Naar inhoud springen

Jugurtha/8

Uit Wikisource
LXI-LXX Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet

LXXI-LXXX

LXXXI-XC
Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings.
[ 93 ]

LXXI.


Op het oogenblik dat men den brief aanbracht, lag Nabdalsa door lichaamsoefeningen vermoeid op een rustbed: hij nam kennis van de woorden van Bomilcar en werd eerst door beslommeringen, en daarna, zooals gebeurt, wanneer de geest ingespannen geweest is, door slaap overvallen. In zijn omgeving was een Numidiër, met de leiding zijner zaken belast, op wiens trouw en gehechtheid hij meende zich te kunnen verlaten, en van al zijn ondernemingen, behalve van de laatste, op de hoogte. Deze vernam dat een brief was aangekomen, en [ 94 ]meenend, dat Nabdalsa, naar gewoonte, zijn vlijt ofraad zou behoeven, treedt hij de tent binnen, neemt den brief, dien Nabdalsa zonder nadenken achter zijn hoofd op het kussen gelegd had, leest hem, en vertrekt aanstonds, op de hoogte van het gepland verraad, naar den koning. Nabdalsa kort daarna ontwaakt, vond den brief niet, en vernam wat was voorgevallen: hij poogde eerst den aangever te achterhalen; toen dit mislukte, vervoegde hij zich bij Jugurtha, teneinde zich met hem te verzoenen; hij zeide dat, wat hij zelf had pogen te doen, door de trouweloosheid van zijn cliënt voorkomen was; tranen stortend, bezwoer hij hem, bij hun oude vriendschap, bij de bewijzen van trouw, die hij vroeger gegeven had, niet te gelooven, dat hij zich schuldig zou gemaakt hebben aan zulk een misdaad.



LXXII.


De koning verborg, hierop antwoordend, zijn ware gevoelens, en behield uiterlijk zijn kalmte. Hij had Bomilcar en vele anderen, die hij wist dat kennis hadden gedragen van het complot, onmiddellijk ter dood laten brengen, en daarna zijn toorn onderdrukt. Maar sedert dat oogenblik had Jugurtha nacht noch dag rust; iedere plaats, ieder mensch, ieder uur wantrouwde hij, was voor zijn landgenooten even bevreesd als voor zijn vijanden, onderzocht alle verblijven, werd door het minste geluid opgeschrikt, sliep dan in deze, dan weder in een andere [ 95 ]kamer, dikwijls in vertrekken die een koning onwaardig waren, gaf van tijd tot tijd, uit zijn slaap opgewekt en naar de wapenen grijpend, het alarmsignaal, zoodat het scheen of de vrees hem tot waanzin dreef.



LXXIII.


Onderwijl had Metellus, door overloopers vernemend dat Bomilcar verloren en het verraad ontdekt was, met haast alle maatregelen getroffen om den oorlog op nieuw te beginnen. Marius, die hem met aanzoeken om verlof lastig viel, scheen hem toe, weinig bruikbaar te zijn, daar hij tegen zijn zin diende en zich door den opperbevelhebber beleedigd achtte; hij werd dus naar Rome teruggezonden. Daar had het volk kennis gekregen van de brieven aangaande Marius en Metellus: zij werden wat beiden betrof met graagte ontvangen. Den opperbevelhebber was zijn adel, vroeger een aanbeveling, thans een hinderpaal; de nederige geboorte van den ander was thans een reden om de volksgunst te verwerven. Overigens werden de deugden en gebreken van beiden meer volgens den partijgeest dan volgens hun innerlijke waarde afgewogen. Bovendien wonden demagogische volkstribunen het volk op, vroegen in alle vergaderingen het hoofd van Metellus, en verhieven de dapperheid van Marius ten hemel. Ten slotte werd het volk zoo opgewonden, dat alle werklieden en boeren, wier eenige kostwinning en toevlucht hun handenarbeid was, hun werk verlieten. Marius in groepen begeleidden, en liever hem eer bewezen dan te voorzien [ 96 ]in hun eigen levensbehoeften. De adel werd geheel uit het veld geslagen, en een parvenu, voor het eerst na vele jaren, tot consul gekozen. Daarop stelde de volkstribuun T. Manlius Mancinus de vraag, wien het volk met den oorlog tegen Jugurtha wilde belasten; de groote meerderheid antwoordde: Marius; [de Senaat] had kort te voren [Numidië aan Metellus] toegestaan; dit besluit werd niet ten uitvoer gebracht.



LXXIV.


