Naar inhoud springen

Nederlandsche Staatscourant/1828/Nummer 158/Frankrijk

Uit Wikisource
‘Frankrijk’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Nederlandsche Staats-Courant, maandag 7 juli 1828, [p. 2-3]. Publiek domein.
[ 2 ]

FRANKRIJK.

In de zittingen van de Kamer der Afgevaardigden van 1 en 2 Julij zijn de beraadslagingen over de Begrooting der Rijksuitgaven van 1829 voortgezet.
De Heer André sloeg verschillende bezuinigingen voor, maar beweerde daarentegen, dat de som, voor het onderhoud der Bruggen en Wegen op de Begrooting gebragt, veel te gering was. Toen het vorige Ministerie gemeend had de Grondlasten met verscheidene millioenen te mogen verminderen, was het wel genoodzaakt geweest de middelen van gemeenschap te laten vervallen; maar deze omstandigheid oordeelde dat Bestuur van weinig belang, indien het aantal Kiezers slecht verminderd wierd, en men het algemeen konde doen gelooven, dat de geldmiddelen van den Staat zich in den gunstigsten toestand bevonden. Intusschen bestaat de ware spaarzaamheid thans daarin, om de vervallene wegen zoo spoedig mogelijk geheel te herstellen. Indien Spanje zijne schuld betaalde, dan zouden de daaruit voortspruitende gelden tot dat einde besteed kunnen worden.
De Heer Mercier wilde de bezolding der hooge ambtenaren aanmerkelijk verminderd hebben. Hij meende, dat de weinig beteekenende bezuinigingen, welke door de Kommissie voor de Begrooting waren voorgesteld, even als bij eene vroegere gelegenheid, voornamelijk op eenige ondergeschikte ambtenaren zouden neêrkomen. Hij verhief zich ook met kracht tegen het schreeuwend misbruik, om verscheidene bedieningen in éénen enkelen persoon te vereenigen, en besloot met te zeggen, dat men, zonder eenig nadeel voor de werking van het Bestuur, de Rijks-uitgaven met 30 millioen zoude kunnen verminderen.
Ofschoon er, behalve de Leden, die reeds over de Begrooting het woord hadden gevoerd, nog verscheidene waren, die zich mede daartoe hadden laten inschrijven, besloot echter de meerderheid der Kamer, om de algemeene beraadslagingen daarover te sluiten en tot de behandeling der verschillende artikelen over te gaan. Dat, waarbij de uitgaven voor de openbare schuld op 248 millioen bepaald worden, ontmoette slechts weinig tegenstand. De Heer Humann beweerde bij die gelegenheid, dat het stelsel van geldleening, hetwelk tegenwoordig in Frankrijk en Engeland gevolgd wierd, zeer groote gebreken had. Hij meende, dat de leeningen niet door middel van het verkoopen van schuldbrieven tegen den beursprijs, maar door het uitgeven van dezelve, tegen de daarop uitgedrukte waarde, behoorden te geschieden. Was dit in tijden van wantrouwen niet mogelijk, dan behoorde men de geldschieters uit te lokken, door zeer voordeelige bepalingen op de aflossing te maken. Men was in Frankrijk sedert 1815 van een tegenovergesteld beginsel uitgegaan, en wat was daarvan het gevolg? Dat de inschrijvingen van 5 ten honderd, waarvoor de schatkist in 1816 en 1817 slechts 57 ten honderd ontvangen had, thans 106 waardig waren. Men had zich van tijd tot tijd aan allerhande begoochelingen overgegeven over de werking van een fonds tot vermindering der Staats-schuld, zoodanig als dit door William Pitt was ingesteld. Behalve dat zoodanig een fonds den windhandel aanmoedigde, en de Regering geheel vrij liet, om ten aanzien harer schuldeischers zoodanig te handelen, als zij goedvond, berustte het op berekeningen, die door de volgende gebeurtenissen geheel omver konden worden geworpen. De Fransche vernietigings kas had sedert 1816 voor de schuldbrieven, die zij ingekocht had, 432 millioen meer besteed, dan de Staat oorspronkelijk daarvoor ontvangen had.
Over den volgenden post der Begrooting, die eene toelage van 75,000 franken aan de kas van het Groot-zegel betrof, ontstond eene levendige woordenwisseling. Uit deze kas worden namelijk eenige pensioenen betaald, die door den Koning begeven worden, en waarvan geene verantwoording aan de Kamer geschiedt. De Heeren A. Perier en andere Leden van de linkerzijde beweerden, dat, nu de bedoelde kas eene toelage uit ’s Rijks schatkist genoot, de gepastheid der pensioenen, welke daaruit betaald wierden, ook door de Kamer behoorde te worden onderzocht. Dit was te meer noodzakelijk, daar de inkomsten van het groot-zegel in het vorige jaar vrij aanmerkelijk moesten geweest zijn, ten minste indien het groot aantal nieuw benoemde Pairs de som van 10 tot 20,000 franken, welke, volgens de bestaande Verordeningen, voor elke soortgelijke benoeming moet gestort worden, werkelijk betaald hadden. De Ministers daarentegen schenen wel genegen, om de wettigheid der pensioenen, die vervolgens verleend zouden worden, door de Kamer te laten onderzoeken, maar meenden, dat men aan ’s Konings gezag zoude te kort doen, indien men twijfelingen opperde nopens de geldigheid van vroeger door denzelven gedane beloften. Nadat de Heer de la Borde aangemerkt had, dat het zeer ongepast was, om den naam des Konings in deze zaak te mengen, werd dit punt met eene kleine meerderheid ten genoegen der Ministers beslist.
