Nederlandsche Staatscourant/1829/Nummer 52/Turkije
| ‘Turkije’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit de Nederlandsche Staats-Courant, maandag 2 maart 1829, bijvoegsel, [p. 1]. Publiek domein. |
TURKIJE.
Berigten uit Bucharest van 2 Februarij, in den Beobachter medegedeeld, melden, dat de vesting Turno, welker voorsteden op den 24sten Januarij gelijktijdig niet Kali zijn ingenomen geworden (zie ons no. 43), bij voortduring hevig beschoten wierd, en dat de Russen zich met de spoedige overgave daarvan vleiden, vermits de Turken in dezelve geenen bijstand uit Nikopolis konden erlangen.
Inmiddels zouden ook de Turken, indien men althans aan berigten uit Konstantinopel van 26 Januarij, door een ander Duitsch dagblad medegedeeld, geloof mag hechten, aan den Balkan eenig voordeel op de Russen behaald, en hen uit Kuslidscha (Koslodschi?) verdreven hebben. Den 13den Januarij zoude namelijk eene Turksche afdeeling, onder zekeren Ibrahim-Pacha, genoemde plaats aangetast, de Russen uit de voor dezelve opgeworpene verschansingen verjaagd, en de bezetting genoodzaakt hebben, om zich in de Moskee te bergen. De Russen zouden zich hier dapper verdedigd hebben, tot dat eindelijk het gebouw door de Turken in brand was geschoten geworden, zoodat de Russen, die het zwaard des vijands ontkomen waren, hunnen dood in de vlammen gevonden hadden. Ook werd, volgens deze berigten, te Konstantinopen van eenen aanval gesproken, dien de Turken op Parawadi zouden gedaan hebben, doch dienaangaande ontbrak het nog een stellige berigten.
Zoowel dit laatste gerucht, als het medegedeelde wegens Koslodschi, strijdt intusschen met de berigten van den Russischen kant (zie onder anderen ons no. 46), welke aangaande de gebeurtenissen op het oorlogs-tooneel tot over de helft van Januarij loopen, en volgens welke de Turken nog niets ondernomen hadden, en zich niet schenen te durven vertoonen.
Van vijandelijkheden in Aziatisch Turkije had men sedert lang te Konstantinopel niets vernomen; doch beweerde men, dat er aanmerkelijke versterkingen naar het leger gezonden wierden, hetwelk door den Bevelhebber van Erzerum, Salih-Pacha, moest bijeen gebragt worden.