Naar inhoud springen

Jugurtha/6

Uit Wikisource
XLI-L Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet

LI-LX

LXI-LXX
Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings.
[ 68 ]

LI.


Overal was, gedurende den strijd, verwarring, onzekerheid, gruwel, ellende. Sommigen waren van hun corps afgesneden, en vluchtten; anderen vervolgden den vijand; men gaf geen acht op vaandels noch slagorde, ieder stond pal en verdedigde zich dáár waar het gevaar hem trof. Wapenen, werptuig, paarden, soldaten, vijanden en burgers, alles lag dooreengemengd; niemand gaf acht op raadgeving of bevel, alles hangt van het geluk af.

De dag was reeds ver gevorderd, en de uitslag van den strijd nog steeds onzeker. Toen beide partijen door vermoeidheid en de warmte waren uitgeput, slaagde Metellus er in, bespeurende dat de Numidiërs minder heftig aanvielen, zijn troepen in één corps bijéén te brengen, en de gelederen te herstellen; daarop brengt hij vier legionarische cohorten tegen de infanterie des vijands in het veld. Een groot deel van diens troepen had zich, uitgeput, op de hoogten teruggetrokken. Tegelijkertijd smeekte en vermaande hij de soldaten, den moed niet te laten vallen, en niet te dulden dat reeds vluchtende vijanden de overwinning behaalden; de Romeinsche troepen, voegde hij er bij, hadden geen kamp of toevluchtsoord waar zij, wijkend, zich konden bergen; van de wapenen alléén was redding te ver[ 69 ]wachten. Jugurtha was onderwijl ook niet werkeloos; hij doorliep de gelederen, wakkerde de soldaten aan, hernieuwde het gevecht, deed het mogelijke met zijn keurbenden, kwam de zijnen te hulp, viel heftig de vijanden aan, die bereid schenen te wijken, en hield de andere die pal stonden, uit de verte door schermutselingen bezig.



LII.


Zoo wedijverden de twee bevelhebbers, beiden geniale mannen, gelijk door persoonlijke begaafdheid, ongelijk door de hulpmiddelen. Metellus had de dapperheid van zijn troepen vóór —, het terrein tegen zich; Jugurtha, was in alles gelukkig, behalve in de kwaliteit van zijn troepen. Ten slotte begrijpen de Romeinen dat zij zelf geen toevluchtsoord hebben, en de vijand een beslissend treffen poogt te ontwijken (de avond viel reeds), zij loopen dus, na een gegeven bevel, storm op den heuvel. Na het verlies van deze stelling worden de Numidiërs in verwarring gebracht en op de vlucht gedreven; eenigen worden gedood, de meesten brengen er het leven af, dank zij hun beweeglijkheid en de onbekendheid des vijands met het terrein.

Ondertusschen had Bomilcar, die zooals wij boven gezegd hebben, door Jugurtha aan het hoofd der olifanten en van een gedeelte der infanterie gesteld was, na door Rutilius ingehaald te zijn, zijn troepen langzaam op [ 70 ]de vlakte opgesteld. Terwijl de onderbevelhebber van Metellus zich haast de rivier, volgens het gegeven bevel, te bereiken, schaart Bomilcar kalm zijn leger in slagorde, en houdt niet op de bewegingen van den vijand overal na te gaan. Hij verneemt dat Rutilius zijn kamp heeft opgeslagen en niets kwaads vermoedt; tegelijk bereikte hem het geschreeuw der strijdenden in het leger van Jugurtha; hij vreest dat de onderbevelhebber, op de hoogte gesteld der gebeurtenissen, zijn aangevallen landgenooten zou bijstaan, en breidt dus de slagorde, die hij, den moed der soldaten wantrouwend, compact had opgesteld, ten einde het optrekken van den vijand te hinderen, thans verder uit, en marscheert aldus tegen het kamp van Rutilius.



LIII.


