Naar inhoud springen

Nederlandsche Staatscourant/1828/Nummer 158/Turkije

Uit Wikisource
‘Turkije’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Nederlandsche Staats-Courant, maandag 7 juli 1828, [p. 1-2]. Publiek domein.
[ 1 ]

TURKIJE.

De Pruissische Staats-Courant geeft weder een berigt uit het Russische leger, bij den wal van Trajanus, van 20 Junij.
Den 15den Junij had de Keizer met zijn Hoofdkwartier Babadag verlaten, en was over Beydaont en Tachaoul, het leger van den Generaal Rudzewicz gevolgd, hetwelk zich thans aan den ouden wal van Trajanus bevindt, (die zich van den Donau bij Rassova tot aan de Zwarte zee bij Kustendjé of Kustendzia uitstrekt,) en aldaar zoowel de afdeelingen uit de Vorstendommen moet afwachten, als diegenen, welke langs den regter Donau-oever voorttrekken, om vervolgens in vereeniging met deze verder door te dringen.
Op den geheelen togt van Babadag tot aan den wal van Trajanus had de vijand zich niet laten zien. Eerst onder [ 2 ]de muren der versterkte stad Kustendjé, alwaar de voorposten van den Generaal Rudzewicz reeds den 16den aangekomen waren, heeft men denzelven ontdekt. Den 17 en 18den hebben er eenige schermutselingen plaats gehad, terwijl de Turken, die op de hoogten rondom de stad post gevat hadden, onder bescherming van de batterijen der vesting, eene poging deden, om de voorposten der Russen terug te dringen. Doch deze poging mislukte, en den 19den deed de Generaal Rudiger de eerste batterijen tegenover de vesting opwerpen, die nog denzelfden dag door den Keizer bezigtigd werden.
Van hier naar het leger terug keerende, ontving Z. M. treurige berigten van voor Braïlow. De belegeringswerken voor deze vesting waren zoo ver gevorderd, dat er niets meer overbleef, dan bres te schieten. Uit dien hoofde werden drie mijnen onder de wallen van Braïlow aangelegd. Die op den regter- en linker-vleugel waren bestemd, om de verschansingen op twee punten te verwoesten, en die in het midden moest de gracht dempen, om het binnen rukken in de bres gemakkelijker te maken.
Den 15den Junij, des morgens ten 3 ure, moesten drie vuurpijlen afgeschoten worden, en bij het opgaan van den derden vuurpijl zoude men de drie mijnen op hetzelfde oogenblik doen springen, en dan terstond de manschappen tegen de twee bressen laten oprukken, om de vesting te bestormen. Na het in bezit nemen der bressen zoude eene afdeeling den Wal bezetten, twee afdeelingen binnen de vesting doordringen, en eene vierde de achterhoede vormen. Op den bepaalden tijd was alles tot den aanval gereed; doch de mijn op den regter-vleugel werd, reeds bij het opgaan van den tweeden vuurpijl, en dus twee minuten voor den bepaalden tijd, aangestoken, sprong te vroeg en bedolf den Officier, die de middelste mijn moest afsteken, welke daardoor niet sprong. Die op den linker-vleugel sprong op het bepaalde tijdstip. Intusschen maakten de stof- en rookwolken, die zich van alle kanten verhieven, het onmogelijk te zien, dat men door geene der bressen eenen doortogt konde vinden, en dus werd de storm begonnen. Aan het hoofd der benden bevonden zich een groot aantal Generaals en Officieren, gelijk mede de vrijwilligers, die zich aangeboden hadden, om terstond de wallen te bezetten. Die van den regter-vleugel, ten getale van 120, wierpen zich in de grachten, en het gelukte hun de wallen te beklimmen, waarvan de aarde, door het springen der mijn, losgewoeld was. Doch met uitzondering van eenen Onder-officier, die in den Donau sprong, vonden zij alle den dood, vermits hun geen bijstand konde verleend worden.
Op den linker-vleugel vond men dezelfde hinderpalen, die met de grootste inspanning van alle krachten niet te overwinnen waren. Te vergeefs stelden zich de Generaals en Officieren, aangevuurd door de tegenwoordigheid van den Grootvorst Michaël, met de grootste dapperheid aan het vijandelijke vuur bloot, om de manschappen door hun voorbeeld aan te moedigen. Het bleek al ras, dat de storm niet gelukken konde, en men trok terug. Terwijl de kolommen in de grachten der vesting waren, en zich allengs naar de derde paralel terug trokken, bezette het regement Kasan de uiterste punten van verschillende werken. De terugtogt had met de grootste orde plaats, ofschoon men daarbij een aanmerkelijk verlies moest lijden, daar het vuur der Turken, die in plaats van hun ontrampeneerd geschut, de veldstukken gebruikten, niet slechts hevig was, maar ook goed bediend werd. Toen zij ontwaarden, dat de Russen terug trokken, deed de bezetting, kort achter elkander, zes uitvallen, om de werken der belegeraars te verwoesten, doch werd gedurig door het regement Kasan terug geworpen. Ten 11½ uur hadden de Russen de plaats weder bezet, die zij voor den storm gehad hadden, terwijl het den Turken niet gelukt was, iets van hunne werken te verstoren.
Den 16den deed de Grootvorst Michaël de mijn, die den vorigen dag niet had kunnen afgestoken worden, in de lucht springen. Den 17den verschenen Turksche onderhandelaars, die eenen wapenstilstand van tien dagen kwamen vragen, met bijvoeging, dat de vesting zich zoude overgeven, indien zij binnen dien tijd geene hulp kreeg. De Grootvorst stond eenen wapenstilstand van 24 uren toe, welke aangenomen werd.
Het verlies der Russen op den 15den wordt als vrij aanmerkelijk opgegeven. De Generaal-Majoors Wolf en Timroth zijn gesneuveld. 1 Generaal, 3 Oversten, 16 Staf-Officieren, en 75 mindere Officieren zijn min of meer zwaar gekwetst. Het getal der dooden bedraagt 640, en dat der gekwetsten, behalve de genoemde Officieren, 1340.
De Turken hebben zich, volgens dit berigt, met uitstekenden moed verdedigd; intusschen is hun verlies, bij de verschillende uitvallen, die zij gedaan hebben, zeer aanmerkelijk geweest.


Ten slolte van dit berigt wordt gemeld, dat Braïlow zich, na afloop van den toegestanen wapenstilstand, overgegeven heeft, en dat de sleutels der vesting door den Overste Bibikow, Adjudant van den Grootvorst Michaël, aan Z. M. den Keizer zijn overgebragt geworden. Ook had men de tijding ontvangen, dat de vesting Matchin zich zoude overgegeven hebben.