Jugurtha/5
| ← XXXI-XL | Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet | LI-LX → |
| Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings. |
[ 56 ]
XLI.
Partijen, facties en andere slechte praktijken waren, als gewoonte, weinige jaren te voren te Rome opgekomen, ten gevolge van de rust en den overvloed dier goederen, welke door de menschen boven alles gesteld worden. Vóór de verwoesting van Carthago behandelden volk en Senaat de openbare zaken kalm en zonder gerucht; de burgers streden niet om persoonlijk aanzien of gezag te verkrijgen; de vrees voor den vijand hield den Staat in orde. Maar nadat deze vrees verdwenen was, verschenen de twee plagen, die het gevolg zijn van voorspoed: bandeloosheid en trots. De rust, die men gedurende de oorlogsgevaren zoo gewenscht had, bleek, toen zij er was, bitterder en smartelijker dan die gevaren zelf. De adel maakte misbruik van zijn macht, het volk van de vrijheid; ieder kuipte, intrigeerde, roofde voor zich; zoo werd de bevolking in twee partijen verdeeld, en de Staat, het gemeenzaam bezit van beiden, vaneen gereten. De adel werd door connecties bijeengehouden; de volksmacht was over velen verspreid en verdeeld, en daarom zwakker. Eenige weinigen beslisten over zaken van oorlog en binnenlandsch bestuur; schatkist, provincies, ambten, eereteekenen, triomfen waren steeds in dezelfde handen; het volk werd door krijgsdienst en armoede ter neder gedrukt; de oorlogsbuit door de veldheeren met eenige weinige medeplichtigen verduisterd; terwijl de bloedverwanten en kleine kinderen der soldaten, indien zij het ongeluk hadden naburen van een invloedrijk personage te zijn, van huis en hof verdreven werden. Zoo wies [ 57 ]met de macht de hebzucht zonder maat en regel aan,
bezoedelde en verwoestte alles, kende niets heiligs of
eerbiedwaardigs, totdat zij zich zelf te gronde richtte. Zoodra er namelijk onder den adel mannen opstonden, die waren roem hooger stelden dan onrechtvaardige macht, werd de Staat beroerd en door burgertwist als door een aardbeving onderstboven gekeerd.
XLII.
Tiberius en Gaïus Gracchus, wier voorouders in den Carthaagschen en andere oorlogen den Staat groote
diensten hadden bewezen, poogden namelijk voor het volk de vrijheid te veroveren en de misdrijven der oligarchie aan het licht te brengen; de adel, die zich schuldig voelde, en aldus opgeschrikt werd, bestreed de Gracchen met behulp der bondgenooten en der Latijnen soms met die der ridders, die, hopend op aandeel in het gezag, zich van het volk hadden afgescheiden. Eerst was Tiberius, eenige jaren later Gaïus, die in zijn voet stappen trad, (de eerste was volkstribuun, de tweede triumvir belast met het stichten van coloniën) tegelijk met M. Fulvius Flaccus door het zwaard omgebracht. Zeker hadden de Gracchen, door hoop op overwinning voortgedreven, geen matiging genoeg betoond; een braaf man zal liever overwonnen worden dan het onrecht door gewelddadige maatregelen bestrijden. De adel trok van die overwinning partij naar welgevallen, vermoordde of [ 58 ]verbande een groot aantal tegenstanders, maar maakte zich op deze wijze meer gevreesd dan wezenlijk machtig. Dergelijke burgertwisten hebben dikwijls groote staten te gronde gericht: iedere partij wil haar tegenstanders hoe dan ook ten onder brengen, en zich op de overwonnenen geweldig wreken. Maar indien ik de partijtwisten en alle toestanden der Republiek in bijzonderheden of naar den eisch des onderwerps wilde behandelen, zou de tijd mij eerder ontbreken dan de stof. Ik keer tot mijn eigenlijk onderwerp terug.
XLIII.
Na de capitulatie van Aulus en de schandelijke vlucht van ons leger hadden Metellus en Silvanus, de gekozen consuls, de provinciën onder zich verdeeld. Numidië viel aan Metellus ten deel, een energiek man, en ofschoon tegenstander der volkszaak, evenwel, wat zijn karakter betreft, onwankelbaar en onbesproken. Zoodra deze zijn ambt aanvaardde, begreep hij, dat hij alle overige zaken aan den met hem eensgezinden collega kon overlaten, maar wijdde al zijn krachten aan den te voeren krijg. Niet vertrouwend op het oude leger, wierf hij manschappen aan, liet van alle kanten hulptroepen bijeen brengen, wapenen, werptuig, paarden en andere krijgsbehoeften verschaffen, daarbij levensbehoeften, in één woord, alles wat in een wisselvalligen en veel hulpmiddelen vereischenden oorlog, noodig is. Tot deze toe[ 59 ]bereidselen droeg de Senaat bij door zijne bevelen, de bondgenooten, de Latijnen en de bevriende vorsten, door het zenden van hulptroepen, de geheele Staat door de krachtigste inspanning. Toen alles naar wensch geregeld was, vertrok hij naar Numidië, begeleid door de beste wenschen der burgers, wegens zijn uitstekend karakter in het algemeen, en zijn onomkoopbaarheid in het bijzonder, daar het juist de gouddorst der bevelhebbers was, die tot nog toe in Numidië onze macht te gronde gericht en die der vijanden versterkt had.
