Laatste Dagen in een Nederlands Hotel

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Netherlands-Scheveningen-beach-1900.jpg

Laatste Dagen in een Nederlands Hotel

Auteur William Dean Howells
Genre(s) Non-fictie
Brontaal Engels
Datering 1897
Vertaler Gebruiker:Kempm
Bron Origineel van Project Gutenberg
Auteursrecht Publiek domein
Laatste Dagen in een Nederlands Hotel



Naar het verhaal:

Last Days in a Dutch Hotel

William Dean Howells


Hoofdstuk I - Hoofdstuk II - Hoofdstuk III - Hoofdstuk IV - Hoofdstuk V - Hoofdstuk VI - Hoofdstuk VII - Hoofdstuk VIII

Toen we zeiden dat we naar Scheveningen zouden gaan, in het midden van september, zei de portier van het hotel in Den Haag dat we het zeker koud zouden krijgen, misschien omdat we al zoveel in zijn huis hadden geleden; en hij had gelijk, want de wind blies met een Hollandse vasthoudendheid voor een hele week, zodat de gasten uit elkaar gingen en in het omvangrijke hospitium leken te ritselen door de koude kamers en gangen als vele herfstblaadjes. We waren met hoogstens honderd man, waar vijfhonderd geen drukte geweest zou zijn; en, toen we aanschoven aan de lange tafels van het hotel in de grote dinerzaal, moesten we onze handen warmen aan de borden voordat we onze lepels konden vasthouden. Van tijd tot tijd veranderde het weer, zoals gebruikelijk in Europa (Amerikaans weer is van een voorbeeldige vastheid in vergelijking), en drie of vier keer per dag regende het, en drie of vier keer klaarde het op; maar de wind bleef kouder en kouder aanzwellen. Er werd ons echter beloofd, dat het hotel niet zou dichtgaan voor oktober, en we schikten ons, met een schouw in één kamer, en drie gasbranders in een andere, wat niet genoeg was om het warm te hebben, maar voldoende om aan de koude te wennen.

When we said that we were going to Scheveningen, in the middle of September, the portier of the hotel at The Hague was sure we should be very cold, perhaps because we had suffered so much in his house already; and he was right, for the wind blew with a Dutch tenacity of purpose for a whole week, so that the guests thinly peopling the vast hostelry seemed to rustle through its chilly halls and corridors like so many autumn leaves. We were but a poor hundred at most where five hundred would not have been a crowd; and, when we sat down at the long tables d'hote in the great dining-room, we had to warm our hands with our plates before we could hold our spoons. From time to time the weather varied, as it does in Europe (American weather is of an exemplary constancy in comparison), and three or four times a day it rained, and three or four times it cleared; but through all the wind blew cold and colder. We were promised, however, that the hotel would not close till October, and we made shift, with a warm chimney in one room and three gas-burners in another, if not to keep warm quite, yet certainly to get used to the cold.