Naar inhoud springen

Jugurtha/4

Uit Wikisource
XXI-XXX Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet

XXXI-XL

XLI-L
Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings.
[ 40 ]

XXXI.

„Veel zou mij verhinderen U toe te spreken. Quiriten, indien de zorg voor den Staat niet boven alles ging: de macht der factie, uw geduld, de wetteloosheid, en vooral, dat de onschuld meer gevaar dan eer met zich brengt. [ 41 ]Het walgt mij te zeggen, hoezeer gedurende de vijftien laatste jaren, de trots van een gering aantal machtigen met U heeft gespeeld, hoe ellendig, hoe ongewroken uw verdedigers zijn ondergegaan, hoe uw ziel door zwakheid en lafhartigheid verdorven is, zoodat gij zelfs heden, nu uw vijanden voor U bloot staan, niet tegen hen in beweging komt, en thans nog hen vreest voor wie gij een schrikbeeld moest zijn. Ondanks dit alles, heb ik evenwel moeds genoeg den strijd te aanvaarden tegen een machtige factie. Ik zal zien welke partij ik nog kan trekken van de vrijheid, erfdeel mij door mijn vader nagelaten; of ik het vruchteloos of met een resultaat doen zal, is in uw hand, Quiriten. Ik eisch niet van U dat gij, zooals uw voorouders vaak deden, tegen het onrecht dat u geschiedt, gewapend op zult treden; geen wapenen, geen geweldige breuk met de edelen zijn noodig: noodig is dat men zich bediene van hun eigen taktiek om hen te vernietigen. Na den moord van Tiberius Gracchus, dien zij beschuldigden naar tirannie te streven, zijn tegen de volkspartij gerechtelijke vervolgingen ingesteld; na den moord van Caius Gracchus zijn verschillende personen uit het volk in de gevangenis omgebracht; het was niet het wettig gezag, maar hun willekeur, die aan beide vervolgingen een einde maakte. Het zij zoo! Het was streven naar tirannie, het volk zijn rechten terug te geven; wat niet gewroken kan worden, zonder dat burgerbloed vergoten wordt, zij rechtvaardig geschied! Eenige jaren lang hebt gij met stille verontwaardiging de schatkist zien plunderen, koningen en vrije volken aan een handvol edelen schatting betalen, dezelfde [ 42 ]mannen de grootste eerambten bekleeden en kolossale rijkdommen vergaderen; maar alle deze misdrijven ongestraft gepleegd te hebben, schijnt hun iets nietigs: zoo zijn dan ten laatste de wetten, uw gezag, alle goddelijke en menschelijke zaken, aan den vijand overgeleverd. En zij die dit deden, gevoelen geen schaamte of berouw, maar vertoonen zich vol glorie voor uw aan gezicht, hun priesterschappen en consulaten, sommigen zelfs hun triomfen ten toon stellend, alsof dat alles eereteekenen waren, en geen roof. Voor geld gekochte slaven verdragen het onrechtvaardig gezag van hun meester niet; gij, Quiriten, tot heerschen geboren, verdraagt gij met kalmte de slavernij? — En wie zijn het, die zich van den Staat hebben meester gemaakt? Schavuiten met bebloede handen en een grenzelooze hebzucht, even misdadig als trotsch, voor wie trouw, eer, plicht, al wat eerlijk en oneerlijk is, in één woord, slechts een middel is tot gewin. Een deel van hun heeft volkstribunen van kant gemaakt, anderen hebben onrechtvaardige vervolgingen ingesteld, verscheidenen hunner hebben slachtingen aangericht onder U, mannen des volks; en in dat alles zien zij de oorzaak van hun veiligheid. Wie hunner zich het schandelijkst gedroeg is het meest in zekerheid; schrik bestaat niet meer bij hen, misdadigen, maar bij U, lafhartigen: dezelfde hebzucht, dezelfde haat, dezelfde vrees houdt hen allen bij elkander. Doch wat onder goeden vriendschap heet, is onder kwaden samenspanning. Indien gij evenzoo bezorgd voor de vrijheid waart, als zij door heerschzucht ontvlamd zijn, zou de