XLIV.
Zoodra hij in Africa was aangekomen, wordt hem door den proconsul Sp. Albinus het bevel overgedragen over een werkeloos onkrijgshaftig leger, niet in staat gevaren of arbeid te verdragen, meer geschikt tot praten dan tot handelen, gewoon de bondgenooten te plunderen en zelf buit van den vijand, ontwend aan orde en discipline. Den nieuwen bevelhebber baarden de slechte gewoonten der soldaten meer zorg, dan hun aantal hem hulp of goede verwachtingen gaf. Evenwel besloot Metellus (ofschoon de tijd die hem voor den veldtocht overschoot, door het oponthoud door de late verkiezingen veroorzaakt verkort was, en hij wist dat [te Rome] ieder reikhalzend naar een resultaat uitzag), den oorlog alleen te beginnen nadat hij, door de oude discipline, de soldaten aan ingespannen arbeid gewend had. Albinus, door de ramp [ 60 ]die zijn broeder Aulus en het leger getroffen had, als verlamd, had besloten het Romeinsche gebied niet te verlaten; zoolang hij gedurende het zomersaisoen bewind voerde, had hij de soldaten in een onbewegelijk kamp bijeengehouden, behalve wanneer de stank of het gebrek aan fourage hem dwongen, zijn kamp elders op te slaan. Maar men wierp geen versterkingen op; men zette geen schildwachten uit, zoo als de militaire zeden dit verlangen; de soldaten verwijderden zich uit de gelederen, naar welgevallen. Trosknechten en soldaten onderéén zwierven nacht en dag rond, verwoestten, bij hoopen verspreid, de akkers, plunderden landhoeven; voerden, als in wedijver, vee en slaven weg, ruilden ze in bij kooplieden tegen aangebrachten wijn, en dergelijke artikelen; verkochten het graan dat hun door den Staat verschaft werd, en kochten brood voor iederen dag; alle schandalen van luiheid en wellust, die men kan beschrijven en zich voorstellen, hadden plaats in het leger — en dergelijke meer.
XLV.
Het blijkt dat Metellus zich te midden van deze moeilijkheden, niet minder dan tegenover den vijand, als een groot en wijs man gedroeg: hij slaagde erin het juiste midden te bewaren tusschen jacht naar populariteit en strengheid. Eerst sneed hij het lui leven den wortel af door het verbod in het kamp brood of andere gekookte [ 61 ]spijs te verkoopen, het leger te doen volgen door trosknechten, den gemeenen soldaat in het kamp of op marsch een slaaf of een lastdier te laten bezitten; de hooger geplaatsten moesten zich zoo veel mogelijk inkrimpen. Hij liet bovendien dagelijks het kamp opbreken en langs bijpaden marschen ondernemen; wallen oprichten, grachten graven, alsof de vijand nabij was; zette talrijke wachtposten uit en inspecteerde ze met zijn luitenants; op marsch was hij dan eens in de voor-, dan eens in de achterhoede, dan eens in het centrum, om te zien of niemand het gelid verliet, of men behoorlijk met de vaandels optrok, of de soldaten volgens den regel hun leeftocht en wapenen droegen. Zoo wist hij, meer door het voorkomen der wanordelijkheden, dan door straffen, de tucht in het leger te herstellen.
XLVI.
