Naar inhoud springen

Koninklijke Courant/1809/Nummer 59/Geschiedenis

Uit Wikisource
‘Geschiedenis. Schets van het leven van Apollonius van Thyanes. (Zevende vervolg.)’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Koninklijke Courant, zaterdag 11 maart 1809, [p. 2-3]. Publiek domein.
[ 2 ]

geschiedenis.

Schets van het leven van Apollonius van Thyanes.

(Zevende vervolg.)

Eenigen tijd na dat hij in Asie was teruggekeerd, werd hij door Euphrates, voor Domitianus, die toenmaals den keizerlijken troon bekleedde, beschuldigd. De aanklagt was tweeledig: soor eerst, wegens tooverij, en ten tweede, wegens oproer: wegens tooverij, want hij leefde en kleedde zich anders dan andere menschen; hij schroomde niet zich als een’ god te laten aanbidden, en zulks had hij te Ephesen gedaan, toen hij aldaar de pest deed ophouden; wegens oproer, want hij had geheime beraadslagingen met Nerva en andere raadsheeren, dienende tot eene zamenzwering tegen den Keizer, en hij had, ten einde de kennis van het toekomstige en die der middelen, om het ontwerp te doen gelukken, te bekomen, een kind geofferd en deszells ingewanden onderzocht.

De beschuldiging van hoogverraad was geenszins zonder grond; reeds hebben wij kunnen bespeuren, dat hij ommegang met verscheiden aanzienlijke Romeinen had gehad, en dat hij dergelijke vorsten als Nero en Domitianus doodelijk haatte.

Ook ontzag hij zich geenszins openlijk tegen dien Keizer uittevaren, en overal zijne wenschen uitteboezemen, dat men den aardbodem van zulk een gedrocht mogt verlossen. Hoe het zij; de vorst, onderrigt van de kuiperijen, welke men tegen zijn persoon smeedde, maar geen volkomen bewijs hebbende, verbande Nerva naar Tarente en Salvidienus en Rufus, twee andere raadsheeren van eerste huizen, naar de eilanden; en, om zich geheel van de zaak te overtuigen, zondt hij den proconsul van Asie, alwaar zich Apollonius des tijds bevond, bevel, hem te vatten en optezenden.

Deze wist reeds de order, voor dat den proconsul daarvan was verwittigd; Philostrates zegt, door openbaring; maar liever, door middel zijner vrienden in Rome; en oogenblikkelijk begaf hij zich op weg.

Casperius Elianus, toenmaals prefect der praetorianen, was, niettegenstaande hij voor Apollonius, dien hij in Egijpte had gekend, eene hooge achting voedde, ambtshalve, genoodzaakt, hem, zodra hij wist, dat hij in Rome was, in verzekering te doen nemen; maar, door het gezag, hetwelk zijne hooge magt hem verleende, bragt hij den gevangen alle gemak toe, en onderrigtte hem van alle de punten van beschuldiging, mitsgarders van de wijze, hoe hij zich had te gedragen. Het is niet vreemd, dat een gevangen, die de voornaamste in het rijk, na den Keizer, tot medehulp had, dingen kon doen, welke aan vele wonderen moesten toeschijnen.

In de gevangenis leefde hij op zijne gewone wijze; hij sprak met de overige gevangenen, gaf hen wijsgeerige vertroostingen, en onderwees hen den weg, om hunnen staat dragelijker te maken. Ook Damis bleef bestendig bij hem, en voor deze, als ook voor zijne overige vrienden, die hem nu en dan kwamen bezoeken, scheen hij met alle bezig, behalve met zijne netelige zaak, waarmede hij zich weinig het hoofd scheen te breken. Zijne vrienden hem gevraagd hebbende, waarom hij, als daartoe overvloedig gelegenheid hebbende gehad, zich niet met de vlugt gered hadde, gaf hen Apollonius dit waarlijk edel antwoord: »Dan zoude ik mijne vrienden verlaten hebben, voor welke mijne vlugt tot overtuiging zoude zijn aangerekend geworden.”