Staat niet, als thans, geplunderd worden, en uwe weldaden [ 43 ]aan de besten, niet aan de onbeschaamdsten, worden besteed. Uw voorouders hebben, om hun recht te handhaven en hun gezag te doen erkennen, zich tweemaal afgescheiden en den Aventinus bezet. Zult gij niet met alle krachten strijden voor de vrijheid, die gij van hen ontvangen hebt? en dat te heftiger, naar mate het schandelijker is, wat men bezit te verliezen, dan in het geheel niets te bezitten? — Iemand zal zeggen: „wat is dan uw voornemen? de straf te eischen van hen die den Staat aan den vijand verraden hebben?" — Zeker niet gewapenderhand en door geweld, (het zou voor U een grooter schande zijn aldus te handelen, dan voor hen, aldus behandeld te worden) maar door een onderzoek en het getuigenis-zelf van Jugurtha. Heeft deze zich inderdaad overgegeven, dan zal hij natuurlijk aan uw bevel gehoorzamen; slaat hij het in den wind, dan zult gij kunnen oordeelen, welke de waarde is van die vrede of overgave, die ten gevolge heeft gehad: voor Jugurtha, de straffeloosheid; voor een klein aantal machtigen, groote rijkdommen; voor den Staat, schade en schande. Indien gij tenminste hun heerschappij thans zat zijt, en gij niet naar de vroegere tijden terugwenscht, toen koninkrijken, provinciën, wetten, rechten, rechtspleging, vrede en oorlog, alle goddelijke en menschelijke zaken in handen waren van een oligarchie, gij daarentegen, het Romeinsche volk, onoverwonnen door de vijanden, meesters van alle naties, moeite genoeg hadt u in het leven te houden; want wie uwer durfde zich tegen de slavernij verzetten? Wat mij aangaat, hoewel ik het een schande oordeel voor een man, onrecht te lijden, [ 44 ]zonder het te vergelden, zou ik toch met kalmte dulden, dat men misdadigers, die tevens burgers zijn, vergiffenis schonk, indien medelijden geen noodlottige gevolgen na zich sleepte. Voor hen, zoo groot is hun onbeschaamdheid, beteekent het weinig ongestraft misdaden te hebben gepleegd, indien men hun de gelegenheid voor het vervolg er andere te plegen, niet ontneemt, en gij zult later eeuwig in zorg leven, wanneer gij begrijpen zult, dat gij of als slaven zult moeten gehoorzamen, of gewapenderhand de vrijheid handhaven. Welke hoop is er op wederzijdsch vertrouwen of eendracht? Zij willen heerschen, gij vrij zijn; zij onrecht aandoen, gij het verhinderen, en wat het ergste is, zij behandelen onze bondgenooten als vijanden, onze vijanden als bondgenooten. Kan tusschen zoo verschillende partijen vrede of vriendschap bestaan? Daarom waarschuw ik U en maan U aan, zulk een misdaad niet ongestraft te laten. De schatkist is ditmaal niet geplunderd, gelden zijn niet gewelddadig den bondgenooten afgeperst, zware misdrijven, maar die thans door de gewoonte niet meer geteld worden: aan een gevaarlijken vijand is het oordeel van den Senaat, is uw gezag door verraad overgeleverd, te huis en te velde is de Staat verkocht. Wordt geen onderzoek ingesteld, worden de schuldigen niet vervolgd, wat blijft er dan over dan als gehoorzame onderdanen te leven der mannen, die dit alles gedaan hebben? Ongestraft alles te doen, wat men wil, is koning zijn. Niet dat ik wil. Quiriten, dat gij liever ziet dat uw medeburgers slecht, dan dat zij goed handelen; dit wil ik, dat gij niet, door aan de slechten vergiffenis te schenken, de [ 45 ]goeden in gevaar brengt. In staatszaken is het minder gevaarlijk een goede daad door de vingers te zien, dan een slechte. Een braaf man dien men niet beloont, wordt alleen minder ijverig; een slechte dien men niet straft, nog slechter. Door misdrijven te voorkomen, heeft men geen latere repressie noodig."



XXXII.

