Naar inhoud springen

Nederlandsche Staatscourant/1829/Nummer 52/Engeland

Uit Wikisource
‘Engeland’ door een anonieme schrijver
Afkomstig uit de Nederlandsche Staats-Courant, maandag 2 maart 1829, bijvoegsel, [p. 1]. Publiek domein.
[ bijvoegsel, 1 ]

ENGELAND.

Nu de Hoogeschool van Oxford volmagt heeft erlangd, om eenen nieuwen Afgevaardigde in het Parlement te kiezen, worden er door eenige leden dier school alle pogingen aangewend, om te beletten, dat de keuze toch niet weder op den Heer Peel moge vallen. Zij hebben onder anderen, bij eenen rondgaanden brief, den Heer Robert Inglis als een zeer geschikt vertegenwoordiger aangeprezen, niettegenstaande het algemeen bekend is, dat hij geenszins door zijne bekwaamheid of welsprekendheid, maar alleen door zijne gehechtheid aan de zaak der heerschende kerk, deze onderscheiding zoude kunnen waardig zijn. De Heer James, een der oudste leden van het zoogenaamde Christ-College te Oxford, heeft dien ten gevolge eenen brief in de nieuwspapieren doen plaatsen, waarin hij te kennen geeft, dat hij zijne stem niet aan den Heer Inglis maar aan den Heer Peel zal geven, vermits deze bestendig en ook nu onlangs getoond heeft, een waar en verlicht vriend en voorstander der Protestantsche kerk te zijn.

De Times verheugt zich bijzonder over dit besluit van iemand, wiens oordeel geacht wordt, vrij wat invloed op de overige leden der Oxfordsche Hoogeschool te kunnen uitoefenen. »De Heer Peel,” zegt dit dagblad bij die gelegenheid, »heeft zich voor eene der belangrijkste zaken mannelijk in de bres gesteld, en eene onverdiende verguizing geleden. Om niet verkeerd verstaan te worden, moeten wij er bijvoegen, dat wij thans niet op de zaak van godsdienstige en burgerlijke vrijheid doelen, want de Heer Peel heeft zich bij het nemen van zijn besluit, om tot de gelijkstelling der Katholijken mede te werken, geenszins door zulke afgetrokkene denkbeelden laten geleiden. Hij heeft, zoo als dit een eerlijk man en een goed Minister betaamt, zijn eigen bespiegelend gevoelen laten varen en opgeofferd, omdat de gebiedende wet der noodzakelijkheid, het heil van den Staat, zulks vereischte.”

Zulk eene lofrede moet in het oor van sommigen zeer vreemd klinken en men zoude althans niet verwacht hebben, dat de Times de grootste verdienste van eenen Staatsman daarin stellen zoude, dat hij zijne eigene overtuiging van hetgeen goed en regtvaardig is, aan de zoogenaamde wet der noodzakelijkheid opoffere, en zich late dwingen, om iets te doen, wat met zijne beginselen strijdt? Of verstaat men door afgetrokkene denkbeelden en bespiegelingen niets dan droomen en onuitvoerlijke ontwerpen — hoe kan men die dan veronderstellen bij iemand, wien men als een allerbekwaamst lid van het Bestuur doet voorkomen!