Op dit oogenblik had Jugurtha bijna al zijn aanhan gers verloren, velen had hijzelf omgebracht, anderen hadden uit vrees naar de Romeinen of koning Bocchus de wijk genomen; daar hij evenwel den oorlog niet zonder helpers kon voortzetten, en hij zich op geen nieuwe vertrouwden durfde verlaten, daar de oude zich zoo verraderlijk getoond hadden, veranderde hij steeds van plan en wist niet wat te doen. Geen zaak, geen voorslag, geen mensch boezemde hem meer vertrouwen in. Van dag tot dag wijzigde hij de marschorders, en wisselde van bevelhebbers, dan eens trok hij op tegen den vijand, dan weder naar de wildernis, hoopte nu eens heil van de vlucht, dan weder van een veldslag; en wist niet wat hij het meest moest wantrouwen, de dapperheid of de loyauteit zijner landgenooten; waar hij zich ook wendde, zag hij niets dan tegenspoed. Te midden van zijn vertragingen, vertoonde zich plotseling Metellus [ 97 ]met zijn leger. De Numidiërs werden, zooveel de tijd het toeliet, uitgerust en in slagorde gesteld; en het gevecht begon. Daar waar de koning zelf bij den strijd tegenwoordig was, werd een tijd lang gevochten, maar al zijn overige troepen werden bij den eersten schok teruggeworpen en op de vlucht gedreven. De Romeinen namen een aantal standaarden en wapenen, maar maakten weinig gevangenen; want in bijna alle gevechten dankten de Numidiërs hun redding aan hun voeten, meer dan aan hun wapenen.



LXXV.


Deze nederlaag deed Jugurtha nog meer twijfelen aan de toekomst zijner zaak; met de deserteurs [uit het Romeinsche leger] en een gedeelte zijner ruiterij trok hij naar de woestijn en vandaar naar Thala, een groote en rijke stad, waar veel schatten opeen gehoopt waren, en waar eenige van zijn zonen, nog knapen, met veel glans werden opgevoed. Toen Metellus dit vernam, besloot hij, hoewel hij wist dat tusschen Thala en de meest nabijgelegen rivier op een afstand van vijftigduizend passen, alles dor en woest was, in de hoop den krijg ten einde te brengen, indien hij zich van de stad meester maakte, over alle moeilijkheden heen te stappen en de natuur-zelf te overwinnen. Hij geeft beval de lastdieren van alle gepak te ontlasten, behalve van graan voor tien dagen; overigens mochten alleen zakken en andere ustensiliën voor het dragen van water worden medegenomen. Bovendien laat hij uit de [ 98 ]velden zooveel tam vee als mogelijk bijeendrijven, en belast dit met waterkannen van allerlei soort, vooral van hout, die men uit de hutten der Numidiërs gehaald had. Bovendien geeft hij orde aan de naburige bevolking, die zich na de vlucht des konings aan Metellus onderworpen had, dat ieder man zoo veel water zou mededragen als hij kon. Dag en plaats waar zij gereed moeten zijn, geeft hij aan, en vult van zijn kant de waterzakken, door het lastvee gedragen, uit de rivier, die zooals wij zeiden, de stroom was die het minst ver van de stad af lag. Op deze wijze voorzien, rukt hij tegen Thala op. Toen men op de plaats was aangekomen, die hij aan de Numidiërs had aangewezen, en het kamp opgeslagen en versterkt was, viel, naar men zegt, uit den hemel zulk een massa water, dat het leger reeds meer dan genoeg had; bovendien was de aangebrachte voorraad grooter dan men gehoopt had, daar de Numidiërs, zooals dikwijls het geval is met lieden die zich onlangs hebben overgegeven, al hun krachten hadden aangewend. De soldaten maakten overigens, uit godsdienstigen eerbied, vooral gebruik van het regenwater, en het gebeurde gaf hun nog meer moed, daar zij geloofden voorwerp van de zorg der onsterfelijke goden te zijn. Den volgenden dag komen zij, tegen de verwachting van Jugurtha, te Thala aan. De stedelingen, die zich door de ongenaakbare ligging der plaats zeker waanden, waren getroffen door dezen geweldigen en ongewonen aanval, maar haastten zich niettemin, voorbereidsels tot den strijd te maken: de onzen deden hetzelfde.


[ 99 ]

LXXVI.