Door deze en dergelijke redevoeringen in [volksvergaderingen] uitgesproken, weet Memmius van het volk te verkrijgen, dat L. Cassius die toen praetor was, naar Jugurtha zou worden gezonden, om hem, onder publiek vrijgeleide, naar Rome te vervoeren, teneinde, door de getuigenis van den koning, zekerheid te erlangen aangaande de misdrijven van Scaurus en anderen, die Mem mius beschuldigde, geldsommen ontvangen te hebben. Terwijl dit te Rome plaats had, begingen de door Bestia in Numidië achtergelaten legerhoofden op het voorbeeld van den opperbevelhebber, de eene schanddaad na de andere. Sommigen, door goud omgekocht, gaven de olifanten weder aan Jugurtha terug, anderen verkochten overloopers, anderen weder plunderden de onderworpen bevolking: zoo had de gouddorst zich als een kanker van hun ziel meester gemaakt. Zoodra het voorstel van C. Memmius is aangenomen en de adel geslagen, vertrekt de praetor Cassius naar Jugurtha, en beweegt den [ 46 ]koning, (die vol angst was, en, zooals zijn geweten hem zeide, het ergste te vreezen had), nu hij zich aan het Romeinsche volk had overgegeven, liever op Rome's genade te vertrouwen dan haar macht te trotseeren. Bovendien gaf hij zijn eigen eerewoord, dat door Ju gurtha niet minder hoog werd gesteld dan het publiek vrijgeleide: zóó groot was toen ter tijd de faam van Cassius' goede trouw.



XXXIII.


Jugurtha, zoo ellendig mogelijk gekleed, wat met zijn koninklijke waardigheid slecht overeen kwam, komt met Cassius te Rome aan. Ofschoon hij zelf zeer groote geestkracht bezat, en hij gerust gesteld werd door allen met hulp van wier macht of misdrijven hij de daden had volbracht, die wij boven verhaald hebben, wist hij bovendien door een groot geschenk den volkstribuun C. Baebius voor zich te winnen, teneinde door diens schaam teloosheid tegen recht en onrecht tegelijk verzekerd te zijn. C. Memmius roept de volksvergadering bijeen; het volk was den koning zeer vijandig gezind: eenigen wilden dat men hem gevangen zou zetten, anderen, dat men hem, indien hij zijn medeplichtigen niet aangaf, ouder gewoonte als publiek vijand zou ter dood brengen; maar Memmius, meer met de waardigheid des volks dan met zijn toorn rekening houdend, stilt de beweging, sust de hartstochten, [ 47 ]en verzekert, dat hij voor zoover hij kan, de goede trouw van het volk ongerept zal handhaven. Zoodra de menigte zweeg, werd Jugurtha voorgebracht: Memmius neemt het woord, brengt de misdrijven in herinnering door den vorst te Rome en in Numidië gepleegd, wijst aan hoe hij zich tegen zijn adoptief- vader en- broeders vergrepen heeft. „ Ofschoon het Romeinsche volk wist met wier hulp, wier medeplichtigheid hij dat alles ten uitvoer bracht, wilde het nog zekerder bewijzen van hem zelf verkrijgen. Zeide hij de waarheid, dan zou hij veel kunnen verwachten van de goede trouw en de vergiffenis des Romeinschen volks; zweeg hij, dan zou hij zijn mede plichtigen niet redden, maar zich zelf en zijn vooruitzichten verderven."



XXXIV.


Memmius had zijn rede geëindigd, en Jugurtha bevel gekregen om te antwoorden, toen de volkstribuun C. Baebius, die, zooals wij boven zeiden, was omgekocht, den koning het zwijgen opleide. Ofschoon de menigte in de vergadering, heftig opgewonden, door geschreeuw, gebaren, soms door aanvallen, en alle uitingen van woede, hem van zijn stuk bracht, overwon ten laatste de onbe schaamdheid. Het volk, aldus voor den gek gehouden, verliet de vergadering; Jugurtha, Bestia en de overigen, [ 48 ]wien door het voorgesteld onderzoek schrik was aange jaagd, vatten weder moed.



XXXV.


