Jugurtha/7
| ← LI-LX | Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet | LXXI-LXXX → |
| Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings. |
LXI.
Metellus ziet dat zijn onderneming mislukt is, dat de stad niet is genomen, en Jugurtha alleen uit hinderlagen of op door hemzelf gekozen terrein slag levert; de zomer
was bovendien verstreken. Hij verlaat Zama en legt bezetting in de steden die voor hem partij hadden gekozen en door de positie of door de vestingwerken als veilig konden beschouwd worden. Voor het overige laat hij het leger de winterkwartieren betrekken in de Romeinsche provincie die het dichtst bij Numidië gelegen is. Overigens brengt hij den winter niet door, zooals anderen, in luiheid en wellust, maar poogde, daar de oorlog door de wapenen alleen weinig vorderde, den koning door zijn vrienden lagen te doen leggen, en van hun trouweloosheid als een wapen gebruik te maken. Bomilcar (die met Jugurtha te Rome geweest en, na gijzelaars gegeven te hebben, aan de rechtsvervolging wegens den op Massiva gepleegden moord, door de vlucht ontkomen was), wordt door hem met beloften aangezocht, daar hij zeer met Jugurtha vertrouwd was, en dus gelegenheid had hem te verraden. Vooreerst brengt hij te weeg, dat
[ 82 ]Bomilcar hem [Metellus] ten einde een mondelinge conferentie met hem te hebben, in het geheim bezoekt. Metellus belooft onder eede, dat indien Bomilcar hem
Jugurtha levend of dood overleverde, de Senaat hem straffeloosheid waarborgen en zijn goederen hem terug zou geven; hij wint den Numidiër des te gemakkelijker,
daar deze een trouweloos karakter had, en vreesde, dat indien de vrede met de Romeinen gesloten werd, zijn uitlevering en ter-dood-brenging één der voorwaarden zou uitmaken.
LXII.
Zoodra een gelegenheid zich voordeed, vervoegde Bomilcar zich bij Jugurtha, op dat oogenblik bezorgd en over zijn ongeluk klagend. Hij raadt hem aan, bezweert hem met tranen in de oogen, aan zich zelf, aan zijn kinderen, aan het volk van Numidië, dat zich zoo verdienstelijk heeft gemaakt, te denken; zij waren in alle veldslagen overwonnen, de velden verwoest, een groot deel der bevolking gevangen of gedood, de hulpmiddelen van het Rijk uitgeput; al lang genoeg had men de dapperheid der soldaten en de fortuin op proef gesteld; hij moest bedenken, dat, zoo hij aarzelde, de Numidiërs voor zich zelf zouden zorgen. Door deze en dergelijke rede neeringen haalt hij den koning over tot capitulatie. Gezanten werden aan den [Romeinschen] bevelhebber ge zonden, die aankondigen dat Jugurtha de gegeven orders [ 83 ]zal nakomen, en zich zonder voorwaarde, met zijn Rijk, aan diens genade overleveren. Metellus laat alle [in het leger aanwezige] senatoren uit de winterkwartieren bij zich komen, en belegt met hen en andere, door hem gekozen personen, een krijgsraad. Volgens oud gebruik, naar oordeel van den krijgsraad, eischt men van Jugurtha tweehonderdduizend pond zilver, al zijn olifanten, een gedeelte van zijn paarden en wapenen. Nadat dit alles op staanden voet was overgeleverd, geeft de raad Jugurtha bevel, alle overloopers geketend te doen voorbrengen. Het meerendeel werd inderdaad, volgens het bevel, overgeleverd; een klein aantal was, bij het begin der onderhandeling, naar koning Bocchus van Mauretanië gevlucht. Jugurtha, aldus ontbloot van wapenen, manschap en geld, begon, toen hij bevel kreeg naar Tisidium te vertrekken, teneinde daar nadere orders te ontvangen, opnieuw van voornemen te veranderen: zijn slecht geweten deed hem een gerechte straf vreezen. Hij bracht vele dagen in wijfelingen door, — dan eens scheen hem, de nederlagen moede, alles beter dan een oorlog, dan weder overdacht hij welk een val het was, van koning slaaf te worden — en besloot ten slotte, na zijn vele en gewichtige hulpmiddelen te vergeefs te hebben overgeleverd, den oorlog op nieuw te beginnen. Te Rome had de Senaat onderwijl bij de verdeeling der provinciën, Numidië weder aan Metellus toegewezen.
