Koninklijke Courant/1809/Nummer 57/Zeetijdingen
| ‘Zeetijdingen’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit de Koninklijke Courant, donderdag 9 maart 1809, [p. 3]. Publiek domein. |
ZEETIJDINGEN.
Den 7den van lentemaand, in Texel niets gepasseerd; de wind W. Z. W., stil.
Den 6den, in ’t Vlie niets gepasseerd; de wind O. Z. O.
Den 5den, op Westerschelling niets gepasseerd; de wind O. N. O.
Door den kaper la Nouvelle Gironde, van Bordeaux, is genomen doch vervolgens in de baai van Andierne gestrand, het engelsch schip William Sund, met traan, balein en robbenvellen, van de Kaap de Goede Hoop naar Londen; van de lading is slechts weinig geborgen.
Door den franschen kaper l’Embuscade, van Dieppe, is, na een gevecht van 1½ uur, genomen en te Duinkerken opgebragt het engelsch met koper beslagen schip the Avantgarde, van 400 tonnen, voerende 40 man en 22 zestien- en achttienponders, met 380 vaten suiker, 100 ceroenen indigo, 400 zakken cacao, 150 balen katoen, 40 pijpen rum en eene partij mahognijhout, van Trinidad naar Londen; hetzelve had zich op deszelfs reis van een franschen en een spaanschen kaper meester gemaakt, en, daags vóór het genomen werd, twee fransche kapers afgeslagen. Gemelde kaper l’Etabuscade is te Dieppe aangekomen, en heeft aldaar 27 gevangenen aan land gezet.
Een galjoot van 200 lasten, onder marokkaansche vlag, geladen met weedasch, van Teneriffe naar Londen bestemd, genomen door den kaper l’Espoir, kapitein Billemont, van St. Valery-en-Caux, is in die haven binnengeloopen.
De goelet l’Hirondelle, kapitein Joseph Carré; is, van Guadeloupe, in 57 dagen op de rivier van Bordeaux aangekomen.
Van Paimbœuf wordt, in dato den 24sten van sprokkelmaand, geschreven, dat zeven engelsche schepen, drie fregatten en twee korvetten den mond van de Loire blokkeren. Den 21sten, werd eene engelsche korvet, die den franschen vlag opgeheessen had, een poos als op avontuur varende aangemerkt; hetzelve stond op het punt, om zich van een vaartuig meester te maken, wanneer het erkend en genoodzaakt werd, door het vuur der forten, de ruime zee te kiezen.
Van Koppenhagen wordt, van den 21sten van sprokkelmaand, gemeld, dat, in den nacht tusschen den 18den en 19den dito aldaar, een zware N.W. storm ontstaan was, welke den volgenden dag aangehouden had; de Sont was daardoor geheel vrij van ijs geraakt, en ter reede van Koppenhagen was mede het ijs grootendeels opgebroken; verscheiden schepen, welke niet spoedig genoog ankers konden uitbrengen, waren aan het drijven geraakt, doch door tijdige hulp nog behouden geworden. Een wrak was met het ijs uit de Oostzee in den Sont gedreven, hetwelk men van de zweedsche zijde traditie te bergen, doch dit niet gelukkende, was hetzelve met de bergers den Sont uitgedreven. Voorbij Dragöe was in den slorm een klein jagt, waarop 5 personen, welke vruchteloos om hulp riepen, voorbij gedreven; kort daarna had men ook een boot, met twee menschen, zuidwaards drijvende gezien. Eeü groot driemastschip, uit het zuiden komende, zijnde waarschijnlijk een der prijzen, welke reeds lang in het ijs omdreven, was Amack gepasseerd en benoorden Dragöe aan den grond geraakt. Het prijsschip Nadesta, kapitein Bothas, hetwelk men eerst gemeld had, dat door het ijs verbrijzeld was, meende men nu weder, vóór den storm, bij Stevns te hebben zien kruissen.