Er was toen te Rome een Numidiër, genaamd Massiva, zoon van Gulussa en kleinzoon van Masinissa, die tegenstander van Jugurtha in den onderlingen oorlog der koningen geweest en na de overgave van Cirta en het ombrengen van Adherbal, zijn vaderland ontvlucht was. Sp. Albinus, die het jaar na Bestia met Q. Minucius Rufus consul was, haalt dezen persoon over het Numidische rijk bij den Senaat voor zichzelf te vragen, als afstammeling van Masinissa en daar Jugurtha zich door de haat en de vrees, die de gevolgen zijn van zijn misdaden, onmogelijk heeft gemaakt. De oorlogzuchtige consul wilde liever alles in beweging brengen, dan alles slepende zien. Hij zelf had als kommandement Numidië, Minucius Macedonië verkregen. Terwijl Massiva hier over begon te onderhandelen, gaf Jugurtha, die zich slechts weinig op zijn aanhangers verlaten kon, (daar de een door zijn geweten, de ander door vrees voor een slechten naam en door angst werd teruggehouden), orders aan Bomilcar, zijn besten en trouwsten vriend: voor geld, zooals hij reeds dikwijls had gedaan, moest hij zeer in het geheim lieden aanwerven, die Massiva in een hinderlaag zouden lokken; slaagde dit niet, dan moest hij, door welk mid[ 49 ]del ook, den Numidiër uit den weg ruimen. Bomilcar haast zich, de bevelen des konings ten uitvoer te brengen; door menschen aan dat beroep gewoon, laat hij de wan delingen en uitgangen van Massiva, alle plaatsen en gelegenheden nagaan; toen het oogenblik gekomen was, plaatste hij zijn mannen in een hinderlaag. Een van de geposteerde moordenaars valt Massiva ietwat onbesuisd aan: hij doodt hem, maar wordt zelf gegrepen en geeft, op het aandringen van velen en vooral van den Consul Albinus inlichtingen over den aanslag. Bomilcar wordt in staat van beschuldiging gesteld, meer uit ijver voor het recht en billijkheid in zichzelf dan volgens het volkenrecht, daar hij toch de metgezel was van een man, die op het openbaar vrijgeleide vertrouwend te Rome was aangekomen. Jugurtha, overtuigd de aan legger van een zoo schandelijk misdrijf te zijn, hield eerst op de waarheid te ontkennen, toen hij begreep dat een zoo afschuwelijk feit zelfs niet door zijn aanzien en om kooperijen verbloemd kon worden. Ofschoon hij bij den aanvang van het proces vijftig van zijn vrienden als gijzelaars had gegeven, zond hij Bomilcar in het geheim naar Numidië terug, meer om zijn eigen gezag dan om zijn gijzelaars bekommerd: hij vreesde namelijk, dat zijn overige onderdanen hem niet meer zouden durven gehoorzamen, indien Bomilcar ter dood werd gebracht. Zelf vertrok hij eenige dagen later naar dezelfde bestemming; de Senaat had hem bevel gegeven, Italië te verlaten. Buiten de muren van Rome gekomen zag hij, naar men verhaalt, dikwijls zwijgend naar de stad om, [ 50 ]en zeide ten slotte: „De veile stad, die verloren zal zijn zoodra zij een kooper vindt!"



XXXVI.


Toen de oorlog dus wederom was uitgebroken, haastte Albinus zich, leeftocht, soldij en verdere oorlogsbehoeften naar Africa te doen overbrengen, en vertrok aanstonds zelf, teneinde vóór de verkiezingen, die niet ver meer af waren, den krijg door wapengeweld, capitulatie, of hoe dan ook, ten einde te brengen. Jugurtha van zijn kant, poogde den strijd te rekken, vond nu dit, dan dat middel om een uitstel te verkrijgen, beloofde zich over te geven en wendde dan vrees voor, vluchtte nu eens voor den vijand die hem vervolgde, en werd dan kort daarna, teneinde de zijnen niet aan hem zouden wanhopen, op zijn beurt vervolger; zoo nu eens oorlog, nu eens vrede voorwendend, wist hij den strijd te rekken en den consul te misleiden. Er waren er die beweerden, dat Albinus het met den koning eens was, en die geloofden, dat het minder uit indolentie dan door list was, dat de consul, na zich eerst zoo gehaast te hebben, den oorlog slepende hield. De tijd verliep onderwijl; het oogenblik voor de verkiezingen brak aan, en Albinus vertrok naar Rome, na zijn broeder als praetor in het kamp te hebben achtergelaten.


