Naar inhoud springen

Jugurtha/2

Uit Wikisource
I-X Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet

XI-XX

XXI-XXX
Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings.
[ 12 ]

XI.


Op dit alles gaf Jugurtha, hoewel hij begreep, dat de koning veinsde en hij zelf geheel andere plannen koesterde, niettemin, zooals de omstandigheden het eischten, een welwillend antwoord. Eenige dagen later stierf Micipsa. Na hem met koninklijke pracht de laatste eer bewezen te hebben, kwamen de jonge vorsten bijeen, teneinde onder elkander de staatszaken te regelen. Hiëmpsal, de jongste van de drie, heftig van karakter en reeds vroeger vol minachting voor de lage geboorte van Jugurtha, die de zoon van een bijwijf was, plaatst zich rechts van Adherbal, teneinde Jugurtha te verhinderen zich in het midden van hun drieën neder te zetten, hetgeen bij de Numidiërs een eereplaats is. Ten slotte evenwel liet hij zich met veel moeite door de vermaningen van zijn broeder overhalen, zijn meerdere in jaren te eeren en aan de andere zijde plaats te nemen. Men ging toen over tot de behandeling der staatszaken, en Jugurtha sloeg onder meer voor, dat men alle besluiten en wetten der laatste vijf jaren krachteloos zou verklaren, daar Micipsa gedurende dien tijd door de jaren verzwakt, zijn volle geestvermogens niet bezeten [ 13 ]had. Hiëmpsal antwoordt, dat het voorstel hem toelacht: het was slechts drie jaren geleden, merkt hij op, dat Jugurtha in de koninklijke familie door adoptie was opgenomen. Deze uitlating drong door in het gemoed van Jugurtha, dieper dan men op het oogenblik gedacht zou hebben. Van dien tijd af, was hij door toorn en vrees buiten zich zelf: hij maakt plannen, treft voorbereidselen, en heeft slechts één doel voor oogen: Hiëmpsal in een hinderlaag te lokken Daar hij niet snel genoeg zijn doel bereikt en zijn haat niet tot bedaren komt, besluit hij, hoe dan ook, zijn plan ten uitvoer te brengen.



XII.


In de eerste samenkomst der jonge koningen, die ik zooeven vermeldde, was besloten, daar men het toch niet eens kon worden, de schatten te verdeelen, en ieder een gedeelte van het rijk aan te wijzen. Een tijdstip voor deze schikkingen werd bepaald, het eerst voor de verdeeling der gelden. De jonge koningen begaven zich, ieder van zijn kant, naar plaatsen in de nabijheid der schatkamers. Hiëmpsal koos bij toeval in de stad Thirmida tot verblijfplaats het huis van een man, die, als eerste dienaar van Jugurtha, bij dezen steeds gezien en bemind was geweest. Jugurtha haalt dezen man, een door het toeval aangewezen werktuig, door beloften over; draagt hem op, het huis als hem toebehoorend te bezoęken en zich valsche sleutels te verschaffen (de echte werden iederen avond aan Hiëmpsal gegeven): overigens [ 14 ]zou Jugurtha op het noodige oogenblik met sterk gevolg verschijnen. De Numidiër voert zijn order spoedig uit en laat, in het midden van den nacht, zooals hem gezegd was, de soldaten van Jugurtha binnen. Deze dringen het huis binnen, zoeken den koning, dooden de slapenden, zoowel als de personen die hen tegen het lijfloopen, onderzoeken alle schuilplaatsen, breken de deuren open, vervullen alles met schrik en ontzetting: onderwijl vindt men Hiëmpsal, verborgen in de hut eener slavin, waar hij, op het eerste gerucht, verschrikt en onbekend met de inrichting der woning, een schuilplaats had gezocht. De Numidiërs brengen zijn afgehouwen hoofd, volgens bevel, aan Jugurtha.



XIII.


