Keulemans Onze vogels 3 (1876)/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
53 Onze vogels in huis en tuin, deel 3 van John Gerrard Keulemans

54. Lady Amherst's fazant

55


[ Pl54 ]

Keulemans Onze vogels 3 54.jpg

[ 174 ]
 

LADY AMHERST'S FAZANT.

THAUMALEA AMHERSTI.


Zoolang natuurkundige reizigers geen nieuwere en fraaijere Fazantensoort ontdekken, blijft zonder twijfel de hier afgebeelde vogel de schoonste en sierlijkste van al de bij ons ingevoerde Hoenders. Lang was deze vogel het „ideaal” der verzamelaars en vogelhouders; slechts weinig individuen dezer soort waren er levend gezien, en alleen in collectiën van opgezette dieren vond men er een of hoogstens twee. Niemand kon dan ook verwachten, dat eenmaal deze zoo prachtige vogel niet alleen een zeer algemeene tuinfazant, maar ook de stamvader van tot in het oneindige variërende rassen zou worden.

Alvorens echter tot de beschrijving dier verschillende rassen of soorten, of nog juister, dier „vruchtbare bastaards”, over te gaan, willen we eerst den vogel zelven beschouwen. Hij is namelijk, even als de meeste overige bij ons bekende Fazanten, een Aziaat. Zijn woongebied is China, waar hij in de grasvelden bij troepjes wordt aangetroffen. Dat hij in zijn vaderland vrij algemeen is, blijkt uit de menigte afbeeldingen van dezen vogel, welke men op Chinesche lakwerken en schermen en in de tempels geschilderd ziet. Daar echter dit zijn vaderland lang voor Europeanen gesloten is gebleven en de exploratie van dat groote „Hemelsche rijk” door de bijgeloovige inwoners steeds en op alle mogelijke wijzen werd belemmerd en verhinderd, zoo verwondert het ons geenszins, dat de meeste Fazanten eerst sedert de laatste 25 jaren door Europeanen ontdekt en verzonden zijn. Sedert eenige jaren zijn er zeer kennelijke en prachtige soorten, welke aan de wetenschap geheel onbekend waren, uit haar ontoegankelijk vaderland naar verschillende musea overgebragt. Nog slechts eenige maanden geleden ontdekte mr. Swinhoe, Engelsch consul in Formosa, eene geheel nieuwe, wit- en bruinbonte soort (Ph. Elliotti), welke echter in Europa nog niet levend is gezien en alleen uit twee opgezette voorwerpen bekend is.

[ 175 ] Eerst in 1869 is de Amherst-Fazant meer algemeen bekend geworden, en wel door de tusschenkomst van een in Engeland zeer bekenden fazantenkweeker, mr. J. J. Stone. Er waren er vroeger levend gezien, doch deze stierven spoedig na hunne aankomst en lieten geene nakomelingen achter. De in 1869 ingevoerde voorwerpen echter zijn—dank zij eener zorgvuldige en kundige kweeking, wel aangelegde broeiplaatsen en een goeden, belommerden grond—in 't leven gebleven en hebben de aan deze onderneming ten off er gebragte moeite en kosten met de meest onverwachte resultaten beloond. Al spoedig verkreeg men jongen, welke met nieuw ingevoerde voorwerpen werden gepaard, en zoodoende zijn deze tot op heden voortgeteeld, zoodat nagenoeg al de thans bij kweekers bestaande Amherst-Fazanten afstammelingen der door mr. J. J. Stone ingevoerde voorwerpen zijn. Eene zeer opmerkenswaardige bijzonderheid, ja, een feit van genoegzame belangrijkheid om het tegenwoordige algemeen aangenomen systeem van soortbepaling geheel en al omver te werpen, is, dat de Amherst-Fazant gereedelijk met den Goudlaken-Fazant paart, en dat de uit deze vereeniging voortspruitende jongen weder onderling of met eene der beide oudersoorten voorttelen. Door de laatstgenoemde combinatie verkrijgt men dus voor ¾ Amherst en ¼ Goudlaken, of omgekeerd evenveel Goudlaken en Amherst. Het zonderlingste verschijnsel is nu, dat bij alle individuen de kleuren standvastig zijn en niet, zoo als gewoonlijk met kunstproductiën het geval is, graadsgewijze, van generatie tot generatie, weder tot den oorspronkelijken vader- of moedertype terugkeeren. Eene even belangrijke bijzonderheid is, dat al de jongen van dezelfde qualiteit volkomen gelijk gekleed zijn. Men bezit thans drie standvastige, in kleur en teekening zeer verschillende rassen, namelijk: 1°. de tusschenkleuren van beide ouders, 2°. voor ¾ de kleuren van den Amherst en ¼ Goudlaken; 3°. het omgekeerde van deze verhouding. Binnen eenige zomers zullen we nog weder twee verschillende rassen verkregen hebben, namelijk, die uit de ¾ variëteiten met een van beide hoofdtypen of volbloed-vogels geteeld.