De koning kwam tot de overtuiging, dat niets Metellus onmogelijk was, daar hij alles, wapenen, werptuigen, plaatsen, tijdsomstandigheden, ten laatste de natuur-zelf, die alles beheerscht, door zijn overleg had overwonnen. Hij ontvluchtte, midden in den nacht, uit de stad, zijn kinderen en een groot deel van zijn schatten met zich medevoerend. Sedert hield hij op geen punt langer dan één dag of één nacht verblijf, onder voorwendsel dat zijn politiek deze haast vereischte, maar in waarheid omdat hij voor verraad vreesde, dat hij door snelheid van beweging zocht te ontwijken: dergelijke aanslagen worden gewoonlijk gesmeed, wanneer men er tijd toe heeft en zich een gelegenheid voordoet. Metellus bemerkt dat de bewoners tot wederstand bereid, de stad door werken en natuurlijke ligging verdedigd is; hij omsingelt dus de muren met een verschansing en een gracht. Op de punten die hem het meest geschikt voorkomen, brengt hij katten in beweging, werpt een aarden wal op, en plaatst op dien wal evenhoogen, teneinde het werk en de belegeraars te beschermen. De belegerden matten zich af, namen voorzorgsmaatregelen, zoodat van beide kanten al het mogelijke gedaan werd. Het was eerst toen de Romeinen door langen arbeid en gevechten uitgeput waren, veertig dagen nadat de stad berend was, dat zij zich van de vesting, en van de vestingalleen meester maakten; de geheele buit was van te voren door de [Romeinsche] overloopers vernietigd. Deze hadden, zoodra zij de muren met stormrammen ge[ 100 ]beukt en hun toestand hopeloos zagen, het goud, zilver en verdere zaken van waarde, naar het koninklijk paleis gebracht; daar hadden zij, vol wijn en spijzen, hun schatten, het paleis en zichzelf door het vuur vernietigd, en zoo vrijwillig de straf ondergaan, die zij, eenmaal overwonnen, van den vijand verdiend hadden.



LXXVII.


Op hetzelfde oogenblik dat Thala genomen werd, kwamen gezanten der stad Leptis bij Metellus, die hem verzochten hun een bezetting en een bevelhebber te zenden. Een zekere Hamilcar, een man van goede af komst, van een onrustig karakter, zocht een omwenteling te weeg te brengen; het gezag der magistraten, de wetten, alles was tegenover hem machteloos; nam Metellus niet aanstonds maatregelen, dan zouden zij, bondgenooten der Romeinen, in het grootste gevaar verkeeren. De inwoners van Leptis hadden van het begin van den oorlog met Jugurtha, gezantschappen aan den consul Bestia, later naar Rome gezonden, teneinde vrienden bondgenootschap te verzoeken; dit eenmaal verkregen, waren zij steeds welgezind en getrouw gebleven, en hadden alles wat Bestia, Albinus, en Metellus hun bevolen hadden, vlijtig ten uitvoer gebracht. Zij verkregen dus zonder moeite van den bevelhebber wat zij begeerden. Men zond er vier cohorten Liguriërs heen en C. Annius als bevelhebber.


[ 101 ]

LXXVIII.


Deze stad is gesticht door Sidoniërs, die naar men beweert, als vluchtelingen, tengevolge van burgerlijke onlusten, te scheep op dat punt waren aangekomen. De plaats ligt tusschen de twee Syrten, wier naam ontleend is aan hun natuurlijke gesteldheid. Het zijn twee inhammen bij de uiterste grens van Africa, ongelijk van grootte, gelijk van natuur. Het water is er diep vlak bij de kust, maar het overige gedeelte van den inham is dan diep, dan ondiep, naar mate van de weêrgesteldheid. Zoodra namelijk de zee onstuimig is en door de winden wordt opgezweept, slepen de golven slijk, zand en reusachtige rotsblokken mede, zoodat de gesteldheid van den zeebodem verandert naarmate de wind meer of minder hevig is. Dit medeslepen geeft den naam aan de Syrten. De taal dezer stad is bijna geheel gewijzigd, tengevolge van huwelijken met Numidiërs, maar de wetgeving en de beschaving is nog voor een groot deel sidonisch; deze instellingen werden des te gemakkelijker bewaard, omdat de inwoners slechts uit de verte aan den koning van Numidië onderworpen waren; tusschen hen en het bewoonde gedeelte des lands lagen wijde woestijnen.



LXXIX.