[ 51 ]

XXXVII.


Op dit tijdstip werd te Rome de Staat door woelingen der volkstribunen onderst boven gekeerd. De tribunen P. Lucullus en L. Annius poogden, ondanks den tegenstand hunner collegas, in hun ambt te blijven, en deze twist verhinderde een jaar lang de verkiezingen. Dit uitstel boezemde Aulus, die, zooals wij zagen, als praetor in het kamp was achtergebleven, de hoop in, den krijg te beëindigen, of door den schrik, die zijn leger te weeg bracht, den koning geld af te persen. In Januari brengt hij zijn soldaten uit de winterkwartieren tot een veldtocht op de been, en met groote dagmarschen te midden van eene harden winter bereikt hij de vesting Suthul, waar de schatten des konings waren. Hoewel het ruwe weder en de gesteldheid der plaats een storm of een belegering onmogelijk maakten, — rondom de wal, gebouwd op den uitersten rand van eene steile rots, strekte zich een vochtige vlakte uit, door de winterregens in een moeras verkeerd, — liet de consul, (hetzij als krijgslist, om den koning schrik aan te jagen, hetzij omdat hij door hebzucht verblind was en zich vóór alles van de vesting wilde meester maken, wegens de schatten die zij bevatte) katten oprichten, versterkingen opwerpen, en al wat verder het beleg tot een goed einde kon brengen, ten uitvoer leggen.


[ 52 ]

XXXVIII.


Jugurtha, die de lichtzinnigheid en de onbekwaamheid van den onderbevelhebber bemerkt had, verergerde zijn verblinding door een eenvoudige list. Hij zond smeekende afgezanten, en leidde zelf onderwijl zijn leger, alsof hij een aanval vermijden wilde, door boschachtige streken en slingerpaden. Zoo bracht hij Aulus, door hem een voordeelige geheime overeenkomst voor te spiegelen, er toe, het beleg van Suthul op te breken en Jugurtha in afgelegen streken, alsof hij de wijk koos, te volgen: zoo zou de misdadige onderhandeling verborgen blijven. Onderwijl liet hij door handige lieden zonder ophouden het leger polsen, de centuriën en hoofden der ruiterij door omkoop overhalen, sommigen tot overloopen, anderen tot het verlaten van hun post op een gegeven teeken. Nadat hij alles geregeld had, liet hij in een donkeren nacht het kamp van Aulus plotseling door een menigte Numidiërs omsingelen. Van de Romeinsche soldaten, door den plotselingen aanval in verwarring gebracht, namen eenigen de wapenen op, anderen verscholen zich, anderen spraken den verschrikten moed in, alles liep verward dooreen. De sterkte van den vijand was geducht, de hemel door nacht en wolken verduisterd, het gevaar dus dubbel; men wist niet wat veiliger was, te vluchten of pal te staan. Van de troepen die, zooals wij boven zeiden, waren omgekocht, liepen één Ligurische cohort met twee Thracische ruiterbenden en eenige weinige gewone soldaten naar den vijand over, en de eerste centurio van het derde legioen liet den vijand binnen in [ 53 ]de versterking, die hij belast was te verdedigen: door dien ingang drongen de Numidiërs in massa het kamp binnen. De vlucht van ons leger was schandelijk, en de meesten bereikten een naburigen heuvel eerst na hun wapenen te hebben weggeworpen. De nacht en de plundering van het kamp vertraagden den vijand en verhinderden hem spoedig van de overwinning gebruik te maken. Den volgenden dag had Jugurtha een gesprek met Aulus. Ofschoon hij, zeide hij, Aulus met diens leger door honger en wapenen in zijn macht had, zou hij evenwel de menschelijkheid niet geheel vergeten; capituleerde Aulus, dan zou hij de levens sparen, maar het leger onder het juk laten doorgaan; voorts zou Aulus zich moeten verplichten binnen tien dagen Numidië te ontruimen. Hoe zwaar en onteerend deze voorwaarden ook zijn mochten, — het doodsgevaar woog zwaarder dan de schande, en de overeenkomst werd volgens den wil des konings gesloten.