Natuurlijk trekt een zoo belangrijk verschijnsel de bijzondere aandacht van alle natuurkundigen, terwijl de prachtige kleuren der verkregen rassen een even sterken indruk op ieder toeschouwer moeten maken. Het is dan ook niet te verwonderen, dat zulke nieuwe scheppingen algemeene aandacht en bewondering hebben opgewekt, en dat men in zoölogische tuinen, waar deze vogels zijn tentoongesteld, steeds een aantal bewonderaars rondom hunne volières geschaard [ 176 ] ziet. En inderdaad, hoe fraai deze vogels er uitzien, kan men zich gemakkelijk voorstellen: nemen we, b. v., den Goudlaken, die reeds een allerprachtigste vogel is, en brengen we daarin den witten kraag en de lichtere kleuren van den Amherst, dan volgt er natuurlijk iets betooverends; want de kleuren der beide ouders zijn in de bastaards niet onregelmatig door elkaêr, maar afzonderlijk en geheel volgens de regelen van smaak en koloriet geschikt.

De vier jongen, welke in den zoölogischen tuin te Londen uit een Amherst-Haan met Goudlaken-Hen geteeld zijn, zien er als volgt uit: de kuif glanzig rood, en nog langer dan die van beide ouders; halskraag als van den Amherst, doch de donkere, schitterend bronsgroene vederranden liggen als schubben over elkaêr en zijn breeder dan die van den Amherst; de oogrand en de naakte wangen zacht stroogeel; het overige gedeelte van den kop en de keel metaalblaauw met groenen, weerschijn; borst en verdere onderdeelen, even als van den Goudlaken, helder scharlakenrood met een gelen band langs den donkeren nek; voorrug of mantel helder bronsgroen met bruin purperen glans; de rug tot aan de stuit oranjegeel; stuit oranje; de bovendekveêren van den staart zeer lang, heller oranje en zwart gemarmerd en donkerrood aan de punt; de twee langste middelste staartpennen gelijk die van den Amherst, doch een weinig donkerder gekleurd en iets langer dan die der ouders; vleugels en schouderveêren staalblaauw, en de groote slagpennen bruinzwart. Dergelijke bastaarden werden echter reeds vroeger door den heer Vekemans, directeur van den zoölogischen tuin te Antwerpen, geteeld, en hij den jaarlijkschen verkoop, die in deze inrigting gehouden wordt, bragt in 1872 een mannelijk voorwerp de som van 875 francs op.

De ¾ Amherst-bastaards hebben lichtgrijze wangen met zwart en blaauw geschubde rug en stuitveêren en gedeeltelijk witte bovenstaartdekveêren; het rood aan de onderdeelen met wit geschakeerd, en de geheele kleurverdeeling gelijkt overigens dermate op den vadertype, dat zij alleen aan de roode buikveêren als bastaards te herkennen zijn. De bastaard-Hanen, tusschen beide ouders met de Goudlaken-Hen gepaard, brengen echter meer de kleur van den oorspronkelijken vadertype voort, dan die van den Goudlaken; want tot nog toe zijn de meeste bastaarden oorspronkelijk uit Goudlaken-Hennen geteeld. Men heeft echter dezen zomer (omstandigheden beletten mij, naam en woonplaats van den kweeker op te geven) jongen geteeld uit den Goudlaken-Haan en de bastaard-Hen, en ook van den eerstgenoemde met de ¾ Amherst-Hen. Natuurlijk zullen deze jongen [ 177 ] vooreerst niet worden tentoongesteld, doch eerst in den eerstvolgenden zomer (altoos zoo ze in 't leven blijven) hunne intrede bij de fazanthouders doen. Of er ook bastaarden van Goudlaken-Hanen met Amherst-Hennen zijn geteeld, is mij niet met zekerheid bekend; kweekers houden, met het uitzigt op grootere winst en zekerder succes, dergelijke nieuwigheden meestal geheim; toch meen ik te mogen onderstellen, dat zeker groot heer in Engeland er reeds eenige in verzekerde bewaring houdt.

Eenigen tijd geleden las ik eene korte verhandeling over deze vogels in het Engelsch weekblad „The Field”, van de hand van den welbekenden fazantenkweeker, mr. Tegetmeier, die daarin o. a. de meening verkondigt, dat deze voor een oppervlakkig beschouwer zoo zeer verschillende vogels slechts klimaatsverscheidenheden zijn, op grond waarvan hij zonder de minste terughouding durft voorspellen, dat de half Amherst- en half Goudlaken-bastaarden voor altijd standvastig zullen blijven, even als beide stamouders standvastige kenmerken bezitten en als zoodanig zullen blijven bestaan. Genoemde schrijver vraagt eenvoudig: welke toch wel de kenmerken eener soort, en welke die van een ras zijn? en hij bekent gulweg, dit zelf niet te kunnen verklaren. Hoe dit ook zij, het blijft een opmerkelijk verschijnsel, dat zulke zoo zeer in kleuren verschillende vogels onderling paren en nieuwe, vroeger in de schepping ontbrekende wezens, schooner dan zij zelven, te voorschijn brengen.

 

Deze vogels, even als de Amherst- en de Goudlaken-Fazant, behoeven ruime volières of een geheel vrij terrein, een droogen grond, veel zonnewarmte, doch daarbij ook behoorlijk lommer en laag groen, om daaronder gedurende het warmst gedeelte van den dag te kunnen schuilen.