Maar nu de zaken van Leptis ons in dit gebied hebben doen verwijlen, schijnt het de moeite waard, een [ 102 ]uitstekend en bewonderenswaardig heldenfeit van twee Carthagers te berichten; de vermelding der streek bracht de gebeurtenis in onze herinnering. Ten tijde dat de Carthagers een groot deel van Africa beheerschten, waren ook de Cyreners machtig en aanzienlijk. Tusschen het gebied der twee staten lag een onafgebroken zandige streek; er was noch rivier, noch berg die de grens zou hebben kunnen aanwijzen, vandaar een geweldige en gedurige krijg. Nadat van beide zijden legers en vloten geslagen en op de vlucht gedreven waren, en beide partijen elkander nagenoeg hadden uitgeput, beving hen de vrees, dat overwinnaars en overwonnenen, gelijkelijk afgemat, door een derden konden worden aangevallen; gedurende een wapenstilstand werd een overeenkomst gesloten, volgens welke op een aangewezen dag uit ieder der beide steden boden vertrekken zouden; daar waar zij elkander ontmoetten, zou de grens der beide volken geplaatst worden. Van de zijde van Carthago worden twee broeders uitgezonden, de Philaenen geheeten, die zich haastten den weg af te leggen. De Cyreners waren langzamer, hetzij door achteloosheid of door een toeval. Men kan in die streken door een storm opgehouden worden, evenals op zee. Wanneer de wind, strijkend over vlakten zonder plantengroei, het zand van den bodem in beweging heeft gebracht, vult het in zijn heftige beweging mond en oogen, verhindert den reiziger om zich heen te zien, en belet hem aldus de reis voort te zetten. Toen de Cyreners zagen dat hun mededingers hen voor geweest waren, vreesden zij wegens hun nederlaag te huis gestraft te zullen worden; zij beschuldigen [ 103 ]de Carthagers, hun stad vóór het bepaalde oogenblik verlaten te hebben, brengen de zaak in verwarring, en verklaren dat zij liever alles willen ondergaan, dan overwonnen te vertrekken. De Pheniciërs willen dat nieuwe voorwaarden gesteld zouden worden, indien zij maar voor beide partijen gelijk waren. De Grieken[1] laten daarop den Carthagers de keus; of wel zij zouden op het punt, dat zij tot grens voor het volk verlangden, levend begraven worden, of wel zijzelf zouden, op dezelfde voorwaarde, doorgaan tot een door hen gekozen punt. De Philaenen nemen de voorwaarde aan, en offerden zichzelf en hun leven aan den Staat; zij werden inderdaad levend begraven. De Carthagers wijdden op de plaats-zelf een altaar aan de Philaenische broeders; andere eerbewijzen werden hun in hun vaderstad toegekend. — Ik keer thans tot mijn onderwerp terug.



LXXX.


Na het verlies van Thala oordeelde Jugurtha dat geen plaats sterk genoeg is, om Metellus te weêrstaan; met een gering aantal vertrouwden marscheert hij door groote woestenijen, tot hij de Gaetuliërs bereikt, een wild en onbeschaafd soort menschen, dat op dat oogenblik den naam-zelf der Romeinen niet kende. Hij vereenigt hun menigte in één leger en went hen er langzaam aan in gelederen te staan, veldteekenen te volgen, acht te geven [ 104 ]op bevelen, en andere plichten van den soldaat te vervullen. Bovendien haalt hij de vertrouwden van koning Bocchus, door groote geschenken en nog grooter beloften naar zijn partij over, met hun hulp wendt hij zich tot den koning-zelf, en beweegt hem, aan de Romeinen den oorlog te verklaren. Dit was daarom des te gemakkelijker en natuurlijker, omdat Bocchus in het begin van van dezen oorlog gezanten naar Rome gezonden had, om een traktaat en vriendschap te vragen: dit zeer voordeelig bondgenootschap werd, toen de oorlog ondernomen was, verijdeld door eenige weinigen, door hebzucht verblind, en die de gewoonte hadden, alle eerlijke en oneerlijke zaken te verkoopen. Vroeger was de dochter van Bocchus de vrouw van Jugurtha geworden, maar deze band heeft bij de Numidiërs weinig waarde: ieder neemt zooveel vrouwen als zijn middelen hem toelaten, sommigen tien, sommigen meer, de koningen meer dan alle anderen. Zoo wordt ieders gehechtheid over een groot aantal echtgenooten verdeeld; geen vrouw geldt als de gezellin van haar man; alle zijn gelijkelijk in minachting.


  1. Cyrene was een grieksche kolonie.
Afkomstig van Wikisource NL, de Vrije Bron. "https://nl.wikisource.org/w/index.php?title=Jugurtha/8&oldid=201772"