Jugurtha/9
| ← LXXI-LXXX | Jugurtha (1894) door Gaius Sallustius Crispus, vertaald door Gideon Busken Huet | XCI-C → |
| Uitgegeven in Amsterdam door S. L. van Looy en H. Gerlings. |
LXXXI.
Op een door beiden overeengekomen plaats kwamen de legers tezamen: men wisselt betuigingen van trouw, en Jugurtha zet door een toespraak het gemoed van Bocchus in vlam: „de Romeinen waren onrechtvaardig; hun onverzadelijke hebzucht stempelde hen tot algemeene [ 105 ]vijanden der volken; dezelfde oorzaak bracht hen in strijd met Bocchus die hen reeds in het veld had gebracht tegen Jugurtha zelf en tegen de andere volken: de heerschzucht van een volk hetwelk alle andere mo gendheden als hinderpalen beschouwt. Thans was hij. Jugurtha, aan de beurt, gelijk vroeger de Carthagers en koning Perseus; na hem, zou de eerste de beste machtige vorst de aangewezen vijand zijn der Romeinen." — Na deze en dergelijke gesprekken, besluiten de vorsten op te trekken naar Cirta, waar Metellus den buit, de gevangenen en de bagage had bijeengebracht. Jugurtha was van oordeel, dat de inname der stad de moeite waard zou zijn; kwam de Romeinsche veldheer de zijnen te hulp, dan werd in ieder geval slag geleverd. Zeer slim wenschte Jugurtha vóór alles. Bocchus tot openlijke vijandelijkheden te dwingen, teneinde te verhinderen dat hij, al talmende, iets anders dan den oorlog in den zin kreeg.
LXXXII.
Toen de veldheer het bondgenootschap der koningen vernam, besloot hij niet meer blindelings en, zooals hij vroeger na de nederlagen van Jugurtha deed, op alle plaatsen, slag te leveren. Niet ver van Cirta wacht hij, in een versterkt kamp, de koningen op; hij wilde liever eerst na de Mooren (nieuwe vijanden die voor het eerst kwamen opdagen) te hebben leeren kennen op een gun[ 106 ]stig oogenblik slag leveren. — Ondertusschen vernam hij door een schrijven uit Rome dat de provincie Numidië aan Marius gegeven was (hij wist reeds dat men hem tot consul gekozen had.) Door deze tijding, meer dan goed en plichtmatig was, getroffen, wist hij zijn tranen niet in te houden en zijn tong niet te bedwingen. De in andere opzichten zoo begaafde man was zwak, wanneer het gold eene teleurstelling te verdragen. Sommigen schreven dit toe aan trots, anderen beweerden dat zijn van nature uitstekend karakter door de hem aangedane smaad buiten zichzelve gebracht was, velen schreven alles hieraan toe dat de reeds zekere overwin ning hem ontrukt was. Wij meenen zeker te weten, dat het meer de aan Marius bewezen eer, dan de hem aangedane verongelijking was, die hem pijnigde, en dat hij den slag niet zoo moeilijk zou hebben verdragen, indien het hem afgenomen kommandement aan een ander dan Marius was overgedragen.
LXXXIII.
Door deze smart verblind, en oordeelend dat het onzinnig zijn zou zichzelf in moeilijkheden te steken, met het doel de zaken van anderen te regelen, zendt Metellus gezanten aan Bocchus, die verlangen, dat hij zich niet het Romeinsche volk, zonder reden, vijandig zou toonen: hij had, zeiden zij, een goede gelegenheid tot het sluiten van een vriend- en bondgenootschap, dat veel voordee[ 107 ]liger zijn zou dan een krijg; ofschoon op zijn hulpmiddelen vertrouwend, moest hij zich toch wachten, het onzekere voor het zekere te kiezen; iedere oorlog was
gemakkelijk in het begin maar eindigde meestal in droefenis; het begin en het einde hing niet van één man af; ieder, zelfs tot den krijg geheel onbekwaam, kon den oorlog verklaren, maar men kon er eerst een einde aan maken wanneer de overwinnaar zulks wilde; Bocchus moest met zijn eigen belangen en die van zijn rijk rekening houden, en er zich voor wachten, zijn eigen gunstigen toestand aan de verloren zaak van Jugurtha te verbinden. De koning antwoordt gunstig; hij wilde vrede, maar had medelijden met de rampen van Jugurtha; stond men dezen dezelfde voorwaarden toe, dan had de onderhandeling kans van slagen. De bevelhebber zendt op nieuw onderhandelaars, die tegen de eischen van Bocchus andere stellen; deze neemt een gedeelte der artikelen aan en verwerpt een ander gedeelte. Van beide kanten worden herhaaldelijk onderhandelaars gezonden en teruggezonden, terwijl de tijd verloopt, en, zooals Metellus wenschte, de krijg slepende gehouden werd, zonder dat iets werd uitgevoerd.
