[ 3 ]— De maatregelen, ter hulpkoming van de Walerloo genomen, zijn algemeen bekend; van de uitkomst hebben wij niets anders vernomen; daartegen lezen wij, met eene treurige bevreemding, een brief door een der schipbreukelingen van de Wassenaar, in de Arnhemsche courant van den 25sten geplaatst, van den navolgende inhoud:
„Onze brave Kapitein Spengler kwam aan boord, en was niet weinig bezorgd. Duizend menschen, die, na het verkwisten hunner handgelden, ontevreden waren over zichzelve, moesten de halve wereld rond gevoerd worden op een schip, hetwelk reeds een jaar vroeger bijna afgekeurd was, en hetwelk naauwelijks door onophoudelijke herstellingen eenigzins in stand kon gehouden worden; met een equipement, hetwelk, volgens eene vaste leest, aan de werf was geschoeid; en eerst door ons zelve van pas moest gemaakt worden; met victualien, waarvan er schandelijker wijze nu reeds een gedeelte begon te bederven; en vooral met een uitschot van matrozen, waarvan de derde man niet bevaren was. Klagten, zelfs van de zijde onzer Chefs, schenen vergeefs, daar het stellige antwoord op deze luidde, zonder overbodige tegenkantingen, met de eerste streek naar het Oosten uit te zeilen. Het ontevreden volk werd dan nu ook niet, in afwachting van den wind, op het vaste land gekaserneerd, om hen zoolang mogelijk tegen de ongewone beweging van de zee te sparen, om de lucht niet dadelijk in die onderzeesche woningen te verpesten, en om hun zoo lang mogelijk versche spijze te geven; neen, zij werden dadelijk opeen gestapeld, en voor het uitzeilen alreeds, door het hevige werken van het schip, in eenen zoo deerniswaardigen toestand gebragt, dat men de gezonden bijna alleen deswege weinig op het dek durfde laten, om hen niet over boord te zien springen, en zoo mogelijk door zwemmen en desertie te zien ontkomen.
„De even zeer gevreesde als gewenschte Oostewind kwam intusschen opzeilen. Kapt. Spengler had stellige ordres, en toen er ongelukkiger wijze een vermetele koopvaarder den uittogt waagde, verdween alle twijfel. Zoo staken wij dan in zee, zonder die duur gekoelde ondervinding van anderen te mogen betrachten, dan welke de zeelieden, bij gebrek aan betere wind-sloerien waarnamen; dat de maand Januarij of wel sterke vorst of wel zware stormen oplevert; dat de winden, die met de zon mede door het westen naar het noorden loopen, gestadig voortwaaijen, terwijl die gene, welke tegen de zon in door het oosten naar het noorden loopen, bijna altijd veranderlijk zijn, en dat eindelijk de stand van de maan geenszints gunstig was.