uit al zijn vertrouwden vijf gekozen wier trouw [ 140 ]beproefd en wier scherpzinnigheid bekend was. Hij geeft hun bevel als gezanten eerst naar Marius en daarna, indien deze het goedkeurt, naar Rome te gaan. Hij geeft hun volle vrijheid om te onderhandelen en hoe dan ook aan den oorlog een einde te maken. Zij vertrekken snel naar de Romeinsche winterkwartieren, maar worden op weg door Gaetulische roovers omsingeld en uitgeplunderd. Bevreesd en in een jammerlijken toestand zoeken zij een toevlucht bij Sulla, dien Marius, naar zijn expeditie vertrekkend, als onderbevelhebber had achtergelaten. Deze behandelt hen niet, zooals zij verdiend hadden, als vijanden op wie geen staat was te maken, maar met zorg en vrijgevigheid. De gezanten krijgen hierdoor den indruk, dat de beschuldiging van hebzucht, die men den Romeinen aanwrijft, valsch is, en dat Sulla, die hen met weldaden overlaadt, hun vriend is. Toen nog was omkooping een velen onbekende zaak, men dacht niet dat iemand vrijgevig was dan uit wezenlijken goeden wil; alle geschenken werden aangemerkt als bewijzen van ware vriendschap. Zij deelen den quaestor de door Bocchus medegegeven instructies mede; zij verzoeken hem, hen bij te staan als beschermer en raadsman; zij weiden in hun rede uit over de hulpmiddelen, goede trouw, macht, van hun koning, en andere zaken, die hun zending bevordelijk konden zijn of welwillendheid doen verwerven. Sulla belooft hen in alles te zullen helpen, en wijst hun aan hoe zij Marius en later den Senaat moeten toespreken; zij blijven aldaar ongeveer veertig dagen wachten.


[ 141 ]

CIV.


Marius komt onverrichterzake te Cirta terug, en wordt op de hoogte gesteld van de komst der gezanten. Hij geeft aan hen en aan Sulla bevel, uit Utica zich bij hem te vervoegen, evenals aan den praetor L. Billienus en aan al de waar ook [in Africa] aanwezige Senatoren. Met deze personen neemt hij kennis van de instructies van Bocchus. De consul geeft den gezanten verlof, naar Rome te gaan; tevens werd een wapenstilstand bedongen. Deze voorwaarden behagen Sulla en de meerderheid; eenige weinigen wilden harder eischen stellen, — lieden die den loop der menschelijke zaken niet kennen, en hoe deze, bewegelijk en vluchtig, steeds een anderen gang nemen. Van de Mooren vertrekken er drie, na alles wat zij verlangden verkregen te hebben, naar Rome, met Cn. Octavius Ruso, die, als quaestor, geld voor de soldij naar Africa gebracht had; twee keeren naar den koning terug. Van hen verneemt Bocchus wat is voorgevallen, en vooral met genoegen de vriendschap en ijver van Sulla. Te Rome wordt aan de afgezanten, die tot verontschuldiging verklaarden, dat de koning zich vergist en door de boosaardigheid van Jugurtha gedwaald had, en het sluiten van een overeenkomst van vriend- en bondgenootschap vroegen, aldus geantwoord: „ Senaat en volk van Rome zijn indachtig aan weldaden zoowel als beleedigingen. Het misdrijf van Bocchus is hem, na zijn berouw, vergeven; bondgenoot- en vriendschap zullen hem worden toegestaan, als hij ze verdiend zal hebben."


[ 142 ]

CV.

Van deze onderhandelingen onderricht, had Bocchus een brief aan Marius gezonden, waarin hij verzocht dat men hem Sulla zou toezenden, onder wiens leiding men over de gemeenschappelijke belangen zou onderhandelen. Deze werd gezonden, met een dekking van ruiterij en voetvolk, benevens slingeraars uit de Balearische eilanden; daarbij waren boogschutters en een Paelignische cohorte, lichtgewapend, ten einde zoo snel mogelijk te marscheeren: men was door deze wapenen genoeg beschermd tegen de werptuigen der vijanden, daar deze geen zware gebruiken. Den vijfden dag van den marsch vertoonde zich plotseling Bocchus' zoon Volux, te midden van een vlakte, met niet meer dan duizend ruiters; deze, zonder orde en verspreid voortrijdend, deden Sulla en de anderen denken dat hun aantal grooter was dan in de werkelijkheid, en vreezen voor een aanval des vijands. Ieder maakt zich gereed, men beproeft de wapenen, richt de werptuigen; er was eenige vrees, maar grooter hoop, omdat men reeds overwinnaar was, en te strijden had met een vijand die reeds herhaaldelijk was geslagen. De op verkenning uitgezonden ruiters verhalen, zooals de waarheid was, dat er geen onraad was.