LXXXIV.
Marius werd, zooals wij boven zeiden, door de opgewonden volksmassa tot consul gekozen; eerst nadat het Romeinsche volk hem met het bevel in Numidië belast [ 108 ]had, werd hij, reeds vroeger op den adel gebeten, onophoudelijk en woedend in zijn aanvallen; beleedigde dan eens sommige personen, dan weder het geheele lichaam van den adel; herhaalde dat het consulaat een buit was dien hij aan den overwonnen adel ontrukt had, en meer andere gezegden, vleiend voor hem zelf en grievend voor zijn tegenstanders. Ondertusschen zorgde hij vooral voor de middelen om den oorlog voort te zetten; vroeg ver sterking voor de legioenen, liet hulptroepen ontbieden bij de [vreemde] volken, de vorsten en de bondgenooten[1]; bovendien liet hij uit Latium de dapperste mannen, waarvan hij een groot deel uit den dienst, de overigen van hooren zeggen kende, bij zich komen en bracht door overreding mannen die hun dienstjaren reeds voleindigd hadden, er toe, met hem te vertrekken. De Senaat, hoewel Marius vijandig, durfde hem niets weigeren. De senatoren hadden de lichting zelfs gaarne toegestaan, daar men dacht dat de krijgsdienst het volk hatelijk zou zijn en Marius of de hulpmiddelen voor den oorlog of de liefde des volks zou verliezen. Maar deze verwachting bleek ijdel, zoo begeerig was de menigte om met Marius uit te trekken! Ieder stelde zich voor
dat hij, met buit overladen, als overwinnaar naar het vaderland zou terugkeeren, en dergelijke verwachtingen meer; en Marius had door zijn toespraak hun moed nog verhoogd. Nadat namelijk alle maatregelen die hij geëischt had, genomen waren en hij op het punt was tot de werving der soldaten over te gaan, riep hij de volksverga[ 109 ]dering bijeen, voornemens, zijn aanhangers te vermanen, en tegelijk, naar gewoonte, den adel te hekelen. Hij sprak ongeveer aldus:
LXXXV.
„Ik weet. Quiriten, dat velen zichzelven ongelijk zijn in de wijze waarop zij een kommandement van U vragen, en het, eenmaal verkregen, uitoefenen; als kandidaten zijn zij vlijtig, smeekend, nederig; eenmaal gekozen brengen zij hun tijd door in luiheid en trots. Ik volg andere beginselen: naarmate de geheele Staat meer weegt dan consulaat en praetuur, moet hij met meer zorg worden beheerd dan naar het ambt wordt gestaan. Ik weet welk een verantwoordelijkheid uw weldaad mij oplegt. Tegelijkertijd den krijg voor te bereiden en de schatkist te sparen, tot den krijgsdienst dezelfde personen te nopen, die men niet wil kwetsen, te huis en buiten 's lands in alles te voorzien, — en dat alles te doen te midden van nijd, tegenwerking, factiegeest, dat alles is moeilijker dan men denkt, Quiriten. Bovendien, indien anderen een fout begaan, zijn oude adel, roem der voorouders, macht der bloedverwanten en aangehuwden, talrijke cliënten, aanstonds daar om hen te dekken; al mijn hoop is op mijzelf gevestigd en moet door deugd en onschuld gehandhaafd worden; al het overige is zwak. Ik zie bovendien, Quiriten, dat aller aandacht op mij gevestigd is, dat de goeden en braven mij steunen, omdat mijn dappere daden den Staat ten goede komen; — maar dat [ 110 ]tevens de adel op een gelegenheid wacht om mij aan te vallen. Reden te meer voor mij alle krachten in te spannen, opdat gij niet in den strik valt, en zij zich bedrogen zien. Van kindsbeen af tot op heden, ben ik zóó geoefend, dat iedere arbeid, ieder gevaar voor mij iets gewoons is. Wat ik vóór uw weldaden voor niets deed, zal ik thans, na uw belooning ontvangen te hebben. Quiriten, niet nalaten. Hun, die ten einde in de ambtenjacht te slagen, zich den schijn van braafheid gaven, valt het zwaar, zich, eenmaal