Jugurtha, zoodra hij van de handelingen van Metellus bericht ontving (hij was uit Rome verwittigd van diens onkreukbare eerlijkheid), begon aan zijn geluk te twijfelen, en te beproeven, ten slotte eene ernstig gemeende capitulatie te sluiten. Hij zendt gezanten aan den consul, met insignieën van smeekelingen, met last voor hem en zijn kinderen lijfsbehoud te vragen, en al het overige over te geven aan het Romeinsche volk. Maar Metellus wist welke ondervinding men had van de trouweloosheid [ 62 ]der Numidiërs, hun onvast karakter, hun liefde voor gewelddadige omwentelingen. Hij knoopt dus betrekkingen aan met ieder afgezant afzonderlijk, en, nadat hij hij hen langzaam gepolsd en zich overtuigd had dat zij hem gunstig waren, krijgt hij van hen gedaan, dat zij hem Jugurtha levend, of anders, indien dit onmogelijk is, dood in handen zullen leveren. Hij gaf bovendien openlijke voorwaarden op, die men den Koning, volgens zijn begeerte, zou overbrengen. Zelf marscheert hij met een opgewekt en strijdvaardig leger naar Numidië, waar, alsof er geen oorlog was, de hutten vol volks, het vee en de landbouwers te velde waren. Uit de steden en tenten kwamen de luitenants van den Koning hem te gemoet, bereid granen te leveren, voorraad te transporteeren, alle bevelen die men hun geven zou, ten uitvoer te brengen. Maar dit alles belette Metellus niet alle voorzorgsmaatregelen te nemen: even alsof een vijand tegenover hem stond, liet hij het leger in gesloten slagorde oprukken, alle omstreken doorzoeken, geloofde dat die teekenen van onderwerping iets verborgen, en dat een hinderlaag werd voorbereid. Hij zelf vormde met de lichtgewapende cohorten, een keur van slingeraars en boogschutters de voorhoede; zijn luitenant C. Marius zorgde met de ruiterij voor de achterhoede; aan de beide vleugels had hij de hulptroepen te paard onder de tribunen der legioenen en de prefecten der cohorten verdeeld, opdat de met de ruiterij vermengde lichtgewapende soldaten, waar de ruiterij des vijands zich ook vertoonde, haar zouden kunnen terugdrijven. Jugurtha was zoozeer in krijgslisten ervaren, zoozeer [ 63 ]vertrouwd met de gesteldheid des lands en met de taktiek, dat men niet wist wanneer men hem het meest vreezen moest: afwezig of tegenwoordig, oorlogszuchtig of vrede zoekend.
XLVII.
Niet ver van den weg langs welken Metellus optrok, lag een stad der Numidiërs, Vaga; de meest beroemde handelsplaats van het geheele rijk, bewoond door talrijke kooplieden, inboorlingen van Italië. De Consul leide garnizoen in de vesting, ten einde de trouw der bewo ners op de proef te stellen, en indien zij de bezetting duldden, van de ligging der plaats partij te trekken; hij beval graan en andere oorlogsbehoeften bijeen te brengen; hij hoopte dat, zooals natuurlijk scheen, de toeloop der handelaars het leger van leeftocht zou voorzien en de reeds bijeengebrachte voorraden verdedigen. Terwijl deze maatregelen genomen werden, zond Jugurtha, meer dan ooit, smeekende onderhandelaars, en deed deemoedig vrede verzoeken; hij gaf alles aan Metellus over, uitgenomen zijn eigen leven en dat zijner kinderen. Zooals de vorige, zond de consul deze zendelingen terug, na hen overgehaald te hebben den Koning te verraden; hij stond den afgesmeekten vrede niet toe, maar wees hem ook niet van de hand; en wachtte onderwijl af tot de ge zanten zouden in het werk hebben gesteld wat zij beloofd hadden.
[ 64 ]
XLVIII.
Jugurtha vergeleek Metellus' woorden met diens daden, en begreep dat zijn eigen kunstgrepen tegen hem gekeerd werden (men bracht hem vredelievende woorden over, maar nam geweldige oorlogsmaatregelen; men ontnam hem zijn gewichtigste stad; het terrein werd door den vijand verkend, zijn eigen landgenooten tot afval overgehaald); door de noodzakelijkheid gedwongen, besloot hij het uit te vechten. Hij laat den marsch des vijands nagaan; de gesteldheid des bodems geeft hem hoop op overwinning; hij brengt zooveel troepen bijeen als mogelijk is en trekt Metellus' leger langs geheime paden te gemoet. In het deel van Numidië, dat Adherbal na de rijksverdeeling bezeten had, was een rivier die van het zuiden afvloeide. Muthul genaamd. Op een afstand van twintig duizend pas liep een bergketen, evenwijdig aan de rivier, woest en onbewoond. Uit het midden van dit gebergte verhief zich zeer ver naar voren een heuvel begroeid met wilde olijfboomen, myrten, en dergelijke gewassen, die in een droog en zandig terrein gedijen. De vlakte zelf was door het gebrek aan water dor, behalve de oevers der rivier: daar groeiden heesters en werden vee en landbouwers gevonden.
XLIX.
