Naar inhoud springen

Jugurtha/3

Uit Wikisource
XI-XX Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet

XXI-XXX

XXXI-XL
Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings.
[ 29 ]

XXI.

Adherbal, begrijpend dat het zoover gekomen is, dat hij of zijn rijk moet verlaten, of het gewapender hand verdedigen, brengt, er ten laatste toe gedwongen, een leger op de been, en trekt Jugurtha tegemoet. Niet ver van de zee, bij de stad Cirta, staan beider legers pal, en daar het reeds aan het einde van den dag was, werd geen slag geleverd. Laat in den nacht, maar nog gedurende de duisternis,[1] vallen, op een gegeven sein, de soldaten van Jugurtha in het vijandelijke kamp; hun half slapende of naar de wapenen grijpende vijanden worden op de vlucht gedreven of afgemaakt. Adherbal, met eenige ruiters, vlucht naar Cirta, en indien niet een groot aantal Italiaansche kooplieden de Numidische vervolgers van de muren had teruggedreven, zou één en dezelfde dag het begin en het einde van den krijg der twee koningen gezien hebben. Jugurtha slaat het beleg om de stad, begint haar met katten, evenhoogen en allerlei oorlogstuig aan te vallen, zich zooveel mogelijk [ 30 ]haastend, om de gezanten vóór te zijn, die, naar hij had gehoord, vóór den veldslag, door Adherbal naar Rome gezonden waren. Zoodra de Senaat de tijding van den krijg ontvangen had, worden drie jonge lieden naar Africa afgevaardigd, met opdracht, de twee koningen te bezoeken, en hun de last van Senaat en volk van Rome over te brengen: „men wil en is van oordeel, dat zij de wapenen moeten nederleggen, en hun geschillen liever van rechtswege dan door krijg vereffenen; alleen zulk een handelwijs zou Rome en de beide vorsten waardig zijn."



XXII.


De gezanten spoeden zich naar Africa, des te meer daar te Rome, op het oogenblik, dat zij op het punt zijn te vertrekken, het gerucht loopt van den geleverden veldslag en het beleg van Cirta. De gebeurtenissen werden door het gerucht eer verkleind dan vergroot. Jugurtha, na de rede der gezanten aangehoord te hebben, antwoordt, dat bij hem niets meer geëerbiedigd, niets hooger geschat wordt dan het gezag van den Senaat; „van zijn jeugd af, voegde hij er bij, had hij het mogelijke gedaan, om door de besten geacht te worden; het was door zijn dapperheid, niet door slechte praktijken, dat hij zich gezien had gemaakt bij den grooten P. Scipio; zijn gaven waren de oorzaak dat Micipsa, die toch geen gebrek aan zonen had, hem in zijn dynastie had opgenomen. Maar naar mate hij zich meer door eerlijkheid en geestkracht [ 31 ]onderscheiden had, was hij des te minder geneigd, onrecht te dulden. Adherbal had het op zijn leven toege legd; zoodra hij dit wist, had hij door aanvaller te worden, de misdaad voorkomen. Het Romeinsche volk zou onrechtvaardig en onbillijk handelen, door hem te verhinderen zijn toevlucht te nemen tot een door de natuur als rechtmatig aangewezen verdedigingsmiddel. Overigens zou hij spoedig afgezanten naar Rome zenden, teneinde alle geschillen uit te maken." — Hierop neemt men afscheid. De Romeinsche gezanten hadden geen gelegenheid met Adherbal te spreken.



XXIII.


Zoodra Jugurtha zeker is, dat zij Africa verlaten hebben, besluit hij, daar hij Cirta wegens de ligging der plaats niet gewapenderhand kan veroveren, haar met wal en gracht te omsingelen; bouwt torens, waarin hij wachten legt, wendt dag en nacht list en geweld aan, poogt de verdedigers der wallen dan eens door geschenken te winnen, dan door bedreigingen vrees aan tejagen; wakkert den moed der zijnen aan, in één woord stelt met de uiterste geestkracht alles in het werk. Adherbal, begrijpend dat zijn lot aan een zijden draad hangt, — een onverbiddelijke vijand, geen hoop op hulp, onmogelijkheid den krijg voort te zetten door gebrek aan de eerste levens behoeften, — kiest de twee kloekste onder degenen, die met hem naar Cirta gevlucht waren. Door veel beloften [ 32 ]en door klachten over zijn jammerlijken toestand, weet hij van hen te verkrijgen, dat zij door de versterkingen des vijands heen des nachts naar de nabij zijnde zee en van daar naar Rome ontkomen.