Plotseling zien de Romeinen een groote stofwolk op stijgen (de struiken die het terrein bedekten belemmerden het gezicht [op de troepen zelf].) Eerst denken zij aan een stofwolk door den wind in beweging gebracht; later zien zij dat de wolk steeds van gelijken vorm is en meer en meer nabij komt, naarmate het vijandelijk leger meer nadert; zij begrijpen wat de zaak beteekent, nemen spoedig de wapenen op, en plaatsen zich, volgens ontvangen orders, vóór het kamp. Nauwlijks zijn de twee legers bij elkander gekomen, of van beide zijden wordt men met groot geschreeuw handgemeen. De Numidiërs houden [ 71 ]alleen zóó lang pal, als zij vertrouwen op de hulp der olifanten, maar zoodra zij zien dat de dieren door de takken der struiken worden opgehouden en aldus in verwarring gebracht en omsingeld, slaan zij op de vlucht, velen werpen hun wapenen weg, en bergen zich zonder kwetsuren, dank zij het heuvelachtig terrein en de invallende nacht. Vier olifanten werden gevangen, de overige, ten getale van veertig, afgemaakt. De Romeinen waren door de marsch, den aanleg van het kamp en het gevecht uitgeput; daar Metellus evenwel zich langer liet wachten dan men vermoedde, trekken zij hem te gemoet, in goede orde en op hun hoede; de listige aard der Numidiërs bande alle slofheid of nalatigheid. In de nachtelijke duisternis, toen de twee legers elkander naderden, stuitten zij op elkander met een geraas alsof twee vijandelijke legers elkander ontmoetten; aan beide zijden was er vrees en alarm; de paniek zou bijna een vreeselijke ramp veroorzaakt hebben, indien de van beide zijden uitgezonden ruiters de zaak niet hadden opgehelderd. Vreugde vervangt plotseling den schrik, de soldaten roepen elkander vroolijk toe, verhalen van hun dappere daden of luisteren naar de verhalen hunner makkers: ieder verheft zijn eigen heldendaden ten hemel. Zoo gaat het: na een overwinning staat het zelfs den lafaards vrij te pochen, een nederlaag verlaagt den roem van dapperen.


[ 72 ]

LIV.


Metellus blijft vier dagen in hetzelfde kamp, verzorgt de gewonden, beloont naar krijgsgebruik de mannen die zich in het gevecht verdienstelijk hadden gemaakt, prijst en bedankt allen vóór het verzamelde leger, spoort hen aan de verdere krijgsbedrijven, die gemakkelijker zijn zullen, met denzelfden moed ten uitvoer te brengen, „tot nog toe vocht men om de overwinning, thans alleen om buit." Onderwijl zendt hij overloopers en andere geschikte personen, om te vernemen waar Jugurtha was en wat hij deed; of hij slechts eenige aanhangers dan wel een leger bij zich had; hoe hij zich na zijn nederlaag hield. Deze had zich in boschachtige en door de natuur beschutte streken teruggetrokken, en bracht daar een leger bijeen, talrijker dan het vorige, maar zwak en krachteloos, meer aan landbouw en veehoeden dan aan oorlog gewend. Dit was hieraan toe te schrijven dat, uitgenomen de persoonlijke ruiterij des konings, geen Numidiër ooit den vorst na zijn vlucht vergezelt: ieder gaat waar het hem goeddunkt, en dit is geen militaire schande. Zoo zijn de zeden.