machtig, te matigen; voor mij, die mijn geheele leven niets deed dan wat behoorde, is deugdzaam handelen door gewoonte een tweede natuur geworden. — Gij hebt mij met den oorlog tegen Jugurtha belast; iets wat de adel met leede oogen ziet. Weest zoo goed, en overlegt één oogenblik, of het beter zou zijn dat gij die zending, of een dergelijke, aan iemand opdroegt uit de adellijke kliek, aan een man van oude familie en talrijke kwartieren, maar zonder dienstjaren, met dat gevolg, dat hij te midden van zooveel gewichtige bezigheden van niets afwetend, zich zou agiteeren, het hoofd verliezen, en een man uit het volk kiezen om hem den weg te wijzen. Zoo gebeurt het dikwijls dat de door U benoemde bevelhebber voor zichzelf een ander bevelhebber zoekt. Ik ken er, Quiriten, die, tot consuls gekozen, de vaderlandsche geschiedenis en grieksche werken over krijgskunde gaan lezen, mannen die het paard achter den wagen spannen; in tijdsorde bekleedt men een ambt eerst na de benoeming, maar in werkelijkheid moet men zich door oefening ertoe voorbereid hebben. Vergelijkt nu, Quiriten, met hun trots, mij, soldaat van fortuin. Wat zij van hooren zeggen en door [ 111 ]lectuur weten, heb ik zelf gezien of gedaan; wat zij uit boeken vernamen, heb ik te velde geleerd. Oordeelt nu zelf of daden zwaarder wegen dan woorden. Zij verachten mij als parvenu, ik henlieden als nietsdoeners; men verwijt mij het toeval mijner geboorte, hun, hun ondeugden. Ik geloof dat de grondstof van alle menschen een en dezelfde is, maar houdt den dapperste voor den edelste. Indien men de voorouders van Albinus of Bestia kon afvragen, of zij liever mij dan die personen tot afstammeling wenschten, wat denkt gij dat zij zouden antwoorden anders, dan dat zij de bekwaamste zonen het liefst zouden hebben? Indien zij mij terecht verachten, laten zij dan ook hun eigen voorvaderen verachten, die geen anderen adel hadden dan deugd. Zij benijden mij mijn eerambt; dat zij mij dan ook mijn arbeid, mijn deugd, mijn gevaren benijden, door welke ik zoo hoog klom. Maar lieden, door trots bedorven, handelen, alsof zij de ambten die gij te vergeven hebt, minachten, en zij maken er aanspraak op, alsof zij een onbesproken leven hadden geleid. Zij bedriegen zich, wanneer zij te gelijkertijd twee verschillende doeleinden najagen, het genot van het nietsdoen, en de belooning der deugd. Als zij voor U of in den Senaat het woord voeren, wordt een groot deel van hun rede ingenomen door den lof hunner voorouders, en zij gelooven, dat, door de heldendaden dier mannen in herinnering te brengen, zijzelven roemruchtiger worden. Integendeel: hoe roemrijker het leven der vaderen, des te schandelijker is hunlieder lamlendigheid. Zoo is het inderdaad: de roem der voorouders is als een fakkel voor de nakomelingen; [ 112 ]hij stelt hun goede en slechte eigenschappen in het volste licht. Dezen roem bezit ik niet. Quiriten; maar, wat veel glorierijker is, ik kan mijn eigen daden op opnoemen. Ziet nu, hoe onrechtvaardig zij zijn. Wat zij zich aanmatigen wegens de deugden van anderen, willen zij mij niet toestaan als belooning van mijn eigen deugd —omdat ik geen kwartieren heb, omdat mijn adel nieuw is; ofschoon het beter is zijn adel zelf het aanzijn te geven, dan hem, van anderen geërfd, te bezoedelen. Ik weet zeer goed, dat zij, indien zij mij beantwoorden wilden, gereed zouden staan met een welsprekende en goed gestileerde redevoering; evenwel, op het oogenblik dat ik door uw weldaden overstelpt word, en zij tevens mij en U overal met lasteringen vervolgen, heb ik niet willen zwijgen, opdat niemand mijn zedigheid zou aanzien