Domitianus, die gaarne uit hem eenige ophelderingen, aangaande de voornemens van Nerva en andere bovengenoemden, wenschtte te bekomen, ondervroeg hem dienaangaande in het bijzonder. Zie hier het antwoord van Apollonius: »Ik ken Nerva, voor den gematigsten der menschen, voor zachtzinnig en uwen dienst zeer toegedaan; wel zeer geschikt tot het besturen der grootste zaken, maar er het gewigt zoodanig van vreezende, dat hij de eereposten vlied. Ik denk even zoo over Salvidienus en Rufus. Zij zijn noch in staat, om ontwerpen van oproer te vormen, noch om in die van anderen te treden.” De logen waarvan zich alhier Apollonius bediende, om zijne vrienden, niet te verraden, komt ons zeer verschoonlijk, zoo niet edel, voor.

Men begrijpt ligt, dat Domitianus geenszins met dit antwoord te vrede was; ook werd hij ten hoogsten gramstorig, en voer hevig tegen den wijsgeer uit. »Gij bedrieger, gij snorker, gij versmader der wetten, zeide Domitianus, ziet gij mij dan voor een’ lasteraar aan, dewijl gij, lieden, die ik verbannen heb, als onbekwaam aanziet tegen mij te handelen. Maar alle uwe uitvlugten zijn nutteloos: ik ben onderrigt van alle uwe voornemens, en van al het gene tusschen ul. is voorgevallen, even als ware ik daarbij tegenwoordig geweest.” Met eene verwonderlijke koelbloedigheid hernam Apollonius: »Heere, het is schandelijk voor u, om, of dingen te onderzoeken, waarvan gij overtuigd zijt, of u overtuigd te houden van zaken, voor die te hebben onderzocht. Gij zijt ten mijnen opzigte onregtvaardiger, dan den lasteraar, die mij beschuldigd; want, deze zoekt nog slechts u te onderrigten, en gij zijt reeds overtuigd, voor dat, zelf deze, nog gesproken heeft.” De Keizer, nog meer verstoord dan ooit, gaf last, om Apollonius, uit smaad, het haar en den baard aftesnijden, en om hem ketens aan handen en voeten te leggen.

Wegens de order van het scheren, zeide Apollonius: »Ik had niet gedacht, dat mijn haar of baard, bij deze zaak, eenig gevaar zouden loopen;” en toen men hem ketende, voerde hij den Keizer te gemoet: »Hoe zoud gij mij kunnen ketenen, bijaldien ik een toovenaar ware.”

Niettegenstaande het geenszins geraden was, zulke taal tegen [ 3 ]Domitianus te voeren, zoo is het echter niet onmogelijk, dat Apollonius, door zijne beginzelen gedreven, en die, bovendien, in eenen ouderdom van omstreeks 90 jaren, niet meer zoo aan het leven kon gehecht zijn, zulke dingen hebbe gezegd, en dat Domitianus, die, met het heilige voornemen, om hem toch te doen straffen, echter nog hoopte, licht van hem te bekomen, zulks hebbe geduld.

In de gevangenis teruggeleid, kwam er een verspieder van den Keizer bij hem, die, veinsende hem te beklagen, en hem vragende, hoe zijne beenen het knellen der ketenen konden verdragen, van Apollonius tot antwoord kreeg: dat hij daarvan niets wist, want dat zijn’ geest elders was. Den tweeden dag, dat Apollonius in ketenen gesloten was, ondervroeg Damis hem over zijn aanstaand noodlot. »Ik zal niet ter dood gebragt worden,” zeide Apollonius. »En wanneer zult gij uit uwe ketenen ontslagen zijn?” hernam Damis. »Zoo gij mij ondervraagt nopens het bevel, hetwelk tot slaking mijner boeijen gegeven zal worden, dan zal zulks nog dezen dag zijn; maar zoo gij spreekt over het geen van mij afhangt, dan zal het op het oogenblik wezen.” Deze woorden sprekende, trok hij zonder moeite zijne voeten uit de boeijen, en stak er die vervolgens weder in.

De voorzegging werd overigens letterlijk vervuld. Den zelfden dag kwam een officier des Keizers de boeijen, waarin hij nu twee dagen was geweest, slaken, en deed hem in denzelfden staat stellen, welke hij te voren in de gevangenis had genoten. Des anderendaags deed hij Damis vertrekken, zoo als Philostratis zegt, naar het eiland van Calypso, welkers gelegenheid, het is waar, wij, noch iemand, weten; maar genoeg, naar een eiland, digt bij Pouzzola.