[ 84 ]
LXIII.
Te dier tijd bevond zich C. Marius te Utica; eens dat hij aan de goden offerde, verkondigde een waarzegger hem dat de teekenen hem een groote en wonderlijke toekomst voorspelden; hij moest dus, op de goden steunend, de plannen die hij in zijn ziel met zich omdroeg, ten uitvoer brengen, de fortuin zoo vaak als mogelijk beproeven; alles zou hem gelukken. Reeds vroeger had een hevige ambitie, consul te worden, hem gekweld, hiertoe bezat hij alle vereischten, behalve de oudheid van zijn geslacht: ijver, eerlijkheid, krijgskunst, een karakter geweldig in den oorlog, gematigd in vredestijd, boven wellust en rijkdom verheven, alleen dorstend naar roem. Hij was geboren te Arpinum, waar hij als knaap werd opgevoed; zoodra hij de wapenen kon dragen, nam hij dienst in het leger, zonder dat hij gepoogd had zich de grieksche welsprekendheid of de elegantie der hoofdstad eigen te maken. Aldus in mannelijke oefeningen gevormd, ontwikkelde zijn krachtig karakter zich weldra in al zijn macht. De eerste maal dat hij zich bij het volk kandidaat stelde voor den rang van militair tribuun, was hij in al de secties[1] bekend, ofschoon hij een parvenu was en de meesten zijn aangezicht nimmer aanschouwd hadden. Van dien rang uitgaande, klom hij steeds hooger op, en gedroeg zich, in de betrekkingen die men hem toevertrouwde, zoo uitstekend, dat men [ 85 ]hem steeds een hooger rang waardig keurde dan die welke hij reeds bekleedde. Evenwel durfde Marius, ondanks al zijn verdiensten, zich op dat oogenblik (later raakte door de ambitie zijn hoofd aan het draaien) nog niet kandidaat stellen voor het consulaat. De overige magistraturen hingen af van de stemmen van het volk, maar het consulaat werd toen nog beschouwd als een eigendom van den adel. Hoe gunstig bekend en door daden uitstekend een parvenu ook wezen mocht, men beschouwde hem als die eer onwaardig en als te onrein, om die betrekking te bekleeden.
LXIV.