Bij gelegenheid der behandeling van de Begrooting voor het Departement van Justitie merkte de Heer Dupin aan, dat de bezolding der Regters en vooral hunne pensioenen uiterst gering waren. De laatste bedroegen nooit meer dan 4 tot 500 franken, en geen Regter konde daarop aanspraak maken, dan na eene dertigjarige dienst. Het was ook daarom, dat de spreker met zoo veel leedwezen de toelage aan de kas van het Groot-zegel door de Kamer had zien wettigen, vermits uit die kas onder anderen aan de weduwe van een jong ambtenaar (den zoon van den afgetreden Minister de Peyronnet) een pensioen van 17,000 franken, dat is te zeggen, de toelage van 34 in hunne betrekking grijs gewordene Regters, wierd uitbetaald.
De Heer Crignon de Montigny stelde vervolgens voor, om de bezolding van den Minister van Justitie, die thans 150,000 franken bedroeg, en, volgens het oordeel der Kommissie voor de Begrooting, met 30,000 franken zoude kunnen verminderd worden, op 100,000 franken te bepalen. Hij meende, dat de Ministers in allen gevalle in het vertrouwen des Konings en in de dankbaarheid des volks voor de door hen bewezene diensten hunne beste belooning behoorden te zoeken.
Volgens den Heer Dupin behoorde de Kamer de bezuiniging ten deze niet verder te drijven dan de Kommissie gedaan had. De Ministers des Konings moesten ook in de oogen der vreemdelingen de waardigheid van den Staat ophouden en op eene wijze kunnen leven, die met hunnen rang overeenkwam. Er waren andere personen, en daaronder Maarschalken van Frankrijk, die een veel hooger inkomen bezaten, en dat wel voor betrekkingen, welke noch moeite noch tijd vereischten.
De Heer Chauvelin, een lid der Kommissie, gaf te kennen, dat de door haar voorgestelde bezuiniging door de Ministers zelve was goedgekeurd, en minder was voortgesproten uit de overtuiging, dat de bezolding dier Staatsdienaren te hoog was, dan wel uit de begeerte, om een goed voorbeeld te geven, ten bewijze dat men werkelijk voornemens was, in alle de takken van bestuur eene afdoende vermindering der Rijks-uitgaven te doen plaats hebben.
Het voorstel der Kommissie werd dan ook door de Kamer goedgekeurd, en de bezolding van den Minister van Justitie dus op 120,000 franken vastgesteld. Intusschen konde de Heer Dupin niet nalaten aan te merken, dat er maatregelen behoorden genomen te worden, om te beletten, dat de Leden van een aftredend Ministerie niet altijd een hunner nog eenigen tijd in dienst lieten, om de Bevelschriften, waarbij aan elk van dezelve een pensioen wierd toegelegd, te onderteekenen: even gelijk in het vak van Marine, de Kapitein aan boord van zijn schip bleef, tot dat al de manschap zich gered had.
Het toestaan van de som voor da bezolding van de Leden van [ 3 ]den Staatsraad, ontmoette vooral eenen hevigen tegenstand van de zijde van den Heer Gaëtan de la Rochefoucauld, wiens voorste omtrent de beperking der bevoegdheid van dit Staats-ligchaam nog bij de Kamer hangende is. Hij beweerde, dat de Staatsraad het schandelijkst misbruik maakte van de Regterlijke Magt, die dezelve zich had aangematigd; vonnis velde in zaken, die niet behoorlijk onderzocht waren; zich aan het oordeel der Koninklijke Geregtshoven niet bekreunde, en de werking der verschillende Magten zoodanig verlamde, dat zulks niet langer geduld konde worden. Ten bewijze daarvan, haalde hij verscheidene regtszaken aan, omtrent welke de Staatsraad, naar zijne meening, op eene onverantwoordelijke wijze gehandeld had.
Deze redevoering veroorzaakte groote onstuimigheid in de Vergadering, te midden waarvan de Heer Cuvier den Staatsraad, waartoe hij zelf behoort, met veel vuur verdedigde, en onder anderen zeide, dat, indien de beschuldigingen van den vorigen spreker slechts eenigen grond hadden, hij en zijne ambtgenooten niet slechts onteerd zouden zijn, maar zelfs verdienen zouden op het schavot te komen.
Onder dit groote gedruisch werd de Vergadering, die reeds langer dan gewoonlijk bijeen was geweest, gescheiden.