[ 143 ]

CVI.


Volux, naderend, roept den quaestor aan, en zegt hem dat hij door zijn vader Bocchus hun te gemoet en tot beleiding gezonden is. Dien en den volgenden dag gaan zij, zonder vrees, gezamentlijk verder. Toen het kamp opgeslagen en de avond gevallen was, komt plotseling de Moor met een ontsteld gelaat, geheel verschrikt bij Sulla, en zegt hem dat hij van de verspieders vernomen heeft, dat Jugurtha niet ver af is; hij smeekt, bezweert hem, met hem. Volux, midden in den nacht te vluchten. De ander antwoordt, vol moed, dat hij voor den zoo vaak geslagen Numidiër niet bevreesd is, en genoeg vertrouwt op de dapperheid van zijn troepen; zelfs indien zijn ondergang zeker was, zou hij liever blijven dan de soldaten wier bevelhebber hij was, verlaten en door een schandelijke vlucht een leven redden dat toch onzeker was en waaraan ieder oogenblik een eenvoudige ziekte een einde kon maken. Toen Volux hem evenwel den raad gaf nog dien nacht het kamp op te breken, keurt hij die aanwijzing goed, geeft aan de soldaten bevel aanstonds te eten en zich binnen het kamp te houden, zooveel mogelijk vuren aan te steken en gedurende de eerste nachtwaak zwijgend uit te trekken. Na een voor allen vermoeienden nachtelijken marsch was Sulla bezig bij zonsopgang het kamp op te slaan, toen de Moorsche ruiters aankondigden dat Jugurtha ongeveer twee mijlen verder den weg versperde. Zoodra dit bekend werd ontstond in ons leger een geweldige paniek; men geloofde zich verraden door Volux en van hinderlagen [ 144 ]omgeven. Er waren er die zeiden, dat men met het zwaard zijn verraad straffen en zulk een misdaad niet ongewroken laten moest.



CVII.


Sulla, ofschoon van dezelfde meening, beschermt den jongen Moor tegen geweld; hij bezweert de zijnen, zich dapper te gedragen; reeds dikwijls hebben weinige dapperen met goeden uitslag gestreden tegen groote menigten; naarmate zij zich in het gevecht minder spaarden, zouden zij veiliger zijn; een man die wapenen ter hand had, betaamde het niet, hulp te zoeken in zijn ongewapende voeten, en, door schrik overwonnen, zijn onverdedigden en blinden rug den vijand toe te keeren. Sulla, na den grooten Jupiter te hebben aangeroepen als getuige van den misdaad en de kwade trouw van Bocchus, geeft aan Volux, daar hij zich als vijand gedragen had, bevel, het kamp te verlaten. Deze smeekt hem, tranen stortend, zoo iets niet te gelooven; niets is geschied ten gevolge van een beraamden aanslag, maar door de slimheid van Jugurtha, die door zijn verspieders op de hoogte van de door hem te volgen marschen was. Daar Jugurtha bovendien geen groote macht bij zich had, en zijn hoop en hulpmiddelen alleen van zijn [Volux'] vader afhingen, geloofde hij dat hij geen openlijke vijandelijkheden zou durven wagen, op het oogenblik-zelf dat de zoon van Bocchus, als ooggetuige, aanwezig was. In [ 145 ]deze omstandigheden scheen het beste, openlijk door het kamp van Jugurtha heen te trekken. Volux zou, na zijn Mooren te hebben achtergelaten of vooruitgezonden, alleen met Sulla den weg vervolgen. — Deze raad werd goedgekeurd, als het beste wat men in de omstandigheden doen kon. Het leger breekt aanstonds op, en, daar het onverwachts opdaagde, liet Jugurtha, weifelend en aarzelend, het veilig voortmarscheeren; binnen weinige dagen was men ter bestemming aangekomen.



CVIII.


Daar verkeerde met Bocchus zeer vertrouwelijk een zekere Numidiër, Aspar genaamd, door Jugurtha vooruitgezonden, zoodra deze gehoord had dat Sulla ontboden was, als gezant, en als handig bespieder van Bocchus' raadslagen; tevens was er Dabar, zoon van Massugrada, en afstammeling van Masinissa, overigens van ongelijke geboorte door de vrouw — en zijn vader was de zoon van een bijwijf — en bij Bocchus, om zijn uitstekend karakter, zeer gezien en bemind. Bocchus wist sedert lang dat Dabar vertrouwd was met de Romeinen: hij zendt hem aanstonds naar Sulla om hem aan te kondigen, dat hij bereid was te doen wat het Romeinsche volk verlangde; tijd en plaats voor een gesprek moest hij zelf bepalen; in zijn onderhandelingen met hem is Bocchus geheel vrij; den gezant van Jugurtha moest hij [ 146 ]niet vreezen[1]......... (opdat) de gemeene belangen des te vrijer behandeld werden; hij had geen ander middel gevonden, om diens listen te ontwijken." Maar ik meen zeker te weten, dat Bocchus meer uit „ carthaagsche trouw" dan om de redenen die hij voorgaf, te gelijk den Romein en den Numidiër met de hoop op vrede bezig hield, en onderwijl in zich zelf overlegde, of hij Jugurtha aan de Romeinen dan wel Sulla aan Jugurtha zou verraden; zijn neigingen pleitten tegen, zijn vrees, vóór ons.