De faam van deze afschuwlijke misdaad vervult weldra geheel Africa. Adherbal, en al de vroegere onderdanen van Micipsa, zijn met schrik geslagen. De Numidiërs verdeelen zich in twee partijen: de meesten volgen Adherbal, maar de beste krijgers Jugurtha. Deze brengt zooveel troepen op de been als hij kan, voegt steden, door geweld of tengevolge van vrije keuze der inwoners bij zijn gebied, en maakt zich gereed, geheel Numidië te beheerschen. Adherbal, die gezanten naar Rome had afgevaardigd, die den Senaat onderrichten moesten van den moord op zijn broeder gepleegd en van zijn eigen toestand, poogt evenwel, daar hij over een groot leger kan beschikken, zich gewapender hand te verdedigen. [ 15 ]Doch zoodra men handgemeen wordt, is hij genoodzaakt, na een nederlaag, van het slagveld de wijk te nemen naar de Romeinsche Provincie, en van daar naar Rome te vertrekken. Jugurtha, die zijn doel bereikt en zich meester van Numidië ziet, begint thans, nu hij tijd heeft over zijn misdaad na te denken, den toorn van het Romeinsche volk te vreezen, en begrijpt dat hij nergens steun kan vinden, dan in de hebzucht der edelen en zijn eigen schatten. Snel zendt hij afgezanten naar Rome, voorzien van veel goud en zilver, en geeft hunlast, zijn oude vrienden met geschenken te overladen, nieuwe te winnen, niet te dralen als het er op aankomt, zich wat dan ook door giften te verzekeren. Zoodra waren de gezanten niet te Rome aangekomen en hadden zij naar bevel van den koning groote geschenken uitgedeeld aan hun gastheeren en aan anderen, die toen in den Senaat in aanzien waren, of een algemeene omkeer had plaats: Jugurtha, tot dien tijd algemeen gehaat, werd het voorwerp van de gunst en de welwillendheid der edelen. Sommigen hunner door hoop op gewin, anderen door de ontvangst van geschenken gewonnen, kuipten zooveel zij konden bij den Senaat, teneinde te verhinderen dat ernstige besluiten tegen hem genomen werden. Zoodra de afgezanten zeker van hun zaak zijn, wordt een dag aangewezen en verschijnen beide partijen vóór den Senaat. Adherbal wordt gezegd aldus gesproken te hebben:


[ 16 ]

XIV.