XXXIX.


Zoodra het verdrag te Rome bekend werd, vervulden angst en droefenis de stad. Sommigen treurden over den smet, die de glorie van het rijk was aangewreven; anderen, niet vertrouwd met krijgszaken, begonnen voor de nationale onafhankelijkheid te vreezen; allen waren woedend op Aulus, en vooral zij die in vroegere oorlogen roem behaald hadden: men verweet hem, dat hij, hoewel van wapenen voorzien, zich liever door een schandelijk ver[ 54 ]drag dan door zijn arm gered had. Albinus, die vreesde dat de misstap van zijn broeder hem-zelf den algemeenen haat op den hals zou halen, en hem misschien in gevaar brengen, raadpleegde den Senaat over de geldigheid van het verdrag, schreef lichtingen uit om het leger te versterken, liet door de bondgenooten en de Latijnen hulptroepen op de been brengen, nam in één woord haastig alle mogelijke maatregelen. De Senaat verklaarde, zoo als billijk was, dat buiten zijn tusschenkomst en dat des volks, geen geldig traktaat gesloten kon worden. De consul, door de volkstribunen verhinderd, de troepen die hij bijeen had gebracht met zich mede te voeren, vertrekt evenwel binnen eenige dagen naar Africa. Het geheele leger was, volgens de capitulatie, uit Numidië naar de (Romeinsche) provincie gedirigeerd en had daar winterkwartieren betrokken. Daar aangekomen, ofschoon brandend van begeerte, Jugurtha te achtervolgen, en de schande, door zijns broeders gedrag veroorzaakt, uit te wisschen, besloot hij evenwel, na zich overtuigd te hebben van den staat der troepen, die behalve door hun vlucht, in de ontbinding van alle gezag, door bandeloosheid en onzedelijkheid geheel verdorven waren, dat er met de middelen waarover hij kon beschikken, niets was aan te vangen.



XL.


Intusschen legt te Rome de volkstribuun C. Mamilius Limetanus het volk een wetsvoorstel voor, inhoudend dat er een onderzoek ingesteld zou worden, naar hen op [ 55 ]wier raad Jugurtha de besluiten van den Senaat had veronachtzaamd, die van hem, als gezanten of veldheeren, geld hadden aangenomen, die olifanten en overloopers hadden overgeleverd, die in zaken van vrede of oorlog met den vijand overeenkomsten hadden gesloten. De staatslieden, wier geweten niet zuiver was, of die, bij het woeden van den partijhaat, voor hun veiligheid vrees den, poogden, daar zij geen openlijken tegenstand durfden bieden, zonder tevens daardoor te erkennen dat zij deze en dergelijke handelingen goedkeurden, dit wetsvoorstel in het geheim, door hun medestanders, en vooral door de Latijnen en de Italiaansche bondgenooten, tegen te werken. Doch het volk hield met ongelooflijke hardnekkigheid voet bij stuk, en dreef met geweld het wets ontwerp door, meer uit haat jegens den adel, aldus met geduchte vervolgingen bedreigd, dan uit zorg voor het algemeen welzijn: zoo hoog steeg de partijhaat. Terwijl de anderen met schrik geslagen waren, had evenwel M. Scaurus die, zooals wij boven vermeld hebben, onderbe velhebber van Bestia geweest was, te midden van de vreugde des volks, de paniek van zijn eigen partij, en de algemeene verwarring, toen volgens het wetsontwerp van Mamilius drie onderzoekers benoemd werden, weten te bewerken, dat hij een der gekozenen was. Het onderzoek werd op een ruwe en heftige wijze ingesteld, onder den indruk der loopende geruchten en der volkshartstochten. Het volk wedervoer thans wat reeds dikwijls met den adel gebeurd was: het was door voorspoed overmoedig geworden.


Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Jugurtha/4&oldid=201709"