Toen Marius evenwel door de voorspelling van den waarzegger zijn eigen geheime wenschen zag bevestigen, vroeg hij aan Metellus een verlof, teneinde zich [te Rome] kandidaat te stellen. Ofschoon Metellus uitmuntte door dapperheid, wapenroem en andere gaven, die een man tot eer verstrekken, had hij evenwel een minachtende en trotsche inborst, gewoon gebrek der aristokratie. Hij toonde zich eerst verbaasd over Marius' ongewoon verzoek, betuigde verwondering over zijn plan, en gafhem, als uit vriendschap, den raad zulk een waagstuk niet te begaan, en niet hooger te willen streven dan zijn fortuin hem toeliet; niet allen moesten alles begeeren, zijn tegenwoordige positie moest hem genoeg zijn; hij moest er, ten slotte, zich wel voor wachten, van het Romeinsche volk een post te vragen, die men hem met recht kon weigeren. Nadat hij dit gezegd had, en Marius [ 86 ]bij zijn voornemen bleef, gaf hij ten antwoord, dat hij hem zijn verlof zou geven, zoodra de dienst van het leger het toeliet. Later, toen Marius zijn aanzoek meermalen herhaalde, zou hij, naar men beweert, gezegd hebben, dat hij zich niet te veel haasten moest met zijn vertrek; hij zou noch tijd genoeg hebben om het consulaat te vragen tegelijk met Metellus' zoon. Deze diende in het leger, in het gevolg van zijn vader, en was ongeveer twintig jaar oud[2]. Dit alles had Marius nog meer doen ontvlammen, zoowel voor de waardigheid, die hij zocht te verkrijgen, als tegen Metellus; eerzucht en toorn, twee slechte raadgevers, brachten hem buiten zichzelven; geen gelegenheid, in daad of woord, liet hij voorbijgaan, die zijn ambitie dienstig kon zijn; hij gaf aan de soldaten, die hij in de winterkwartieren kommandeerde, meer toe dan vroeger; met de handelaars, die in grooten getale te Utica waren, sprak hij over den krijg, op een wijs die hoonend voor anderen, en vol eigen lof was; indien men hem. Marius, de helft van het leger overgaf, zou hij binnen weinige dagen Jugurtha geketend bij zich hebben; de opperbevelhebber hield den krijg opzettelijk slepende, daar deze man, ijdel en vol koninglijken trots, te veel aan het kommando gehecht was. De kooplieden vonden dit alles des te gelooflijker, daar door den langen duur van den oorlog hun zaken slecht gingen en te gronde gericht waren, en iemand die begeert steeds oordeelt, dat de zaken te langzaam gaan. [ 87 ]
LXV.
Er was bovendien in ons leger een zekere Numidiër Gauda genoemd, zoon van Mastanabal en kleinzoon van Masinissa, die door Micipsa in zijn testament als tweede erfgenaam was genoemd, ziekelijk en om die reden een weinig zwak van geest. Metellus had diens verzoek, zijn zetel naast den Romeinschen bevelhebber te mogen plaatsen, zooals andere koningen, afgeslagen, evenals later zijn aanvraag om een bende Romeinsche ruiters, ter bescherming: het eerbewijs, omdat het alleen aan hen werd toegestaan, die het Romeinsche volk als konin gen erkend had; de lijfwacht, omdat het voor Romeinsche ruiters onteerend zou zijn, als gevolg aan een Numidiër te worden afgestaan. Tot dezen teleurgestelden persoon wendde zich Marius, en maande hem aan, de beleedigingen hem door den opperbevelhebber aangedaan, met zijn hulp te wreken. Hij prijst den door ziekte zwakhoofdig geworden man in een met diens gevoelens overeenkomende lofrede: hij was een wettig koning, een gewichtig man, kleinzoon van Masinissa; werd Jugurtha gevangen of gedood, dan zou hij aanstonds meester van Numidië zijn; dit zou onmiddellijk plaats hebben, indien Marius-zelf als consul met de leiding van den oorlog belast werd. Zoo werden Gauda, de Romeinsche ridders, soldaten en kooplieden gedeeltelijk door de intrigues van Marius, gedeeltelijk door de hoop het einde van den oorlog te verhaasten, er toe gebracht, in brieven aan hun vrienden te Rome zich bitter over Metellus' wijze van oorlog [ 88 ]voeren te beklagen, en Marius als opperbevelhebber aan te wijzen. Aldus werd hij, door de zeer vereerende overeenstemming van velen, als toekomstig consul aanbevolen; en dit op het oogenblik dat het volk, na de nederlaag van den adel door de wet Mamilia, alleen van parvenus hooren wilde. Zoo werkte alles mede om Marius te begunstigen.
LXVI.