CIX.


Evenzoo antwoordt Sulla dat hij in tegenwoordigheid van Aspar zich zoo min mogelijk zal laten ontvallen, en de zaken in het geheim, zonder getuigen, of met zoo weinig getuigen als mogelijk, zal afdoen; tevens geeft hij aan, hoe men zal antwoorden [in tegenwoordigheid van Aspar]. Nadat zij bijeengekomen waren, zooals Sulla wilde, zegt hij dat de consul hem gezonden had om te vragen of de koning vrede of oorlog wilde. De koning, volgens de afspraak, geeft hem last, na tien dagen terug te komen; „ op dit oogenblik had hij nog niets besloten; op den bepaalden dag zou hij antwoorden." Ieder vertrekt [ 147 ]naar zijn kamp. Midden in den nacht laat Bocchus Sulla in het geheim bij zich brengen. Beiden gebruiken slechts vertrouwde tolken, en als bemiddelaar dient bo vendien Dabar, een braaf man en op wien beide partijen zich konden verlaten.

De koning heft aldus aan:



CX.


„Nooit had ik gedacht dat het zoover komen zou, dat ik, de eerste vorst van dit werelddeel, de eerste zelfs onder alle mij bekende vorsten, verplichtingen zou hebben aan een privaat man. En inderdaad. Sulla, heb ik voor ik U kende, velen geholpen op hun smeekheden, anderen uit eigen beweging, maar zelf niemands hulp noodig gehad. Dat het thans anders is, waarover anderen zich zouden bedroeven, is voor mij een heuchelijke gebeurtenis. De noodzakelijkheid Uw hulp in te roepen, kan ik slechts beschouwen als den prijs, waarvoor ik uw vriendschap verwierf, de grootste schat waarop mijn ziel zich kan beroemen. Neem er aanstonds de proef van: wapenen, manschappen, geld, wat gij ook wilt, neem het, gebruik het; geloof niet, zoolang gij leeft, dat ik ooit uwe weldaden, zal hebben vergolden: mijn dankbaarheid zal steeds dezelfde zijn; geen uwer wenschen zal, ben ik er van verwittigd, onvervuld blijven. Naar mijn meening is het voor een vorst minder onteerend in de wapenen dan in vrijgevigheid overtroffen te worden. — [ 148 ]Wat de belangen van uw Staat betreft, als wiens zaakgelastigde gij hierheen zijt gezonden, slechts eenige woorden. Het Romeinsche volk heb ik nooit beoorloogd en het nooit willen doen: mijn grenzen heb ik tegen gewapende aanvallers met de wapenen verdedigd, de wapenen leg ik neder op het oogenblik, dat door U zulks verlangd wordt. Voert met Jugurtha oorlog zooals het U behaagt. Ik zal de rivier Muluccha, die de grens was tusschen mijn gebied en dat van Micipsa, niet overtrekken, en Jugurtha niet toelaten over die rivier mijn gebied te betreden. Indien gij andere voorwaarden vraagt, die mij en uwer waardig zijn, zullen ze niet worden afgeslagen."



CXI.


Hierop antwoordt Sulla, kort en bedaard zoover hem zelf betreft, maar sprak veel over den vrede en de belangen van beide partijen. Hij verklaart den koning dat de beloften die hij doet, door den Senaat en het Romeinsche volk, die in den krijg overwinnaars waren geweest, niet genadig werden aangenomen; hij moest iets doen waardoor het bleek dat hij meer hechtte aan hun belang dan aan het zijne; en dit was mogelijk, om dat hij Jugurtha in zijn macht had. Leverde hij hem uit, dan zou men de grootste verplichtingen hebben; vriendschap, traktaat van bondgenootschap, het deel van Numidië dat hij thans verzocht, zou hem dan van zelf [ 149 ]in den schoot vallen. — De koning weigerde eerst: aanhuwelijking, bloedverwantschap, bovendien een gesloten traktaat waren voor hem hinderpalen; hij vreesde bovendien dat zijn trouweloosheid ontevredenheid onder het volk ten gevolge zou hebben, dat Jugurtha beminde en de Romeinen haatte. Maar herhaaldelijk aangevochten, gaf hij eindelijk toe, en belooft alles te zullen doen volgens den wil van Sulla. De twee onderhandelaars nemen ten slotte de noodige maatregelen om een vredesonderhandeling te veinzen, naar welke de Numidiër, door den oorlog uitgeput, zeer verlangde. Nu aldus hun list geregeld te hebben, scheiden de twee onderhandelaars.



