Naar inhoud springen

Limburger Koerier/Jaargang 88/Nummer 66/Het Huis Millen op Nieuwstadt

Uit Wikisource
‘Limburg. Het land van oude monumenten. Het Huis Millen op Nieuwstadt’ door Gerh. Kr.
Afkomstig uit de Limburger Koerier, zaterdag 18 maart 1933, vierde blad, [p. 13]. Publiek domein.
[ vierde blad, 13 ]
 
LIMBURG
HET LAND VAN
OUDE MONUMENTEN

HET HUIS MILLEN OP NIEUWSTADT ◼

Hoewel er een dorp Millen in de buurt op Duitsch grondgebied ligt, behoort het oude huis Millen toch tot de gemeente Nieuwstadt. De huizing is weleer een oud kasteel geweest, waarvan nog getuigt de overgebleven schilderachtige ruïne. Men kan zien, dat dit huis, ’t welk thans bewoond wordt door den eigenaar, den Heer Louis Haan, nadat zijn voorouders het in 1823 kochten van een zekeren Theodoor Cöllener en diens schoonzoon, voor een gedeelte werd gebouwd in de 17de eeuw, n.l. in 1699, welk jaartal zich nog op dat gedeelte bevindt. De ankers f. en P. zullen vermoedelijk beteekenen: „Fürsten Pfalz”, terwijl een later gedeelte dateert uit de 19e eeuw. Boven het oude gedeelte bevindt zich een in hout gebeiteld wapen van den Keurvorst van den Palts, Johan Willem, die tevens hertog van Gülick was. Het wapen draagt een zeer mooie als zeldzame voorstelling. Het is gedeeld, waarvan het 1e kwartier rechts vermoedelijk een leeuw is geweest. Ook het tweede kwartier is een leeuw, die een gespleten en tevens gekruisten staart heeft. Als derde kwartier volgt het wapen van Kleef, d.i. een karbonkel met stralen in den vorm van wielspaken. Het laatste of 4ek. vertoont nog weer een leeuw, en het linkerdeel een drietal St. Andrieskruisjes, verder weer een leeuw met een gekruisten staart, en nog een paar figuren in vierkanten vorm, waarvan we de beteekenis niet kunnen vermoeden. Wel is het heele schild mooi gedekt door een keurvorstenhoed, terwijl twee leeuwen met gespleten staarten als schildhouders fungeeren. Heel bovenaan vindt men dan het jaartal 1699.
Voor het jaar van aankoop, beter nog vóór 1802, diende het oude slot tot woning van den hoofdman in de ambten Millen en het bij Sittard gelegen Born. In de middeleeuwen woonden op den huize Millen de voorname heeren van dien naam.
Hoe deze naam in de grijze oudheid ontstaan is, valt moeilijk uit te vorschen. Er zijn namenvorschers, die eenvoudig den ouden stam „mil” in deze benaming zien als een grondwoord van den persoonsnaam Melle, Milo, Mello, enz., een afkorting van den oud-Germaanschen persoonsnaam „Milde”, beteekenende mild, vrijgevig. En waaruit de Nederlandsche familie-naam Mellen zou zijn ontstaan. Winkler zegt in zijn Nederlandsche geslachtsnamen, pag. 519: „Zeer talrijk zijn in Oost-Friesland ook die geslachtsnamen, welke ten deele uit algemeen-Germaansche mansvóornamen bestaan, in de tweeden naamval op s, en, en ens eindigende. Vooral namen op en zijn bijzonder talrijk, als: Jellen, Itzen, Mammen, Mellen, Onnen, enz.
De nieuwste uitgave van Förstermann vergelijkt met onzen naam Millen een Duitschen, n.l. Mellischot, en zegt dan: Melli komt van mel = oudp. melr, mel = zandheuvel, ook wel in oudd. genoemd melm = stofaarde (molm). We wagen er ons echter niet aan uit deze vermoedens éen vaste of bepaalde keuze te doen.
Dat er echter een oud geslacht in deze buurt heeft geleefd, dat den naam van Millen droeg, staat vast, daar Dr. Goossens in De Maasgouw van 1925, pag. 15, gewaagt van een Robyn van Millen die reeds in eene oorkonde van 1302 als deken van St. Servaas verschijnt en in 1315 is overleden. Zijn grafsteen bevindt zich in den omgang der St. Servaaskerk. (Zijn zegel staat vermeld in Publications LXVII pag. 287.)
Van de verschillende adellijke geslachten met name van Millen, die hunne familienamen door hun verblijf in het Duitsche dorpje Millen (in de onmiddellijke nabijheid) hebben verkregen en daardoor het aanzijn gaven aan een oud kasteel met dezelfde benaming, waarop de meesten jaren lang hebben gewoond, kunne we om de plaatsruimte wille hier geen chronologische opgave doen.
Dat de allereerste en voorname bewoners van het Huis Millen tot aanzienlijke geslachten hebben behoord, kunnen we ook opmaken uit de betrekkingen die zij hadden met de oude Proostdij Millen, en welke proostdij in de geheele omgeving groote bezittingen had en wel in 1144 in de dorpen (in de oorkonde): Hethele, Vurst, Emundrode, Odenrinchoven, Helden, Brugele, Herkenrode, Reinwardesrode, Velden, Vursten, Erinkhoven, Evecenrode, Balsitert, Grutorp; alle zeer vreemde benamingen, welke we bij gelegenheid hopen te verklaren.