voor een kwaad geweten. Mij kan, naar het getuigenis mijner conscientie, geen redevoering kwetsen; waar, kan zij niet dan goeds van mij zeggen; onwaar wordt zij door mijn leven en zeden gelogenstraft. Maar nu men het besluit van ulieden, die mij tegelijk het hoogste eereambt en de zwaarste taak hebt opgedragen, aanvalt — overlegt nogmaals en nogmaals of gij er u over berouwen moet. Ik kan, om het te rechtvaardigen, geen beelden, triomfen of consulaten mijner voorouders toonen; maar, zoo noodig, lansen, een standaard, versierde rusting en andere militaire eerbewijzen — en bovendien lidteekenen in de borst. Dat zijn mijne genealogieën, mijn adel, dien ik niet geërfd heb zooals zij den hunnen, maar dien ik zelf door arbeid en gevaren ver diend heb. Mijn taal is niet kunstig gestileerd; daar geef ik mij niet veel moeite voor; de deugd toont zich zelf ge[ 113 ]noeg; zij zijn het, die kunstmiddelen noodig hebben, ten einde door rhetorica hun schanddaden te bedekken. Ik heb niet gestudeerd in de grieksche letteren; ik vond het niet noodig het te doen, omdat de meesters-zelf dier studie er niet krijgshaftiger door geworden zijn. Maar ik ben ervaren in oefeningen, die veel belangrijker zijn voor den Staat: den vijand te slaan, de wacht te betrekken, niets te vreezen, behalve schande; kou en hitte gelijkelijk te verdragen; op den harden grond te slapen, tegelijkertijd ontbering en afmattenden arbeid te verdragen. Deze lessen zal ik mijn soldaten inprenten, en vermijden voor hen streng te zijn en voor mijzelf toegevend; ik zal hun arbeid niet tot mijn roem doen dienen. Slechts op die wijze is een kommandement den Staat nuttig en een vrij land waardig. Iemand die buiten gevaar en weelderig leeft, en te gelijk zijn leger door straffen dwingt, is een despoot, geen veldheer. Door deze en dergelijke middelen hebben uwe voorouders zich en de Republiek met roem overdekt. Daarop steunt de adel, zelf geheel verbasterd, en veracht ons, die de voorouders op zijde streven: hij eischt alle eerambten voor zich, niet als belooning zijner verdiensten, maar als iets dat men hem schuldig is. Zij bedriegen zich, die trotsche aristocraten! Hun voorouders hebben hun nagelaten wat zij hun nalaten konden: hun rijkdommen, hun genealogieën, hun roem; hun deugden-alleen lieten zij hun niet na, en zij konden het niet: de deugd alleen kan men niet weggeven en niet ontvangen. Zij noemen mij een gierigaard en een lompert, omdat ik niet goed weet hoe een maaltijd aan te richten, omdat ik er geen [ 114 ]acteur op na houd, en voor een kok niet meer betaal dan voor den opzichter eener boerderij. Ik beken dat alles gaarne, Quiriten; van mijn vader en andere brave lieden heb ik geleerd, dat de elegantie vrouwen, de arbeid mannen past; dat alle wakkere lieden meer naar roem moeten streven, dan naar rijkdommen; dat wapenen geen meubelen, hun luxe moeten vormen. Wat hen betreft, laten zij voortgaan zich te bemoeien met wat hen amuseert en hun gewone bezigheid is: liefde en wijn; laten zij hun ouden dag doorbrengen daar waar zij hun jeugd versleten, in maaltijden, enkel denkend aan hun buik en aan de verachtelijkste deelen van hun lichaam; zweet, stof en dergelijke, laten zij dat ons maar over, die meer van die dingen houden dan van goede schotels. Maar dat doen zij niet. Wanneer de slechtsten zich door hun ondeugden infaam hebben gemaakt, dan pogen zij aan de brave burgers hun belooning te ontrukken. Brasserij en luiheid, die schandelijke ondeugden, zijn voor hen, die er zich aan overgeven, onrechtvaardig genoeg, geen hinderpalen, en een ramp voor den Staat, die er onschuldig aan is.