Ondertusschen had Jugurtha de capitulatie verbroken en den oorlog opnieuw begonnen: met de grootste zorg maakte hij al de noodige voorbereidselen, bespoedigde hij de maatregelen, en bracht een leger op de been; de steden die van hem afgevallen waren, werden door bedreigingen of hoop op belooningen gewonnen; zijn eigen plaatsen bevestigd; wapenen, werptuigen, en dergelijke, die hij, ten einde vrede te kunnen sluiten, had overgegeven, werden opnieuw aangemaakt of gekocht; de Romeinsche slaven werden aangezocht in zijn dienst te reden, en zelfs beproefd hij de garnizoenen door geldaanbiedingen te winnen; hij liet niets onbeproefd, niets met vrede, en poogde alles in beweging te brengen. Te Vaga, een stad waar Metellus in het begin, toen Jugurtha vrede scheen te willen sluiten, bezetting gelegd had, doch waar men door de smeekingen des konings aan het wankelen was gebracht (men had zich trouwens niet vrijwillig van hem afgescheiden) smeedden de hoofden der stad een zamen [ 89 ]zweering; de massa der bevolking was, zooals gewoonlijk en vooral in Numidië, wankelbaar, tot oproer en tweedracht geneigd, belust op omwentelingen, afkeerig van rust en vrede. Zij werden het eens over een plan en besluiten den derden dag te handelen; deze werd in geheel Afrika gevierd, en deed meer denken aan spel en vroolijkheid dan aan vreeselijke gebeurtenissen. Zoodra de dag was aangebroken, verzoeken zij de centurios en militaire tribunen, den bevelhebber zelf der stad, T. Turpilius Silanus, het feest bij hen aan huis te komen vieren; zij brengen allen, behalve Turpilius, onder den maaltijd, om het leven, en vallen daarop de soldaten aan, die verspreid en ongewapend waren, zooals natuurlijk was op zulk een dag, en op een oogenblik dat geen der bevelhebbers aanwezig was. Het volk doet hetzelfde, som migen op aanwijzing van den adel, anderen door hartstocht gedreven, ofschoon zij niet wisten wat er gedaan en besloten was, en alleen omdat zij zich verheugden in oproer en omwentelingen in zich zelf.
LXVII.
De Romeinsche soldaten door een plotselinge paniek getroffen, wijfelend en niet wetend, wat te doen, loopen her- en derwaarts; de citadel, waar de veldteekenen en schilden zich bevonden was door den vijand bezet; de gesloten poorten maakten de vlucht onmogelijk; de vrouwen en kinderen wierpen om het hardst [ 90 ]steenen en andere werptuigen, die voor de hand lagen, van de daken der huizen; het was onmogelijk het dubbel gevaar te ontgaan, en de dappersten konden geen tegenstand bieden aan zeer zwakke vijanden. Moedigen en zwakken, dapperen en lafhartigen werden ongewroken van kant gemaakt. Te midden van deze gruwelen, onder het woeden der Numidiërs en terwijl de stad overal gesloten was, slaagde, van alle Italianen, alleen de bevelhebber Turpilius er in, zich door de vlucht te redden; of hij dit te danken had aan het medelijden van zijn gast, aan een overeenkomst of aan het toeval, weet ik niet; alleen schijnt, daar hij te midden van zooveel rampen een eerloos leven verkoos boven een onbevlekten naam, zijn handelwijs schandelijk en onteerend.
LXVIII.
Toen Metellus het gebeurde te Vaga vernam, trok hij zich een wijl, door droefheid overmand, in de afzondering terug; toen de toorn zich bij de smart voegde, haastte hij zich met de grootste zorg de geleden beleedigingen te wreken. Het legioen, dat hij in de winterkwartieren bij zich had, en al de Numidische ruiters, die hij bijeen kan brengen, laat hij bij zonsondergang slagvaardig uitrukken, en komt den volgenden dag, ter derder ure in een vlakte aan, door lage heuvels omgeven. Aan de soldaten, reeds uitgeput door den langen marsch, en
íederen dienst weigerend, deelt hij mede, dat de stad [ 91 ]Vaga niet verder dan duizend pas verwijderd is; zij moesten de arbeid, die nog te doen was, geduldig ondernemen, teneinde hun medeburgers, even dapper als beklagenswaardig, te kunnen wreken; tevens houdt hij hun den grooten te behalen buit voor oogen. Na hen aldus te hebben opgewekt, zendt hij de ruiterij in de voorhoede, wijd uitgebreid, vooruit, terwijl hij aan de infanterie bevel geeft, zich dicht aaneen te sluiten, en de standaarden te verbergen.