Beschreven Vaders, mijn vader Micipsa heeft mij op zijn sterfbed op het hart gedrukt, dat ik het Numidische Rijk enkel als een mij toevertrouwd pand beschouwen zou; het eigendom en de soevereiniteit kwamen U alléén toe; ik moest pogen in vrede en oorlog het Romeinsche volk zoo nuttig mogelijk te zijn; U beschouwen als familieleden en verwanten: deed ik dit, dan zou de vriendschap van het Romeinsche volk voor mij meer waard zijn dan legers, rijkdommen, versterkingen. Terwijl ik mij gereed maakte om deze lessen van mijn vader te betrachten, berooft Jugurtha, de slechtste mensch, dien de aarde draagt, zonder zich te storen aan uw oppergezag, mij, kleinzoon van Masinissa, en reeds door mijn geboorte bondgenoot en vriend van het Romeinsche volk, van mijn rijk en van alles wat ik bezit. Wat mij aangaat. Beschreven Vaders, nu ik zoo diep in de ellende verzonken ben, wilde ik liever dat ik aan mijn eigen verdiensten dan aan die mijner voorouders kon herinneren. Vóór alles had ik gewenscht, dat het Romeinsche volk aan mij verplichtingen had, en ik niet genoodzaakt ware mij daarop te beroepen; vervolgens, dat ik, indien ik Uw hulp behoefde, die hulp kon inroepen als iets dat gij mij persoonlijk verschuldigd zijt. Maar de onschuld op zichzelf is machteloos; het hing niet van mij af welk een karakter Jugurtha zou hebben; en ik heb mij dus tot U gewend. Beschreven Vaders, zoodat ik, (toppunt van ellende!) genoodzaakt ben U tot last te strekken, vóór ik U een dienst kon bewijzen. Andere vorsten zijn, [ 17 ]overwonnen, door U als bondgenooten aangenomen; of hebben, door hun eigen nood gedrongen, uw hulp gezocht; onze dynastie heeft een verbond gesloten met het Romeinsche volk gedurende den Carthaagschen oorlog, op een oogenblik toen de eer van zijn vriendschap meer waarde had dan zijn geluk. Gij zult niet willen. Beschreven Vaders, dat ik, de afstammeling dier dynastie, de kleinzoon van Masinissa, vruchteloos bij U hulp zal hebben gezocht! Indien ik geen andere reden had, die te vragen, dan mijn ongeluk, dat mij, nog kort geleden een vorst, aanzienlijk door afstamming, naam en hulpmiddelen, dwingt, door het noodlot getroffen, van alles beroofd, bij vreemden hulp te zoeken, — dan nog zou de majesteit van het Romeinsche volk medebrengen, het onrecht te verhoeden, en te verhinderen, dat wie dan ook, zijn rijk door misdadige middelen vergroote. Maar ik ben uit het gebied geworpen, dat het Romeinsche volk aan mijn voorouders geschonken heeft, waaruit mijn vader en grootvader met uw bijstand Syphax en de Carthagers verdreven hebben. Het zijn uw weldaden, die men mij ontrukt. Beschreven Vaders, gij zelf zijt in minachting gebracht door het onrecht, dat mij geschiedt. Wee mij ellendige! Was dit dan het gevolg van uwe weldaden, o mijn vader Micipsa? Dat de man, dien gij te gelijk met uw zonen tot erfgenaam van uw rijk hebt benoemd, juist de vernietiger moest zijn van uw huis? Zal dan onze dynastie nooit rust hebben? Zal zij steeds moeten leven te midden van bloed, ijzer en ballingschap? Zoolang Carthago nog bestond was het natuurlijk dat alle rampen ons troffen: [ 18 ]de vijand was naast ons, gij, onze bondgenooten, veraf, en onze hoop alleen in de wapenen. Nadat die pest uit Africa is uitgeroeid, verwachtten wij, eenmaal gelukkig, niets dan vrede, daar wij geen vijand hadden, behalve wanneer gij er ons een aanweest. En nu verschijnt plotseling Jugurtha, optredend vol ondragelijke driestheid, boosaardigheid en trots; na den moord van mijn broeder, die te gelijk zijn bloedverwant was, wordt eerst diens rijk een prooi van zijn misdadigheid, daarna, toen hij mij niet in dezelfde hinderlagen kon vangen, bracht hij het zoover, dat ik, niets minder verwachtend dan geweld of oorlog, onder uw oppergezag geplaatst, evenwel zooals gij ziet uit mijn vaderland en woning gedreven, van alles beroofd en door rampspoéden overstelpt, overal elders veiliger ben dan in mijn eigen rijk. Ik dacht, Beschreven Vaders, dat het zoo was als ik mijn vader had hooren voorspellen: zij die uw vriendschap zorgvuldig onderhouden, waren tot groote offers verplicht, maar daarentegen meer dan anderen tegen aanvallen beveiligd. Wat onze dynastie kon doen, heeft zij gedaan: zij heeft U in alle oorlogen bijgestaan; dat wij in vredestijd veilig zouden zijn, is in