Metellus zag dat de koning nog steeds hardnekkig bleef en een oorlog werd voortgezet, wiens verdere loop van Jugurtha's wil afhing; hij begreep dat de verdere kansen voor de Romeinen ongunstig waren, daar de vijand door een nederlaag minder werd verzwakt dan zij door een overwinning; hij besloot dus van gevechten en geregelde veldslagen af te zien, en een andere taktiek te volgen. Hij doortrekt de rijkste streken van Numidië, [ 73 ]verwoest de akkers, neemt en verbrandt vestingen en steden, die slecht versterkt of zonder bezetting waren, doet alle volwassenen ter dood brengen, en laat het overige zijn soldaten als buit over. De schrik hierdoor veroorzaakt, noopt de bevolking aan de Romeinen gijzelaars te geven, koorn en verdere benoodigheden aan te bieden. Overal waar men het noodig vond, werd bezetting gelegd. Deze handelwijs joeg den koning meer schrik aan, dan een nederlaag der zijnen gedaan zou hebben, zijn plan had in een voortdurend terugtrekken bestaan, en hij werd thans genoodzaakt den vijand te ach tervolgen; het door hemzelf gekozen terrein had hij niet kunnen verdedigen, en hij moest den vijand slag leveren waar deze wilde. Hij besluit evenwel de taktiek te volgen, die hem, in den toestand waarin hij zich bevond, de beste scheen; hij geeft aan het grootste gedeelte van zijn leger bevel, op een gegeven punt op hem te wachten; hijzelf zet, met een keurbende van ruiters. Metellus achterna, marscheert onbemerkt 's nachts langs binnenwegen, en valt onverwachts de verspreide Romeinen op het lijf. Velen vallen ongewapend, een groot aantal wordt gevangen, zij die zich door de vlucht redden, zijn allen gewond. De Numidiërs, voor men uit het kamp te hulp kwam, trokken zich, volgens bevel, naar de nabijzijnde heuvels terug.


[ 74 ]

LV.


Te Rome had het geluk van Metellus' wapenen een algemeene vreugde veroorzaakt; hij had wat zijn persoonlijk gedrag en de taktiek zijns legers betrof de voorvaderen geëvenaard, door zijn dapperheid de overwinning behaald in een ongunstig terrein, het land des vijands bezet; Jugurtha, kort geleden nog zoo uitdagend tengevolge van Albinus' slapheid, genoodzaakt zijn heil te zoeken in woestenijen of in de vlucht. De Senaat schreef, wegens den gelukkigen gang van den oorlog, dankgebeden aan de Goden uit; de stad, kort te voren angstig en bekommerd wegens den uitslag van den krijg, was vol vreugde, en de roem van Metellus weerklonk overal. Deze werd er des te meer op uit, voor goed de overwinning te behalen, haastte zich zooveel hij kon, maar was er tevens op bedacht zich den vijand niet bloot te geven; de roem, dit wist hij, werd steeds gevolgd door nijd. Met zijn roem wies zijn voorzorg. Na den gelukten aanslag van Jugurtha zond hij zijn leger niet meer ordeloos uit om buit te maken; was er behoefte aan graan of fourrage, dan werden de cohorten met de geheele ruiterij op wacht gezet; een gedeelte van het leger kommandeerde hijzelf, een ander Marius. Het land werd veeleer platgebrand dan uitgeplunderd. De twee veldheeren kampeerden op korten afstand van elkander; moest er ge vochten worden, dan vereenigden zij zich; maar voor het overige opereerden zij ieder afzonderlijk, teneinde de paniek en den schrik te vergrooten. Onderwijl volgde Jugurtha hen langs de heuvels, zocht tijd en gelegen[ 75 ]heid om een aanval te doen; verdierf, daar waar hij hoorde dat de vijand komen zou, het gras en de waterbronnen, die trouwens reeds zeldzaam waren; toonde zich dan eens aan Metellus, dan weder aan Marius, schermutselde met de achterhoede en trok dan weder in de heuvels terug; bedreigde dan den een, dan den ander, leverde geen slag en liet geen rust, hield den vijand van de uitvoering van zijn plannen terug.



LVI.