„Thans, nu ik hen beantwoord heb, uitvoerig genoeg om mijn eigen karakter te verdedigen, maar zeker niet genoeg om al hun ondeugden in het licht te stellen, zal ik nog iets zeggen over den politieken toestand. Voor alles moet gij, wat Numidië betreft, den moed niet verliezen. Quiriten; wat tot heden Jugurtha verdedigde, hebt gij opgeruimd: hebzucht, onbekwaamheid en trots. Dan is er een leger op de plaats zelf, vertrouwd met het oorlogstooneel, maar meer uitmuntend door dapper[ 115 ]heid dan door geluk: een groot deel er van is door de hebzucht of de roekeloosheid der veldheeren te gronde gegaan. Laten daarom zij onder u, wier leeftijd hen tot den dienst geschikt maakt, met mij medewerken, en de verdediging van den Staat op zich nemen. Niemand late zich door de rampen van anderen of door den trots der vroegere veldheeren ontmoedigen. Ik zelf zal in het gelid, in het gevecht, u als raadsman tegelijk en als deelgenoot der gevaren ter zijde staan, en mij in alles met u gelijk stellen. Zeker is met hulp der Goden alles in ons bereik: overwinning, buit, roem, en zelfs indien dat alles twijfelachtig of veraf was, zouden toch alle goede burgers de Republiek te hulp moeten komen. Niemand is ooit door nietsdoen onsterfelijk geworden en niemand heeft ooit zijn kinderen een eeuwig bestaan toegewenscht, wel dat zij een braaf en deugdzaam leven leiden zouden. Ik zou nog meer zeggen. Quiriten, indien ik door woorden lafhartigen moed kon geven: voor de dapperen heb ik, naar ik meen, genoeg gezegd."
LXXXVI.
Na aldus ongeveer gesproken te hebben, laat Marius, die den geest van het volk opgewekt genoeg oordeelt, proviand, specie voor soldij, wapenen en andere benoodigdheden in schepen laden en hiermede zijn luitenant A. Manlius vertrekken. Onderwijl werft hij soldaten, [ 116 ]niet naar ouder gewoonte[2], en uit de [bezittende] klassen, maar ieder die zich aanbood, voor een groot deel proletariërs. Sommigen verklaarden dit besluit uit het gebrek aan fatsoenlijke recruten, anderen uit de ambitie van den consul, daar deze aan dat soort lieden roem en macht te danken had, en een man die naar gezag streeft, het best gediend wordt door de armste menschen, die zich over hun goederen niet bekommeren, daar zij er geen hebben, en alles wat geld doet verdienen, eerlijk vinden. Marius vertrekt, met een legermacht die ietwat aanzienlijker was, dan het officieel besluit inhield, naar Africa, en komt binnen weinige dagen te Utica aan. Het bevel over het leger werd hem overgedragen door den onderbevelhebber P. Rutilius. Metellus vermeed de ontmoeting met Marius, ten einde geen getuige te zijn van het schouwspel, waarvan de faam alleen hem onduldbaar geweest was.
LXXXVII.
Marius voert de voltallig gemaakte legioenen en hulpbenden in een vruchtbare streek, waar veel buit te behalen viel: alles wat men wegneemt wordt aan de soldaten weggeschonken. Daarna worden vestingen en plaatsen, alle zwak versterkt en zwak bemand, aangevallen, en op verschillende plaatsen verschillende lichte gevechten ge[ 117 ]leverd. Onderwijl gewennen de nieuwe recruten er zich aan, zonder vrees een gevecht bij te wonen; zij zien dat de vluchtelingen gewoonlijk worden gegrepen of af gemaakt, dat de dapperen nog het meeste kans hebben er heelshuids af te komen, dat men met de wapenen vrijheid, vaderland, bloedverwanten en al het overige beschermt, rijkdommen en roem verwerft. Zoo smolten in korten tijd veteranen en recruten samen tot één geheel, bezield met dezelfde dapperheid. De twee koningen begeven zich, zoodra zij van de nadering van Marius verwittigd zijn, ieder van zijn kant, in een moeilijk genaakbare schuilplaats. Deze taktiek had Jugurtha gekozen, hopend weldra gelegenheid te zullen vinden om de verstrooide vijanden aan te vallen, daar de Romeinen, [naar hij dacht] overtuigd dat zij niets te vreezen had den, zooals vaak gebeurt, orde en discipline minder streng zouden handhaven.
LXXXVIII.