uw hand, Beschreven Vaders. Onze vader stelde ons, twee broeders, aan als erfgenamen; en verwachtte dat Jugurtha, door zijn weldaden aan ons gehecht, de derde in den bond zou zijn. De eene van ons drieën is vermoord, en ik ontsnapte nauwelijks aan de goddelooze handen van den derde. Wat zal ik doen? Waarheen zal ik, ongelukkige, mij wenden? Alle steun van bloedverwanten is mij ontvallen. Mijn vader heeft, zooals noodzakelijk was, aan de natuur zijn tol betaald; mijn broe[ 19 ]der is van het leven beroofd door een bloedverwant, die de laatste moest zijn, die iets dergelijks ondernam. Verwanten, vrienden, al mijn naasten zijn door verschillende rampen getroffen: door Jugurtha gevangen genomen, zijn zij gedeeltelijk gekruisigd, gedeeltelijk den wilden dieren voorgeworpen; de weinigen die er het leven afbrachten, sleepen in duistere holen opgesloten, vol verdriet en wanhoop, een leven voort, erger dan de dood. Indien ik alles wat ik verloor, of dat in plaats van mij te steunen, zich tegen mij keerde, nog ter mijner beschikking had, dan nog zou ik u, Beschreven Vaders, te hulp roepen, indien ik door een onvoorzien ongeluk getroffen werd: de grootheid van uw Rijk legt U den plicht op alle rechten te beschermen, alle onrechtvaardige daden te straffen. Thans, uit mijn vaderland en huis verdreven, alleen en zonder eenig middel om mijn rang op te houden, waarheen zal ik mij keeren? Wien aanroepen? Volken of vorsten? Zij zijn allen ons huis vijandig sedert wij uw bondgenooten waren. Waar zal ik een land vinden, waar de vijandelijkheden van mijn voorouders geen talrijke sporen hebben nagelaten? En wie kan met ons me delijden hebben, die eenmaal uw vijand is geweest? Bovendien heeft Masinissa ons tot regel gesteld. Beschreven Vaders, dat wij niemand zouden aanhangen dan het Romeinsche volk; dat wij geen nieuwe verbintenissen of bondgenootschappen zouden aangaan; uw vriendschap alléén zou ons genoeg beschermen: wankelde de fortuin van uw Rijk, dan moesten wij met U te gronde gaan. Door uw eigen dapperheid en de hulp der Goden zijt gij machtig en rijk; alles loopt U mede, alles gehoor[ 20 ]zaamt U: des te gemakkelijker kunt gij U het onrecht van uw bondgenooten aantrekken. Dit alleen vrees ik, dat de persoonlijke vriendschap van Jugurtha, wiens karakter men niet genoeg doorgrondt, verscheidene personen op een dwaalweg gebracht zal hebben. Er zijn er, hoor ik, die al hun krachten inspannen; ieder van U afzonderlijk aanhalen en smeeken, teneinde te voorkomen, naar zij zeggen, dat een afwezige ongehoord gevonnisd worde: ik vertel sprookjes en speel de rol van vluchteling, terwijl ik veilig in mijn rijk kon blijven. Het ware te wenschen, dat ik hem door wiens goddelooze misdaad ik in deze ellende ben gestort, dezelfde rol kon zien spelen en dat gij of de Goden er toe kwaamt zich de menschelijke zaken aan te trekken: zoodat hij, die thans door zijn wandaden machtig en beroemd is, de gerechte straf kon ondergaan voor zijn ondankbaarheid jegens onzen vader, den moord mijns broeders en mijn eigen ellende! Broeder, geliefde van mijn ziel! Ofschoon het leven u te vroeg en door iemand, die U het meest moest eerbiedigen, ontnomen is, geloof ik toch, dat uw lot meer te prijzen dan te betreuren is. Het was geen koninkrijk, dat de dood U ontnam, maar vlucht, ballingschap, armoede en alle rampen, die mij ter neder drukken. Terwijl ik, ongelukkige, van den vaderlijken troon in zooveel ellende gestort, ten voorbeeld strek van de ongestadigheid der menschelijke zaken, onzeker wat ik doen zal: uw onrecht wreken, terwijl ik zelf behoefte heb aan hulp, of mij bekommeren over mijn koninklijke waardigheid, terwijl mijn leven of dood afhangt van giften van vreemden? Ik wenschte, dat het mij vergund ware door de dood een [ 21 ]eervol einde te maken aan mijn rampen en dat ik mij niet aan de algemeene minachting blootstelde, indien ik door het noodlot overwonnen, het onrecht liet triomfeeren. Thans kan ik evenmin gelukkig leven als eervol sterven. Beschreven Vaders; ik smeek U, in naam uwer kinderen, uwer bloedverwanten, in naam der majesteit van het Romeinsche volk, komt mij ellendige te hulp, stuit het onrecht, wilt niet dulden dat het rijk van Numidië, dat uw eigendom is, door misdaad en het bloedvergieten van ons huis te gronde gaat."