CXII.


Den volgenden dag roept de koning Aspar, den gezant van Jugurtha, en zegt dat hij door Dabar van Sulla weet, dat de oorlog door een traktaat kan ten einde gebracht worden; dat Aspar daarom de meening van zijn koning te weten moest komen. Deze vertrekt vol vreugde naar het kamp van Jugurtha. Door dezen van alles op de hoogte gesteld, keert hij, zoo snel mogelijk, na acht dagen bij Bocchus terug, en bericht hem, dat Jugurtha bereid was alles te doen wat men hem bevelen zou, maar Marius weinig vertrouwde; reeds vaak was voorheen de met Romeinsche veldheeren gesloten over eenkomst later nietig verklaard. Wilde Bocchus aan de moeilijkheden van beiden een einde maken en een geldig [ 150 ]traktaat doen sluiten, dan moest hij bewerken dat alle partijen, als voor een vredesonderhandeling, bijeen kwamen, en hem dan Sulla overleveren. Had hij eenmaal een zoo gewichtig persoon in zijn macht, dan zou een traktaat gesloten kunnen worden op gezag van den Senaat en het Romeinsche volk; men zou een man van hooge geboorte, die niet ten gevolge van zijn eigen lafhartigheid, maar bij behartiging van de belangen van den Staat in ' s vijands macht is geraakt, niet aan zijn lot overlaten.



CXIII.


De Moor, na veel in zich zelf te hebben nagedacht, beloofde ten slotte dat hij dit plan ten uitvoer zou brengen, was het list, of was zijn weifelen oprecht? Wij weten het niet. Maar de neigingen van een vorst zijn vaak even bewegelijk als heftig, dikwijls tegenstrijdig. Nadat tijd en plaats voor het gesprek bepaald waren, waarin men, als werd voorgegeven, over den vrede zou onderhandelen, liet Bocchus dan eens Sulla, dan eens den gezant van Jugurtha roepen, toonde beiden een vriendelijk gelaat en gaf aan beiden de zelfde beloften. De twee mannen waren gelijkelijk verheugd en vol goede verwachtingen. Maar in den nacht die voorafging aan den dag voor het gesprek bestemd, liet de Moor zijn vrienden komen, om ze aanstonds, van denkbeeld ver[ 151 ]anderend, weder weg te zenden; gedurig, zegt men, was hij in gepeins verzonken, terwijl zijn uiterlijk, zijn oogen, van uitdrukking te gelijk met zijn innerlijke aandoeningen veranderden, zoodat, ondanks zijn zwijgen, de geheime gedachten van zijn ziel zich openbaarden. Ten laatste laat hij Sulla komen, en verzint, naar diens aanwijzing, een hinderlaag om Jugurtha te vangen.

Toen de dag was aangebroken en men hem aankondigde dat Jugurtha nabij was, trekt hij met eenige vrienden en onzen quaestor, hem te gemoet, in de richting van een heuvel die door de in een hinderlaag gelegde soldaten gemakkelijk gezien kan worden. Op den zelfden heuvel begeeft zich Jugurtha met een talrijk gevolg, ongewapend, volgens de overeenkomst. Plotseling op een gegeven teeken wordt hij door uit de hinderlaag naar voren springende mannen aangevallen, het gevolg wordt afgemaakt, Jugurtha geboeid aan Sulla overgeleverd en door dezen naar Marius gebracht.



CXIV.


Terzelfder tijd werden onze veldheeren Q. Caepio en Cn. Manlius door de Galliërs geslagen. Een paniek deed geheel Italië sidderen. Van dien tijd af tot onze dagen bleef de meening der Romeinen, dat al het overige voor hun dapperheid gemakkelijk bukte, maar dat men met de Galliërs streed om het behoud van den Staat, niet [ 152 ]om roem. Maar toen men vernam, dat de oorlog in Numidië was geëindigd en Jugurtha geboeid naar Rome gebracht werd, werd Marius in zijn afwezigheid tot consul benoemd, en de provincie Gallië hem toegewezen. Den eerste Januari hield hij als consul met groote pracht zijn triomf. Te dier tijde werd hij beschouwd als de hoop en de voornaamste toevlucht van den Staat.




  1. Gaping in den tekst. Het vervolg toont aan dat Bocchus tweederlei bijeenkomst aan Sulla voorstelt: een openlijke, in tegenwoordigheid van Jugurtha's gevolmachtigde, en een geheime.
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Jugurtha/11&oldid=201825"