Op den heuvel die zich, zooals wij zeiden, dwars naar de rivier uitstrekte, nam Jugurtha plaats, zijn troepen [ 65 ]in het front uitbreidend; hij gaf aan Bomilcar het bevel over de olifanten en een gedeelte van het voetvolk, en deelde hem zijn instructies mede. Hijzelf plaatste zijn troepen met de geheele ruiterij en uitgelezen voetvolk dicht bij het gebergte. Zelf gaat hij alle escadrons en compagnieën rond, vermaant en bezweert ze, indachtig aan hun oude dapperheid en vroegere overwinningen hem zelf en zijn rijk te verdedigen tegen de hebzucht der Romeinen; het gold een strijd met dezelfde mannen, die zij reeds éénmaal overwonnen onder hetjuk hadden doen doorgaan; zij hadden een nieuwen bevelhebber, maar hun karakter was hetzelfde. Alle maatregelen, die een veldheer pasten, had hij genomen; hij had zijn leger op een hoogte geplaatst en er voor gezorgd, dat vooraf gewaarschuwde krijgslieden tegen een verrasten vijand zouden strijden; hij had vermeden een klein aantal soldaten te plaatsen tegenover een groote massa, of onwetenden tegenover ervaren krijgers. Zijn soldaten moesten dus bereid en vast voornemens zijn de Romeinen aan te tasten; één dag zou alle vorige moeiten en overwinningen bevestigen, of het begin zijn der grootste ellende. Eén voor één herinnerde hij sommige manschappen, hoe hij hen ieder afzonderlijk voor dappere daden met geld of eerbewijzen beloond had en stelde hen tot voorbeeld voor de overigen; naar ieders karakter medebracht, beloofde, dreigde, bezwoer hij de krijgers, en wekte hen op, ieder op zijn wijs. Onderwijl ziet men Metellus, onkundig van de vijandelijke stelling, het gebergte met zijn leger afdalen, zich afvragend wat dat ongewoon schouwspel beteekende; de paarden en de Numidiërs hadden zich [ 66 ]namelijk tusschen het kreupelhout gelegerd, maar waren niet geheel door het laag hout bedekt, zoodat men niet wist waarvoor ze te houden, daar zij door het terrein en door vermomming zichzelf en hun veldteekenen onkenbaar hadden gemaakt. Maar Metellus was spoedig op de hoogte van de krijgslist en liet zijn leger een korten tijd halt houden. Door een zwenking maakte hij van de rechter flank, die het dichtst bij den vijand gekeerd was, het front, en plaatste zijn infanterie in drie gelederen; tusschen de liniesoldaten verdeelt hij slingeraars en boogschutters, plaatst de geheele ruiterij aan de vleugels, en, na de soldaten, daar de tijd drong, kort te hebben toegesproken, voert hij zijn leger, in de aangegeven orde, maar na een nieuwe frontverandering, naar de vlakte.
L.
Toen hij evenwel bemerkte, dat de Numidiërs zich stil hielden en den heuvel niet verlieten, vreesde hij, met het oog op het jaargetij en het gebrek aan water, dat het leger door dorst zou kunnen omkomen; hij zond zijn luitenant Rutilius met lichte cohorten en een deel ruiterij vooruit, naar de rivier, teneinde een plaats voor een kampement van te voren te bezetten; hij verwachtte dat de vijand door herhaalde gevechten en flankaanvallen zijn marsch zou bemoeilijken, en, de wapenen wantrouwend, zou rekenen op de vermoeidheid en dorst der troepen. Zooveel als de omstandigheden en het terrein [ 67 ]het toelieten marscheerde hij langzaam voorwaarts, in dezelfde orde als hij het gebergte was afgedaald. Marius volgde aanstonds op het eerste gelid. Metellus zelf was bij de ruiterij van den linkervleugel, die thans de uiterste voorhoede vormde. Zoodra Jugurtha bemerkt, dat Metellus' achterhoede zijn eigen eerste linie was voorbij getrokken, bezet hij met 2000 man voetvolk het gebergte, langs hetwelk Metellus was afgedaald, teneinde te verhinderen dat het een toevluchtsoord en later een ver sterkte positie voor den vijand zou vormen. Hij geeft daarop een plotseling sein, en valt den vijand aan. De Numidiërs dooden de laatste soldaten der achterhoede, anderen grijpen linker- en rechtervleugel aan; geweldig is hun aanval en voortdringen; overal brengen zij de Romeinsche gelederen in wanorde. Zelfs de soldaten, die eerst den aanval des vijands onverschrokken doorstonden, werden in verwarring gebracht door de onberekenbare taktiek des vijands; uit de verte gewond hadden zij geen gelegenheid terug te slaan of handgemeen te worden; volgens de aanwijzingen van Jugurtha hadden de ruiters, toen de Romeinsche macht hen achter volgde, zich niet bijééngetrokken of één hoop gevormd, maar zich over verschillende punten zooveel mogelijk verdeeld. Door getalsterkte geducht, omsingelden zij, indien zij er niet in slaagden de vijanden te beletten hen te vervolgen, de verspreide troepenafdeelingen van achter of uit de flank; vonden [de Numidiërs] het raadzamer op den heuvel dan over de vlakte te vluchten dan wisten de aan het terrein gewende paarden tusschen het kreupelhout zich te redden, terwijl de onzen door [ 68 ]de ongunstige gesteldheid van den bodem en het onbekende terrein belemmerd werden.