XV.

Nadat de koning zijn toespraak geeindigd had, antwoorden de gezanten van Jugurtha, meer op hun geschenken dan op hun goed recht vertrouwend met eenige korte opmerkingen. Volgens hen hadden de Numidiërs Hiëmpsal, over zijn wreedheid verbitterd, om het leven gebracht; Adherbal, die zelf den oorlog begonnen had, kwam, nu hij over wonnen was, zich beklagen, dat hij er niet in geslaagd was zijn bloedverwant te mishandelen; Jugurtha verzocht van den Senaat alleen, dat men hem niet anders beoordeelde dan men hem voor Numantië gekend had; dat men zich onthield van meer waarde te hechten aan de beschuldigingen van een vijand dan aan zijn eigen daden. Daarna verlaten beide partijen de raadzaal. De Senaat geeft aanstonds zijn meening te kennen. De aanhangers der gezanten en een groot deel van den Senaat, [ 22 ]door invloeden voor het onrecht gewonnen, slaan Adherbals woorden in den wind, verheffen de dapperheid van Jugurtha hemelhoog: intrigues, adviezen, alle mogelijke middelen worden door hen aangewend om de misdaad en de boosaardigheid van een vreemdeling te verheerlijken, alsof hun eigen roem op het spel stond. De weinigen, die meer hechtten aan eerlijkheid en rechtvaar digheid dan aan rijkdommen, oordeelden dat men Adherbal te hulp moest komen en Hiëmpsals dood streng straffen: vóór allen Aemilius Scaurus, een aristocraat, onvermoeid partijman, begeerig naar macht, eerambten en rijkdommen, maar zeer bekwaam in het verbergen van zijn ondeugden. Toen hij de openbare en onbeschaamde omkooperij van den koning gewaar wierd, vreesde hij, zooals dikwijls in dergelijke gevallen gebeurt, door te ver gedreven bandeloosheid den algemeenen haat zich op den hals te halen, en slaagde er in zijn gewone hartstochten te breidelen.



XVI.


Maar de partij, die geschenken en intrigues hooger stelde dan de waarheid, zegevierde in den Senaat. Er wordt besloten, dat tien afgezanten het rijk, dat vroeger door Micipsa geregeerd was, tusschen Jugurtha en Adherbal verdeelen zouden. Hoofd van dit gezantschap was L. Opimius, een bekend en in den Senaat machtig man, daar hij als consul, na den moord van C. Gracchus en M. Fulvius, met de grootste strengheid de wraak [ 23 ]van den zegevierenden adel tegen het volk had ten uitvoer gebracht. Hij had te Rome tot de tegenstanders van Jugurtha behoord, maar werd niettemin door dezen met verfijnde beleefdheid ontvangen, en Jugurtha kreeg, door geven en beloven zóó veel gedaan, dat bij Opimius ten laatste zijn eigen goede naam, eerlijkheid, zijn eigen belang in één woord, minder golden dan de zaak van den koning. Jugurtha stelt bij de overige gezanten dergelijke pogingen in het werk: velen vangt hij in zijn net, en slechts bij enkelen woog eerlijkheid meer dan geld. Bij de verdeeling werd het gedeelte van Numidië dat grenst aan Mauretanië, het rijkste aan bouwland en bevolking, aan Jugurtha afgestaan; Adherbal verkreeg het andere deel, dat meer door het uiterlijk gold dan door nuttige opbrengsten; dat gedeelte namelijk waar de meeste steden en havens gevonden werden.



XVII.

Het onderwerp brengt, naar het mij voorkomt, mede, eenige inlichtingen te geven over de ligging van Africa, en iets te zeggen van de volken, die onze vijanden of bondgenooten waren. Die landen en volken die wegens het heete klimaat, bergachtig terrein of geïsoleerde ligging weinig bezocht worden, is het moeilijk met zekerheid te beschrijven. Ook over de overige zal ik kort zijn.