XXIV.


Binnen weinige dagen volbrengen de Numidiërs zijn last; een brief van Adherbal wordt in den Senaat gelezen: zijn zin was deze:

„Het is niet mijn schuld. Beschreven Vaders, dat ik mijn smeekingen dikwijls tot U richt; maar het geweld van Jugurtha dwingt mij er toe; deze heeft het er zoo op toegelegd mij te vernietigen, dat hij zich noch om U, noch om de onsterfelijke goden bekommert, en het storten van mijn bloed boven alles stelt. Dit is reeds de vijfde maand, dat ik, bondgenoot en vriend van het Romeinsche volk, door de wapenen ben omsingeld; noch de weldaden van mijn vader Micipsa, noch uwe besluiten helpen mij; ik weet niet wat mij het meest bedreigt: het zwaard of de honger. Mijn toestand verhindert mij, uit te weiden over Jugurtha. Ik weet bij ondervinding, dat men weinig geloof schenkt aan de klachten van een ongelukkige. Alleen dit: ik begrijp thans, dat hij zijn aanvallen richt tegen een vijand hooger geplaatst dan ik, en opgehouden heeft tegelijk te hopen op den duur van uw vriendschap en op het bezit van mijn rijk. Waaraan hij het meest hecht, is thans voor ieder zichtbaar. Eerst [ 33 ]doodt hij Hiëmpsal, mijn broeder, en werpt mij daarna buiten het rijk, mij door mijn vader nagelaten. Deze beleedigingen gingen alleen mij aan, niet U. Thans bezet hij gewapenderhand uw gebied, en belegert mij, dien gij als heerscher over Numidië hebt aangesteld; welke waarde hij hecht aan de woorden van uw afgezanten, het gevaar, waarin ik verkeer, toont het genoeg. Wat is er anders over, om hem te verwijderen, buiten uw macht? Ik zou gaarne gewild hebben, dat alles, wat ik thans schrijf en ik vroeger klagend in den Senaat verhaald heb, verzonnen ware, liever dan dat thans mijn ellende klem gaf aan mijn woorden. Maar daar ik geboren ben om te bewijzen, hoever Jugurtha's misdaden zich uitstrekken, smeek ik dat men mij ontrukke, zoo niet aan dood en ellende, ten minste aan het geweld van een vijand en aan lichamelijke pijniging. Met het koninkrijk Numidië, dat U behoort, kunt gij handelen naar welgevallen; ontrukt mij aan de handen van een ellendeling, ik vraag het U in naam van de majesteit van uw gezag, in naam van de trouw der vriendschap, indien er bij U nog eenige herinnering over is aan mijn grootvader Masinissa! "



XXV.


Na de lezing dezer brieven waren er Senatoren, die oordeelden, dat een leger naar Africa gezonden, en Adher bal zoo spoedig mogelijk geholpen moest worden; dat men maatregelen moest nemen tegen Jugurtha, daar deze [ 34 ]niet gehoorzaamd had aan de orders der gezanten. Maar de voorstanders van den koning, steeds dezelfde, deden wat zij konden om een dergelijk besluit te doen verwerpen. Zoo werd het publiek belang, zoo als vaak gebeurt, aan private inzichten opgeofferd. Edelen van hoogejaren en die te voren aanzienlijke ambten bekleed hadden, worden evenwel naar Africa afgevaardigd. Onder dezen was M. Scaurus, van wien wij reeds gesproken hebben, oud consul en toen eerste van den Senaat.