Metellus, onderwijl naar Rome vertrokken, wordt, te gen zijn verwachting, met algemeene vreugde ontvangen, en was, nadat de jaloezie jegens hem verdwenen was, bij volk en Senaat gelijkelijk gezien. Onderwijl volgde Marius, rusteloos en voorzichtig, de bewegingen van zijn troepen en tevens die des vijands, maakte zich bekend met de hulpmiddelen of hinderpalen aan beide zijden, liet de wegen der twee koningen nagaan, verij[ 118 ]delde hun plannen en hinderlagen. Van zijn kant duldde hij geen nalatigheid, en liet den vijand geen oogenblik rust. Zoo had hij de Gaetuliërs en Jugurtha, op het oogenblik dat zij buit op onze bondgenooten behaald wegvoerden, dikwijls onderweg overvallen en op de vlucht gedreven, en den koning zelf niet ver van Cirta van zijn wapenen beroofd. Hij begreep evenwel dat dit slechts schitterende schermutselingen waren, en op die wijs de oorlog niet beëindigd werd; en besloot de steden, die door bezetting of stelling den vijand het meest dienstig en voor hem-zelf het meest gevaarlijk waren, één voor één te belegeren; zoo zou Jugurtha of van alle hulpmiddelen [zijn] ontbloot, indien hij deze taktiek duldde, of slag leveren. Bocchus had hem vaak afgezanten gezonden om te betuigen „dat hij de vriendschap van het Romeinsche volk zocht; men moest van hem geen vijandelijkheden vreezen." Veinsde hij, ten einde onvoorzien des te verpletterender op de onzen te vallen, of weifelde zijn wankelbaar karakter tusschen vrede en oorlog? Men weet het niet.
LXXXIX.
De consul, volgens zijn plan, vertoonde zich voor de steden en versterkingen, trok sommige door geweld, andere door vrees of aanbieding van geschenken van den vijand af, en stelde zich eerst met kleine resultaten [ 119 ]tevreden, in de hoop dat Jugurtha, om de zijnen te ontzetten, slag zou leveren. Maar toen hij vernam, dat hij veraf en met andere plannen bezig was, scheen het hem tijd een grooter en moeilijker plan uit te voeren; midden in uitgebreide woestenijen lag een groote en aanzienlijke stad. Capsa, waarvan, naar men zegt, de Libysche Hercules de stichter was. De inwoners waren bij Jugurtha vrij van belastingen, slechts door een lossen band aan zijn soevereiniteit gehecht, doch werden daarom slechts als te getrouwer beschouwd. Zij werden tegen een vijandelijken aanval verdedigd, niet alleen door wallen, wapenen en bezetting, maar meer nog door de ontoegankelijkheid der ligging. Behalve de naaste omgeving der stad was de geheele streek woest en onbebouwd, zonder water, vol slangen, des te gevaarlijker, zooals met roofdieren altijd het geval is, naarmate zij minder voedsel vinden. Het reeds in zichzelf zoo gevaarlijke slangengift wordt bovendien door dorst meer opgewekt dan door iets anders.
Evenwel brandde Marius van begeerte, zich van de plaats meester te maken, minder nog om haar belang in den oorlog, dan om de moeilijkheid der onderneming. Metellus had grooten roem behaald door het nemen van Thala, een vesting die ongeveer evenzoo gelegen en verdedigd was; alleen waren bij Thala, niet ver van de muren, eenige bronnen; die van Capsa hadden slechts één waterput, binnen de stad, en gebruikten overigens regenwater. Daar en in het overige gedeelte van Africa, dat woest en ver van de zee afgelegen was, wordt dit des te gemakkelijker verdragen, daar de Numidiërs slechts van melk en wildbraad leven, en geen zout of andere mid[ 120 ]delen om het verhemelte te prikkelen, kennen; spijs en drank dienen, om honger en dorst te stillen, niet om wellust en weelde te bevredigen.
XC.
De consul, na de noodige verkenningen te hebben ingesteld, en, naar ik geloof, op de Goden vertrouwend, (tegen zooveel bezwaren kon hij, inderdaad, met al zijn scherpzinnigheid geen geheel voldoende voorzorgen nemen: hij werd door gebrek aan graan belemmerd, daar de Numidiërs zich meer op het verbouwen van voeder voor vee dan op graanbouw toeleggen, en de geheele oogst, op bevel des konings, in vestingen was ondergebracht; de akkers waren op dat oogenblik dor en zonder veldvruchten, daar het op het einde van den zomer was), neemt evenwel zooveel de gelegenheid het toelaat, met veel overleg zijn maatregelen. Al het vee dat de vorige dagen was buit gemaakt, vertrouwt hij aan de leiding van de ruiterij der hulptroepen toe, zendt den onderbevelhebber A. Manlius met lichte cohorten naar de stad Laris, waarheen hij geld voor de soldij en den voorraad had laten brengen, en zegt dat hij voor een strooptocht zich over eenige dagen daarheen zal begeven. Na aldus zijn plan verborgen te hebben, marscheert hij naar de rivier Tanais.