De Romeinsche veldheer, die zag dat hij door krijgslisten wordt bezig gehouden, en de vijand hem geen gelegenheid geeft slag te leveren, besloot Zama te belegeren, een voorname stad en bolwerk van het gedeelte van het land waar zij gelegen was; hij verwachtte dat Jugurtha, zooals zijn toestand het medebracht, zijn bedrangde partijgenooten zou pogen te ontzetten en dat er een slag geleverd zou worden. Maar Jugurtha was door de overloopers op de hoogte van de plannen van zijn vijand, en kwam door geforceerde marschen Metellus vóór. Hij moedigt de stedelingen aan hun wallen te verdedigen, en laat een hulpbende van Romeinsche deserteurs in de stad, het meest betrouwbare gedeelte van 's konings leger, omdat een nieuw verraad hun onmoge lijk was; hij belooft bovendien intijds zelf met een leger te hulp te zullen komen. Na deze schikkingen trekt hij zich terug in een zeer verborgen hinderlaag en komt [ 76 ]spoedig te weten dat Marius, om koorn te halen onderweg met eenige cohorten naar Sicca gezonden was, de eerste stad die na de nederlaag van den koning was afgevallen. Hij trekt er met een uitgelezen ruiterbende heen, in den nacht, en valt de Romeinen, die de plaats juist verlieten, voor de poort aan. Tegelijk spoort hij met luider stemme de mannen van Sicca aan, de cohorten in den rug aan te vallen: de fortuin gaf hun de gelegenheid, zeide hij, een waar heldenfeit uit te voeren. Deden zij het, dan zou hijzelf op den troon en zij in vrijheid verder een rustig leven leiden. Indien Marius niet haastig het bevel had gegeven, den aanval te beginnen en zoo buiten de stad te komen, zouden die van Sicca, geheel of voor een groot deel, van partij gewisseld hebben: zoo wispelturig zijn de Numidiërs! Maar de soldaten van Jugurtha, een tijd lang door den koning aangemoedigd, namen toen de aanval heftiger werd, met gering verlies, de vlucht.



LVII.


Marius komt voor Zama aan. Deze stad, gelegen in een vlakte, was meer door de kunst dan door de natuur versterkt, zonder gebrek aan wat ter verdediging dienstig was, wel voorzien van wapenen en bezetting. Metel lus brengt alles bijeen wat tijd en omstandigheden vereischen, omsingelt met zijn leger de muren der stad, geeft aan de onderbevelhebbers te verstaan, waar zij [ 77 ]zich ieder mede moeten bezig houden: op een gegeven sein wordt van alle punten een geweldig geschreeuw aangeheven, zonder dat de Numidiërs er door in verwarring worden gebracht: tegelijk gespannen en uittartend staan zij zonder paniek pal, en het gevecht begint. De Romeinen vechten, ieder naar zijn aard, sommigen werpen uit de verte met kogels en steenen, anderen naderen en ondergraven of beklimmen den muur, willen handgemeen worden. De belegerden werpen steenen op de meest nabijzijnde aanvallers, slingeren palen, schichten, daarnevens een mengsel van pek, zwavel en hars, alles in brand gestoken, naar beneden. De Romeinsche soldaten, die zich ver van de muren hielden, werden door hun vrees achtigheid niet eens beschermd, velen werden door de uit werktuigen of uit de hand geworpen spiessen getroffen, zoodat dapperen en lafhartigen aan dezelfde gevaren bloot stonden, hoewel zij niet denzelfden roem behaalden.



LVIII.


Terwijl aldus vóór Zama gevochten wordt, valt Jugurtha het kamp des vijands met een groote macht aan, en slaagt er in, daar de wacht zorgeloos en op alles eerder dan een gevecht voorbereid was, door de poort naar binnen te dringen. De onzen, door een plotselingen schrik getroffen, zorgen ieder op zijn manier voor zichzelf. Sommigen nemen de vlucht, anderen grijpen naar de wapenen, velen worden gewond of gedood. In de [ 78 ]geheele bezetting waren er slechts veertig die, gedachtig aan den Romeinschen naam, zich aaneensloten en een eenigszins hooggelegen punt bezetten, waar men hen met het grootste geweld niet uit kon verjagen; zij wierpen de schichten, die men hun toeslingerde, terug, en daar zij in zoo gering aantal, door veel vijanden omgeven waren, troffen zij haast bij iederen worp; kwamen de Numidiërs dichterbij, dan blonk de dapperheid dier kleine schaar uit, en werden de vijanden onverbiddelijk neergesabeld, in verwarring gebracht of op de vlucht geslagen. Metellus onderwijl, terwijl hij zich dapper weerde, vernam geschreeuw des vijands in zijn rug; hij keert zijn paard rechtsom en bemerkt dat men naar hem toe vlucht, bewijs dat de vluchtelingen landgenooten zijn. Hij zendt snel de geheele ruiterij naar het kamp, en dadelijk daarna C. Marius met de cohorten der bondgenooten; hij bezweert hem met tranen onder aanroeping van vriendschap, van het algemeene welzijn, geen schandvlek te laten kleven op den roem van het overwinnende leger, niet te dulden, dat de vijand ongedeerd vertrekke. Marius voert dit bevel spoedig uit. Jugurtha, door de versterkingen-zelf van het kamp belemmerd (sommige zijner soldaten vielen van de wallen naar beneden, anderen waren in hun haast, door het gebrek aan ruimte, zichzelf tot last) trekt zich, na groote verliezen geleden te hebben, in een sterke positie terug. Metellus keert, zonder zijn doel, [de inname van Zama,] bereikt te hebben, met het leger in het kamp terug.