De gezanten, ziende dat de zaak de algemeene verontwaardiging gaande maakte, en door de smeekgebeden der Numidiërs bewogen, scheepten zich binnen den tijd van drie dagen in, en, weldra te Utica aangekomen, zenden zij een schrijven aan Jugurtha, om hem aan te manen, zich ten spoedigste naar de (Romeinsche) provincie te begeven, en dat zij door den Senaat naar hem afgevaar digd waren. Toen deze verneemt, dat doorluchtige personen, wier aanzien te Rome hem bekend was, gekomen waren om hem in het uitvoeren van zijn plan te stuiten, werd hij eerst, diep getroffen, door vrees en begeerte her- en derwaarts geslingerd. Hij vreesde den toorn van den Senaat, indien hij aan het bevel der afgezanten niet gehoorzaamde; aan den anderen kant werd zijn ziel, door heerschzucht verblind, er toe gedreven de reeds aange vangen misdaad geheel te volbrengen. Ten slotte behaalde in zijn begeerige ziel de booze raad de overwinning. Na Cirta van alle kanten door aanvalstroepen te hebben omsingeld, poogt hij de stad door een algemeenen aanval te nemen; hopend dat hij er in slagen zou de vijandelijke bezetting te verdeelen, en zoo door geweld of [ 35 ]list de overwinning te behalen. Toen dit plan mislukte, en hij er niet in geslaagd was zijn doel te bereiken, namelijk zich van den persoon van Adherbal meester te maken, vóór hij de gezanten ontmoette, vertrok hij, teneinde Scaurus, dien hij het meest vreesde, niet door een langer uitstel tegen zich in te nemen, met eenige weinige ruiters naar de (Romeinsche) provincie. Ofschoon de woorden van den Senaat ernstige bedreigingen inhielden, voor het geval dat hij het beleg niet opbrak, vertrokken de gezanten, na veel woorden nutteloos verspild te hebben zonder iets te hebben uitgewerkt.



XXVI.


Toen men dit te Cirta vernam, geven de Italianen, door wier dapperheid de wallen verdedigd werden, en die vertrouwden dat, na de overgaaf, zij zelf, om de grootheid van den naam van het Romeinsche volk gespaard zouden blijven. Adherbal den raad, zich en de stad aan Jugurtha over te leveren, voor zich zelf alleen het leven bedingend: de Senaat zou voor het overige wel zorgen. Adherbal, ofschoon overtuigd, dat alles te verkiezen was boven de goede trouw van Jugurtha, begreep evenwel dat zijn bezetting, indien hij tegenstreefde, hem tot de overgaaf kon dwingen; hij geeft zich dus over, op de voorwaar den, die de Italianen hadden aangewezen. Jugurtha doodt Adherbal, na hem vreeselijk gepijnigd te hebben, en laat [ 36 ]vervolgens alle weerbare Numidiërs en vreemde handelaars zonder onderscheid, naarmate zij door zijn soldaten gevonden werden, afmaken.



XXVII.


Toen deze gebeurtenissen te Rome bekend werden en beraadslagingen in den Senaat plaats hadden, deden weder dezelfde aanhangers van den koning, wat zij konden om het nemen van een besluit tegen te houden, dikwijls door persoonlijken invloed, soms door twistredenen tijd te winnen, en de gruwelijke feiten te verzachten. Indien niet C. Memmius, aangewezen als volkstribuun, een heftig en de macht van den adel vijandelijk man, aan het Romeinsche volk had bewezen, dat het doel was, door eenige weinige partijmannen Jugurtha's misdaad te doen vergoelijken, zou men de beraadslagingen slepende hebben gehouden, totdat de algemeene verontwaardiging bekoeld was; zóó groot was de macht van den invloed en het geld van den koning. Maar de Senaat zich van zijn schuld bewust, vreest den toorn des volks, en overeenkomstig de wet Sempronia worden Numidië en Italië als kommandementen aan de toekomstige consuls aangewezen. Tot consuls werden gekozen P. Scipio Nasica et L. Bestia Calpurnius: deze kreeg tot kommandement Numidië. Scipio Italië. Het leger dat naar Africa overgevoerd moest worden, wordt [ 37 ]op de been gebracht, in de soldij en andere oorlogsbehoeften bij decreet voorzien.



XXVIII.


Jugurtha, wien dit bericht zeer onverwacht kwam, daar bij hem het denkbeeld had post gevat, dat te Rome alles veil was, zendt zijn zoon en twee vertrouwden naar Rome, als gezanten bij den Senaat, en geeft hun last, evenals vroeger aan de afgevaardigden na de dood van Hiëmpsal, te beproeven iedereen om te koopen. Toen deze te Rome waren aangekomen, werd de Senaat door Bestia geraadpleegd over de vraag, of men de gezanten van Jugurtha binnen de stad zou dulden, en er werd besloten, hun aan te zeggen, dat indien zij niet gekomen waren om over de overgaaf van het Rijk en van Jugurtha-zelf te handelen, zij binnen tien dagen Italië ruimen moesten. De consul geeft bevel de gezanten van dit besluit van den Senaat te verwittigen, waarop deze, zonder iets uitgericht te hebben, terugkeeren. Calpurnius, die ondertusschen zijn leger bijeengebracht heeft, kiest tot onderbevelhebbers edelen en partijhoofden, wier gezag naar hij hoopte, zijn eigen misdaden bedekken zou; onder dezen was Scaurus, van wiens karakter en beginselen wij boven spraken. Onze consul had vele en groote gaven, naar ziel en lichaam, die alle door hebzucht verlamd werden: hij was onvermoeid, [ 38 ]energiek, voorzichtig, niet onbekend met den oorlog, koelbloedig te midden van gevaren en hinderlagen. — De legioenen trekken door Italië naar Regium, worden vandaar naar Sicilië, van Sicilië naar Africa vervoerd. Calpurnius, na zich van voorraad voorzien te hebben, trekt met spoed Numidië binnen, maakt veel gevangenen en neemt eenige steden gewapenderhand.