De meeste schrijvers hebben Africa als het derde werelddeel beschouwd; eenige weinigen nemen slechts [ 24 ]twee werelddeelen aan. Azië en Europa, en nemen Africa als een deel van Europa. Westelijk wordt het bepaald door de straat, die onze zee met den Oceaan verbindt, oostelijk door de hellende vlakte, door de inlanders Catabathmos genoemd. De zee is onstuimig; er zijn weinig havens; de grond geeft schoone oogsten, is goed voor veeteelt, maar brengt weinig boomen voort. Hemel en aarde zijn gelijk arm aan water. De inwoners zijn gezond, vlug, onvermoeibaar. De ouderdom maakt meestal een einde aan het leven, indien iemand niet door het zwaard of de wilde dieren gedood wordt: slechts zelden sterft een inboorling aan ziekte. Er zijn verschillende boosaardige diersoorten. Welke volken het eerst Africa bewoonden, welke er later bij kwamen, hoe zij zich onder elkander vermengden, daarover kan ik berichten mededeelen afwijkend van de overlevering door de meeste schrijvers geboekt: hetgeen uit Punische geschriften, die gezegd werden van Koning Hiëmpsal afkomstig te zijn, voor mij vertaald werd en hetgeen de inwoners zelf voor waarheid aannemen, zal ik kort samenvatten. Mijn zegslieden zijn verantwoordelijk voor hetgeen volgt.



XVIII.


De eerste bewoners van Africa waren de Gaetulen en Libyers, woeste en onbeschaafde volkstammen, die zich voedden met het vleesch van wilde dieren en met uit den grond gerukte planten, evenals redelooze dieren. Zij hadden geen [ 25 ]geregelde gewoonten, geen wetten, geen oppergezag; rondzwervend betrokken zij als rustplaats de plek, waar de nacht hen overviel. Nadat evenwel Hercules, (naar de overlevering der Africaners) in Spanje was omgekomen, spatte zijn leger, uit verschillende volken samengesteld, toenhet den opperbevelhebber verloren had, spoedig uiteen, te meer daar velen voor zich zelf hier en daar een onafhan kelijk gezag zochten te verkrijgen. Dit was het geval met de Meden. Perzen en Armeniërs, die door schepen naar Africa overgebracht, de streken bezetten, die het dichtst bij onze zee gelegen waren. De Perzen[1] vestigden zich meer aan de kust van den Oceaan; zij gebruikten de omgekeerde kielen van hun schepen als hutten, daar het land geen bouwmateriaal opleverde en er geen gelegenheid was het van de Spanjaarden door koop of ruil te verkrijgen: de wijde zee en de onbekendheid der taal verhinderden den handel. Zij vermengden zich door huwelijken met de Gaetulen, en, daar zij bij het zoeken van landerijen, zich nu hier, dan daar vestigden, noemden zij zich Nomaden. Voor het overige zijn nog heden de woningen der landelijke Numidiërs, die zij „mapaliën" noemen, langwerpig en met afgeronde flanken en daken, gelijk aan kielen van schepen. De Meden en Armeniërs vermengden zich met de Libyers, — deze woonden dicht bij de Africaansche zee; de Gaetulen onder een warmer klimaat, niet ver van de heete luchtstreek, — en hadden spoedig steden: daar [ 26 ]zij alleen door een zeestraat van Spanje gescheiden waren, hadden zij een ruilhandel begonnen. De Libyers verminkten langzamerhand den naam der nieuw aangekomenen, en noemden hen in hun dialect „Mooren" in plaats van Meden. De macht der Perzen wies spoedig aan, en later bezetten zij, onder den naam Numidiërs, nadat zij zich wegens overbevolking van den moederstam hadden afgezonderd, de streek in de nabuurschap van Carthago, thans Numidië genoemd. Beide volkengroepen op elkander steunend,[2] slaagden er in hun naburen door wapengeweld of vrees aan hun gezag te onderwerpen, naam en roem te verkrijgen, zij vooral die tot aan onze zee genaderd waren, daar de Libyers minder krijgshaftig zijn dan de Gaetulen. Geheel het lager gedeelte van Africa werd dientengevolge door de Numidiërs veroverd: de overwonnenen werden opgenomen in het veroverende volk en namen zijn naam aan.



XIX.