[ 79 ]

LIX.


Den volgenden dag, voordat de troepen uittrokken voor een nieuwen aanval op de stad, laat hij de geheele ruiterij, in de richting vanwaar de koning was uitgetrokken, voor het kamp post vatten, plaatst de poorten van het kamp en nabijzijnde posten onder het bevel van tribunen, marscheert vervolgens zelf naar de stad en herhaalt den aanval van den vorigen dag tegen den muur. Onderwijl valt Jugurtha uit een hinderlaag de onzen op het lijf. De troepen die het dichtst bij hem geplaatst waren, worden in een oogenblik verschrikt en in verwarring gebracht, de overige komen hun spoedig te hulp. De Numidiërs zouden niet langer hebben stand gehouden, indien hun voetvolk, met ruiterij vermengd, geen groote catastrophe in het gevecht had veroorzaakt. Op het voetvolk vertrouwend, bepaalde de cavalerie zich niet, zooals in een gewoon ruitergevecht, tot het aangrijpen van den vijand, om daarna terug te trekken; zij viel het front aan, bracht de slagorde in verwarring en doorbrak ze. De reeds bijna geheel overwonnen vijanden werden dan de prooi van het lichte voetvolk.



LX.


Terzelfder tijd werd voor Zama geweldig gevochten, ieder luitenant of tribuun verdedigde met de grootste [ 80 ]energie de hem toevertrouwde stelling; ieder soldaat vocht voor zichzelf, zonder op hulp van zijn kameraad te rekenen; de belegerden evenzoo. Ieder punt werd even hardnekkig aangevallen als verdedigd; men dacht er van weerszijden meer aan, den vijand te kwetsen, dan zichzelf te verdedigen; een luid geschreeuw, mengsel van bemoedigende uitroepen, vreugdekreten, angstgeschrei, steeg ten hemel, tegelijk met het wapengekletter; van beide zijden vlogen de werpspiessen. Maar de verdedigers der vesting richtten, zoodra de heftigheid van den aanval een weinig verminderde, al hun aandacht op het ruitergevecht. Naarmate de kansen voor Jugurtha gunstiger of ongunstiger waren, gaven zij blijken van vreugde of van angst; konden zij door de hunnen gehoord of gezien worden, dan waarschuwden zij hen, moedigden hen aan, gaven teekenen met de handen, en namen de houding aan van soldaten die een werpspies slingeren of ontwijken. Toen Marius dit bemerkte — hij kommandeerde daar — ging hij opzettelijk langzaam te werk en hield zich alsof hij den uitslag van het gevecht wantrouwde; — hij gaf den Numidiërs alle gelegenheid, aan het gevecht van den koning ongestoord hun aandacht te schenken. Terwijl de belegerden enkel oog hebben voor den strijd hunner landge nooten, valt hij met een groote troepenmacht de muren aan. De soldaten beklimmen de stormladders en hadden reeds bijna de hoogte van den wal bereikt, toen plotseling de belegerden te hoop loopen, steenen, vuur en werptuigen op de aanvallers werpen. De onzen staan eerst pal, maar weldra, nadat sommige stormladders [ 81 ]verbrijzeld, die er zich op bevonden ter aarde geworpen waren, deinsden de overigen, zoo goed en zoo kwaad zij konden, terug, sommigen ongedeerd, de meesten vol wonden. De nacht maakte van beide zijden een einde aan den strijd.


Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Jugurtha/6&oldid=201742"