Laten we echter het Huis Millen zelf nog even gaan bekijken. Met zijne prachtige omtuining, welke aan oude burchtbezittingen doen denken, en met zijne omvangrijke gebouwen, waarin steeds een zeer belangrijk boerenbedrijf met nog een kleinere hofstede werden geëxploiteerd, waaraan niet minder dan 80 H.A. akker- en weide zijn verbonden, kan men deze bezitting als een der voornaamste der provincie noemen. We kunnen er, naar aanleiding van een schrijven des heeren Haan zelf, nog aan toevoegen, dat het bedrijf, na inkrimping nog een veestapel heeft van 50 runderen (stamboekvee) 4 paarden, benevens een partij varkens en pluimvee. Verder behoren tot de huizing Millen nog twee watergraanmolens, een Nederlandsche en een Duitsche, gedreven door de wateren der Roode Beek, welke er de grensscheiding maakt tusschen Limburg en Rijnprovincie.
Ook doet de oude typische bouw grotesk aan met zijn gothische poortbogen en hoofden, tot welke voorheen een ophaalbrug toegang verleende. En als men daar door die poorten binnentreedt en dan rondblikt over den ruimen binnenhof naar de heerenwoning met de vele bedrijfsgebouwen rondom, welke alle nog in een soliden toestand verkeeren, dan bemerkt men eerst de voormalige gewichtige beteekenis van dit complex.
Weer verder verleent een poortboog toegang tot de ontzaglijke schuren met haar breede bodems, welke gebouwen in 1755 werden opgericht.
Het geheel levert inderdaad een eerbiedwaardigen indruk. Omzoomd door een krans van gezonde en statige ooftboomen en waterrijke kasteelvijvers kan men er tevens bewonderen de schilderachtige ruïne van de oude burcht met hare ontzanglijke drie meters dikke middeleeuwsche muren. — Zulke oude torens en ruïnen maken steeds op ons een machtigen indruk. Vooral als ze nog zijn als deze, weelderig omrankt van ’t altijdgroene klimop en waaraan de tand des tijds nog weinig of niet heeft geknaagd. Het is dan, alsof zij, deze ruïnen, zich nog trotsch verheffen als stomme getuigen van middeleeuwsche heerlijkheid, voornaamheid en strijdlust.
Bij nadere beschouwing kan men goed bemerken dat deze ruïne het overblijfsel is van het oude kasteel der Heerlijkheid Millen, die zich uitstrekt aan de eene zijde tot Tudderen-Havert en aan de andere tot Nieuwstadt. Haar ingang had ze op de tweede verdieping van het voormalige kasteel en naar boven en beneden loopen de trappen door ongeveer 3 M. dikke muren uit baksteen van een bijzonder harde soort. In de afdeeling gelijkvloers is later een deur gebroken, welke nu leidt naar de vroegere zoogenaamde „oubliette”, waarin eertijds de gevangenen zouden verbleven hebben, waarvan buiten de burcht niemand iets mocht weten.
Wat de vroegere bewoners van het huis Millen betreft vinden we nog: „Hans Haan von Manderscheidt wird 1485 Burger in Zürich und 1620 geadelt. Ein Carl Haan auch de Haan Arnheim 1530 en † 1616 war Holländischer Theologe. Einde Verwantschaft lässt sich nicht nachweisen. Der erste näher bekannte Vorfahre ist Johann Haan von Oy (b. Nijmegen). Er stammt den Überlieferungen nach aus Holland. Am 4-1-1662 erwirbt er in Cöln die Bürgerrechte.”
Wat betreft de familienaam Haan, die we vermoeden te zijn afgestamd uit de oude Germaansche Huno- of aanvoerdersnamen, kunnen we tot ons leedwezen ter wille der ruimte hierover niet uitvoerig uitweiden.
Alles tezamen, het geheele heerengoed, met zijn tuinen weiden, boomgaarden, lustwaranden, enz. levert inderdaad een grootschen aanblik.
Tot slot willen we dan nog even een klein stukje historie vermelden. Millen en zijne omgeving, alsmede het oudste huis Millen wordt reeds genoemd in 1118. Eenige jaren, later, in 1144, stichtten Benediktijner monniken uit Siegburg, in Duitschland, de hoofdstad van het Sieggebied waar de Agger in de Sieg stroomt, en die aldaar op den Michielsberg eene abdij hadden, eene proostdij te Millen. In 1200 werd de burcht Millen reeds gerestaureerd, terwijl men ln 1287 begon te denken aan vernieuwing van den bouw. Vanaf dezen tijd heeft de burcht zich ontwikkeld tot een vasten familiezetel van voorname en sterke geslachten die in tijden van oorlog en vijandelijke aanvallen door de geweldige sterkte harer muren en hare bijna ontoegankelijke omwalling voor de bewoners de noodige zekerheid bood.
Dat de burcht als zoodanig ook geschikt was als gevangenis, bewijst nog het feit, dat in 1535 van uit Sittard eenige Wederdoopers daarheen werden gevoerd ter opsluiting.
Toch heeft ze in 1542 aan bijna algeheele verwoesting blootgestaan, toen Martin van Rossum op zijn rooftochten door deze landen ook het oude kasteel trachtte te vernielen. Toen woonde er al een geslacht van Millen, getuige eene oorkonde van 1118 in de kerk van ’t stadje Wassenberg, waarin wordt gesproken van een Heribert van Millen als heer der burcht.
Vermoedelijk is Willem van Millen een der laatste spruiten uit het adellijk geslacht geweest. Hij was ook Heer van Wickrath, en overleed in 1328. Daarna woonde waarschijnlijk geen van Millens meer op de burcht, want als de voornoemde deken van St. Servaas, Robinus van Millen, ook tot dit geslacht heeft behoord, kan hij er wellicht tijdelijk verbleven hebben, maar hij stierf reeds in 1315 te Maastricht, waar hij ook begraven is.

GERH. KR.