XXIX.

Maar Jugurtha laat hem door onderhandelaars geld aanbieden, en over de moeilijkheid van den krijg, dien hij had begonnen, uitweiden. Zijne hebzuchtige ziel werd door de gouddorst gemakkelijk overwonnen. Zijn deelgenoot en medeplichtige in al deze onderhandelingen was Scaurus; ofschoon deze in den aanvang, toen men reeds verschillende van zijn partijgenooten had omgekocht, heftig tegen den koning was opgetreden, werd hij thans door enorme geldsaanbiedingen, van het pad der deugd en eerlijkheid afgeleid, en voor de misdaad gewonnen. Jugurtha's omkooperijen hadden in het begin geen ander doel dan den oorlog te rekken; daar hij hoopte dat hij ondertusschen te Rome-zelf door geld en invloed iets zou uitwerken; maar nadat hij vernomen had dat Scaurus deel had in de onderhandelingen, vatte hij hoop, aanstonds vrede te sluiten, en besloot persoonlijk met hen alle voorwaarden vast te stellen. De quaestor Sextius [ 39 ]werd, als een soort gijzelaar, door den consul naar Vaga gezonden, een stad die Jugurtha toebehoorde; voorwendsel hiertoe gaf het in ontvangst nemen van granen, die Calpurnius openlijk van de gezanten van Jugurtha, had afgevorderd; zoolang de onderhandelingen over de overgave duurden, was een wapenstilstand overeengekomen. De koning verschijnt, volgens de overeenkomst, in het kamp; zegt, in tegenwoordigheid van den raad een en ander over de daden, die men hem verwijt en over zijn verzoek om te capituleeren en doet het overige met Bestia en Scaurus in het geheim af. Den volgenden dag wordt hij, na dat het tractaat in zijn geheel was goedgekeurd[2] , in capitulatie aangenomen, maar, zooals men voor den krijgsraad had voorgeschreven, worden dertig olifanten, vee, veel paarden en een weinig zilver aan den quaestor overgeleverd. Calpurnius vertrekt naar Rome, teneinde de verkiezingen te leiden, Numidië en ons leger waren in vrede.



XXX.

Nadat het gerucht de in Africa verkregen resultaten en de wijs, waarop die verkregen waren, had verspreid, werd te Rome in alle plaatsen en bijeenkomsten het gedrag van den Consul besproken. Het volk was woe [ 40 ]dend, de Senatoren bezorgd; het was de vraag of zij zulk een schandelijke overeenkomst zouden goedkeuren, dan wel het besluit van den Consul vernietigen. Het was vooral de macht van Scaurus, steun en medeplichtige van Bestia, die hen verhinderde, een juist en rechtvaardig besluit te nemen. Maar C. Memmius, van wiens onafhankelijk karakter en haat tegen den adel, wij reeds boven gesproken hebben, begon, te midden van het weifelen en uitstellen van den Senaat, het volk door redevoeringen tot wraak aan te zetten; vermaande het de openbare zaak, en zijn eigen vrijheid niet in den steek te laten, noemde tal van misdaden op, blijken van den trots en de wreedheid van den adel, in één woord, hij wendde al zijn krachten aan om het volksgemoed te doen ontvlammen. Toen ten tijde was te Rome Memmius door zijne welsprekendheid vermaard en invloedrijk; ik heb het gepast geoordeeld hier één van zijn talrijke redevoeringen in te lasschen, en heb die gekozen, die door hem in de volksvergadering na Bestia's terugkeer op deze wijze ongeveer werd uitgesproken.


  1. Vóór zonsopgang dus.
  2. Zonder behoorlijke stemopname over ieder artikel afzonderlijk.
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Jugurtha/3&oldid=201708"