Vier dagen daarna bekwam Apollonius gehoor, en zoude zijne zaak, ten aanhoore des Keizers en van alle grooten van Rome, bepleiten. Zeer koel en gerust ging hij voor dien regtbank, en scheen zelfs den Keizer niet te willen aanschouwen. De aanklager, welke zulks opmerkte, drong hem, den god van het heelal aantezien. Apollonius sloeg hierop zijne oogen ten hemel.

Noch beschuldiger, noch beschuldigde, hadden overigens gelegenheid, om van hunne gereed gemaakte pleitgedingen gebruik te kunnen maken. Domitianus, die een bijzonder belang in deze zaak scheen te stellen, ondervroeg hem zelve, over alle de punten van beschuldiging, en de wijsgeer voldeed op ieder derzelve, met een zeer kort antwoord.

Waarom, vroeg de Keizer, onderscheid gij u van de anderen door uwe kleding?” — »De aarde, die mij voed, kleed mij insgelijks, en ik laat de arme dieren met vrede,” was het antwoord van Apollonius. — »Waarom duld gij, dat men u god noemt.” — »Ieder deugdzaam mensch kan met dien titel worden vereerd.” Vervolgens ondervraagt zijnde over het geen te Ephesen was voorgevallen, verantwoordde hij zich, gelijk reeds gezegd is, schreef de eer der genezing aan Herkules toe.

Bleef nu over het laatste punt van beschuldiging, namelijk, zijne verstandhouding met Nerva en andere grooten. Domitianus scheen zelf niet die zaak verlegen te zijn; want, na zich een wijl bedacht te hebben, rigtte hij zijne vraag op de volgende wijze in: »Toen gij op dien zekeren dag uit uw huis ging, en dat gij in het veld waart gekomen, aan wien offerde gij dat kind?” Apollonius antwoorde: »Zoo ik op den dag, die gij mij noemt, uit mijn huis ben gegaan, dan ben ik in het veld gekomen; zoo ik in het veld ben gekomen, heb ik het offer, waarvan gij spreekt, geslagt, en zoo ik dat offer geslagt hebbe, dan heb ik daarvan gegeten. Ik roep alhier het getuigenis van geloofwaardige lieden in.” Deze getuigen waren Telesinus, een raadsheerlijk persoon, twee geneesheeren en 30 hunner discipelen, welke, ten behoeve van Apollonius, verklaarden, dat hij den geheelen opgenoemden dag bij een zijner leerlingen, Philiscus genaamd, had doorgebragt, en dat zijlieden hem aldaar hadden gezien.

Een luid gejuich ging, op dit onwraakbaar getuigenis, in de regtbank op, en de Keizer was, zijns ondanks, verpligt, Apollonius van de beschuldiging vrij te spreken; hij gelastte hem echter, misschien met het voornemen, om hem in stilte te doen omkomen, nog te blijven, tot dat hij een bijzonder gesprek met hem zoude hebben gehouden. »Ik zeg u dank, heere, sprak Apollonius, met eene nog grootere vastheid dan te voren; maar, door de bewerking van guiten, zoo als hij, die mij beschuldigd heeft, zijn geheele steden ten onderste boven gekeerd; de eilanden zijn met verbannenen opgevuld; de provintien in rouw en tranen gedompeld; de legers lafhartig geworden, en den senaat vervuld met wantrouwen en kwade vermoedens. Het is geenszins voor mijn belang, dat ik spreek; ik vrees niets; mijne ziel is uit zijnen aard onkwetsbaar, en het is u zelfs niet gegeven, u meester van mijn ligchaam te maken.” »Neen, voegde hij er bij, de woorden die Achilles, in de Iliade, tot Apollo zegt, uitsprekende:[1] »Neen, gij zult mij niet doen sterven, want het noodlot bevrijd mij voor uwe slagen.” En deze woorden geuit hebbende, verdween hij uit het middel der vergadering, en bevond zich, op hetzelfde oogenblik, te Pouzzola bij Damis.

Wij laten dit mirakel, waar van niemand, dan alleen Philostrates, spreekt, daar, en willen liever gelooven, dat hij, op eene of andere bedekte wijze, met behulp zijner vrienden, de wraak van Domitianus ontsnapt zij’.

(Het vervolg hierna.)

  1. Iliade XXI, vs. 13.