Later kwamen Pheniciërs over, die teneinde overbevolking te vermijden [het vaderland verlaten hadden] of wel omdat eenige op verovering beluste avonturiers het volk en woelwaters hadden medegesleept; zij stichtten Hippo, Hadrumetus, Leptis en andere steden [ 27 ]aan de zeekust; deze groeiden weldra in macht aan, en strekten tot verdediging of tot roem van het moederland. Wat Carthago betreft, ik zwijg er liever over dan er weinig van te zeggen, daar de tijd mij dwingt tot een ander onderwerp over te gaan. Het eerst na Catabathmos, vlakte tusschen Aegypte en Africa, komt, als men de zeekust volgt, Cyrene, kolonie der Theraeërs; dan de twee Syrten en tusschen beiden Leptis; dan de altaren der Philaenen, grens van het Carthaagsch gebied de kant van Aegypte uit, dan de andere Punische steden. De overige plaatsen tot Mauretanië bezetten de Numidiërs, het dichtst bij Spanje wonen de Mooren. Boven Numidië wonen, naar men zegt, de Gaetulen, sommigen in hutten, anderen, nog onbeschaafder, hier en daar zwervend. Na hen komen de Aethiopiërs, dan de streken door de zonnehitte verschroeid. Gedurende den oorlog tegen Jugurtha bestuurde het Romeinsche volk een deel der Punische steden en het gebied van Carthago, toen onlangs veroverd, door magistraten; een groot deel der Gaetulen en de Numidiërs tot de rivier Muluccha stonden onder Jugurtha; koning Bocchus was aan het hoofd der Mooren. De Romeinen kenden alleen zijn naam, en hadden met hem vroeger noch in oorlog noch in vrede betrekkingen gehad. Voor ons onderwerp zullen deze inlichtingen over Africa en zijn bewoners voldoende zijn.


[ 28 ]

XX.

Na het vertrek der gezanten en de rijksverdeeling, ziet Jugurtha dat zijn vrees ijdel is geweest en hij zich in het bezit van de vruchten van zijn misdaad verheugen mag. Hij neemt thans voor zeker aan, wat hij te Numantië had hooren zeggen: dat te Rome alles omkoopbaar is, en, opgewonden door de beloften dergenen, die hij met geschenken zooeven overladen had, besluit hij, het rijk van Adherbal aan te vallen. Hij was zelf vol daadkracht, krijgshaftig; de man, dien hij aanviel, rusthevend, niet oorlogzuchtig, zacht van gemoed, maar al te geschikt om onrecht te lijden, meer vreesachtig dan vreeswekkend. Plotseling valt hij in Adherbals gebied met een sterk aantal troepen; voert veel inwoners met vee en buit weg, steekt huizen in brand, doet een groot gedeelte des lands teisteren door ruiterij, en keert met zijn benden in zijn eigen rijk terug, verwachtend dat Adherbal, door smart verbijsterd, het onrecht, hem aangedaan, gewapenderhand wreken, en zoo aanleiding tot een oorlog zou geven. Maar deze, die zich in het veld niet tegen zijn tegenstander opgewassen voelde, en meer steunde op de hulp van het Romeinsche volk, dan op die der Numidiërs, zendt afgevaardigden naar Jugurtha, om zich over de geleden mishandelingen te beklagen. Deze komen met een beleedigend antwoord terug; maar Adherbal besloot, liever alles te ondergaan, dan den oorlog te verklaren, daar de vorige zoo ongelukkig voor hem afgeloopen was. Dit verminderde de veroveringszucht van Jugurtha niet, die reeds het plan had opgevat zich van [ 29 ]geheel het rijk zijns broeders meester te maken. Hij begint dus den oorlog niet zooals voorheen, met plunderbenden, maar met een geducht bijeen gebracht leger, en streeft openlijk naar de heerschappij over geheel Numidië. Waar hij verscheen, verwoestte hij steden en akkers, behaalde buit, vermeerderde den moed der zijnen en den schrik der vijanden.


  1. Men heeft gepoogd deze en de volgende afleidingen te verklaren uit de benamingen van nog heden bestaande Berberstammen, door de zegslieden van Sallustius in verband gebracht met ongeveer gelijkluidende namen van aziatische volken.
  2. Te weten de bij den Oceaan wonende „Perzen" en de meer oostelijk gevestigde zijtak der Numidiërs.
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Jugurtha/2&oldid=201686"