Nederlandse grondwet/Hoofdstuk 6

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Hoofdstuk 5 Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden

Hoofdstuk 6. Rechtspraak

Hoofdstuk 7
Onderstaande tekst bevat de tekst die sinds 15 juli 2008 geldend is. Zie ook wetten.overheid.nl.

Hoofdstuk 6. Rechtspraak[bewerken]

Artikel 112[bewerken]

  1. Aan de rechterlijke macht is opgedragen de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en over schuldvorderingen.
  2. De wet kan de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, opdragen hetzij aan de rechterlijke macht, hetzij aan gerechten die niet tot de rechterlijke macht behoren. De wet regelt de wijze van behandeling en de gevolgen van de beslissingen.

Artikel 113[bewerken]

  1. Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten.
  2. Tuchtrechtspraak door de overheid ingesteld wordt bij de wet geregeld.
  3. Een straf van vrijheidsontneming kan uitsluitend door de rechterlijke macht worden opgelegd.
  4. Voor berechting buiten Nederland en voor het oorlogsstrafrecht kan de wet afwijkende regels stellen.

Artikel 114[bewerken]

De doodstraf kan niet worden opgelegd.

Artikel 115[bewerken]

Ten aanzien van de in artikel 112, tweede lid, bedoelde geschillen kan administratief beroep worden opengesteld.

Artikel 116[bewerken]

  1. De wet wijst de gerechten aan die behoren tot de rechterlijke macht.
  2. De wet regelt de inrichting, samenstelling en bevoegdheid van de rechterlijke macht.
  3. De wet kan bepalen, dat aan rechtspraak door de rechterlijke macht mede wordt deelgenomen door personen die niet daartoe behoren.
  4. De wet regelt het toezicht door leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast uit te oefenen op de ambtsvervulling door zodanige leden en door de personen bedoeld in het vorige lid.

Artikel 117[bewerken]

  1. De leden van de rechterlijke macht met rechtspraak belast en de procureur-generaal bij de Hoge Raad worden bij koninklijk besluit voor het leven benoemd.
  2. Op eigen verzoek en wegens het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd worden zij ontslagen.
  3. In de gevallen bij de wet bepaald kunnen zij door een bij de wet aangewezen, tot de rechterlijke macht behorend gerecht worden geschorst of ontslagen.
  4. De wet regelt overigens hun rechtspositie.

Artikel 118[bewerken]

  1. De leden van de Hoge Raad der Nederlanden worden benoemd uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
  2. De Hoge Raad is in de gevallen en binnen de grenzen bij de wet bepaald, belast met de cassatie van rechterlijke uitspraken wegens schending van het recht.
  3. Bij de wet kunnen aan de Hoge Raad ook andere taken worden opgedragen.

Artikel 119[bewerken]

De leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen staan wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hun aftreden terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

Artikel 120[bewerken]

De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.

Artikel 121[bewerken]

Met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald vinden de terechtzittingen in het openbaar plaats en houden de vonnissen de gronden in waarop zij rusten. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

Artikel 122[bewerken]

  1. Gratie wordt verleend bij koninklijk besluit na advies van een bij de wet aangewezen gerecht en met inachtneming van bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
  2. Amnestie wordt bij of krachtens de wet verleend.