Nederlandsche Staatscourant/1853/Nummer 44/’s Gravenhage, den 19den Februarij 1853
| ‘’s Gravenhage, den 19den Februarij 1853’ door een anonieme schrijver |
| Afkomstig uit de Nederlandsche Staats-Courant, zondag 20 en maandag 21 februari 1853, [p. 2]. Publiek domein. |
’s Gravenhage, den 19den Februarij 1853.
In de zitting van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van heden zijn de beraadslagingen voortgezet over het wets-ontwerp, houdende bepalingen betrekkelijk het bouwen, planten en het maken van andere werken binnen zekeren afstand van vestingwerken van den Staat.
Art. 29 heeft, ten gevolge van de aanneming van een door de heeren van Goltstein en van der Linden voorgesteld amendement, eene verandering ondergaan, en luidt mitsdien aldus:
„Alle gebouwen of getimmerten, alle afsluitingen, alle houtgewassen en alle hoopen en stapels, welke binnen de middelbare kringen van vestingwerken van eene der klassen gesteld, geplant of gelegd zijn of zullen worden, kunnen, zoodra het vestingwerk in staat van oorlog of van beleg is verklaard, zonder vorm van proces, op last van den militairen kommandant weggeruimd worden.
„Schadevergoeding wordt gegeven voor de vernielde gebouwen, getimmerten, afsluitingen of houtgewassen, gesteld of geplant tijdens zulks niet was verboden.
„Geene schadevergoeding wordt verleend voor zoover de vernielde gebouwen, getimmerten, afsluitingen of houtgewassen zijn gesteld of geplant tijdens dit alleen geoorloofd was onder voorwaarde dat zij zonder schadevergoeding zouden kunnen worden opgeruimd, of het bouwen en planten onder andere voorwaarden, welke de verpligting tot vergoeding van schade uitsloten, heeft plaats gehad.
„Wordt een vestingwerk, hetwelk bij de classificatie in art. 3 voorzien in geene klasse is gebragt, naderhand in eene klasse gerangschikt, dan wordt het gerekend te zijn aangelegd op het tijdstip, waarop het besluit krachtens no. 4 van art. 4 genomen in werking is gekomen.”
Een voorstel van de beide zelfde heeren strekkende om de laatste alinea van art. 5 van het regerings-voorstel, luidende: „Indien iemand beweert, dat zijn eigendom door besluiten, krachtens art. 4 genomen, in waarde is verminderd, en op schadevergoeding te dier zake aanspraak maakt, doet, indien daaromtrent geen minnelijke schikking kan worden getroffen, de regter uitspraak of er schade wordt geleden; zoo ja, bepaalt hij de hoegrootheid er van en veroordeelt den Staat tot de betaling” — te doen vervallen, werd in de zitting van gisteren met 31 tegen 16 stemmen verworpen.
Nadat in den loop der beraadslaging de artikelen 32, 33, 37 en 51 nog eenige wijziging van minder belang ondergaan hadden, en de overige, gelijk zij door de regering voorgesteld zijn, goedgekeurd waren, is het wets-ontwerp aan eene stemming onderworpen en daarbij met 34 tegen 11 stemmen aangenomen.
Tegen hebben gestemd de heeren: van Wylick, van Goltstein, Taets van Amerongen, Dommer van Poldersveldt, de Lom de Berg, Ter Bruggen Hugenholtz, van der Linden, de Fremery, van Nierop, van Lynden en Blaupot ten Cate.
Daarna is het wets-ontwerp tot regeling van het muntwezen in de West-Indien in behandeling genomen.
Dit voorstel van wet is na eene korte beraadslaging over art. 2, dat naar aanleiding van een amendement van den heer de Fremery aldus gewijzigd is geworden: „Vreemde muntspecien, waarvan de koers, op de innerlijke waarde gegrond, door Ons op voorstel der koloniale besturen is bepaald, worden in de bij art. 1 vermelde kolonien en bezittingen in ’s Lands kassen in betaling aangenomen.” — met algemeene (46) stemmen aangenomen.