LXIX.
Toen de inwoners van Vaga bemerkten, dat een leger naar hun stad voortrukte, dachten zij eerst dat het Metellus was (zooals ook werkelijk het geval was), en sloten de poorten; daarna, ziende dat de velden niet verwoest werden, en de voorhoede uit Numidische ruiters bestond, meenen zij integendeel dat Jugurtha hen te hulp komt, en gaan hem vol vreugde te gemoet. De ruiters en voetknechten, op een gegeven teeken, sabelen het uit poorten op buit die van de stad toegestroomde volk neder, ijlen naar de en nemen de torens in; de woede en de hoop waren sterker dan de vermoeienis. Zoo hadden Vaga slechts twee dagen lang zich kunnen ver heugen over hun trouweloosheid. De groote en rijke stad werd slachtoffer van wraak en plundering. Turpilius, de bevelhebber, die, naar wij zagen, die eenige man der bezetting was, die aan den moord ontkwam, kreeg van [ 92 ]Metellus bevel zich te verdedigen; daar hij er niet in slaagde zich te zuiveren, werd hij veroordeeld, gegeeseld en onthoofd, (hij genoot alleen het Latijnsch burgerrecht).
LXX.
Om dezen tijd begon Bomilcar, op wiens raad Jugurtha de capitulatie had gesloten, die hij later uit vrees verbroken had, bij den koning verdacht en hem zelf verdenkend, op nieuwe aanslagen te zinnen, listen uit te denken om Jugurtha voor goed uit den weg te ruimen, en zich dag en nacht af te pijnen met het maken van plannen: alles beproevend, kiest hij tot deelgenoot in zijn voornemen Nabdalsa, een man van goede geboorte, rijk, bemind en gezien bij zijn landgenooten; hij was gewoon bevel over een deel van het leger te voeren, dat niet onmiddellijk onder den koning stond, en alle zaken te beredderen, die Jugurtha, vermoeid of door gewichtiger zorgen opgehouden, niet kon afdoen. Vandaar zijn vermaardheid en zijn rijkdom. Bomilcar en Nabdalsa bepalen een dag voor den aanslag; het overige zou, naar de omstandigheden het eischten, op het oogenblik zelf worden geschikt. Nabdalsa vertrok naar zijn leger, dat hij volgens bevel te midden der winterkwartieren der Romeinen had geschoven, teneinde te verhinderen, dat de vijand straffeloos de landerijen zou verwoesten. Verschrikt door het geweldige van den beraamden aanslag, verzuimde hij [ 93 ]zich op het bepaalde oogenblik te vertoonen, en zoo werd door zijn angst het plan verijdeld. Bomilcar, die steeds wenschte, dat het ten uitvoer gebracht zou worden, en wien de angst van zijn deelgenoot bekommerde, vreesde dat hij van besluit zou veranderen, en zond hem door vertrouwde personen een brief, waarin hij hem van lauwheid en werkeloosheid beschuldigde; hij riep de goden aan bij welke Nabdalsa gezworen had, en maande hem aan, de belooning die Metellus hem toedacht, niet, door een nieuw verraad, in zijn eigen verderf te keeren. „Jugurtha was toch verloren: de eenige vraag was of hij door zijn hand of door die van Metellus zou te gronde gericht worden; Nabdalsa moest zelf overleggen of hij liever beloond dan onder folteringen ter dood gebracht wilde worden. "