Naar inhoud springen

Niels Holgersson/XIX

Uit Wikisource
Het groote vogelmeer Niels Holgersson's Wonderbare Reis (1917) door Selma Lagerlof, vertaald door Margaretha Meijboom

De voorspelling

Het baaien kleed
Uitgegeven in Amsterdam door H. J. W. Becht.
[ 185 ]

XIX.

DE VOORSPELLING.



Op een nacht lag de jongen te slapen op een eilandje in 't Takermeer, maar hij werd wakker van riemslagen. Nauwelijks had hij de oogen geopend, of er viel hem zoo'n schelle lichtgloed in 't gezicht, dat hij ze weer dichtkneep.

Eerst kon hij niet begrijpen, wat het was, dat zoo helder scheen op 't meer daarbuiten, maar al gauw zag hij, dat er tusschen 't riet aan den kant een platte boot lag, met een groote brandende teerfakkel op een ijzeren stang op den achtersteven. De roode vlammen van de fakkel spiegelden zich helder in het, door nachtelijk duister, pikdonkere meer, en de prachtige gloed moest de visschen hebben aangelokt, want rondom de vlammen in de diepte waren een massa donkere plekken te zien, die zich aanhoudend bewogen, en van plaats verwisselden.

In de boot waren twee mannen. De eene zat bij de riemen, de andere stond bij de achterste roeibank, en hield een korte piek, met groove weerhaken voorzien, in de hand. Hij, die roeide, scheen een arme visscher te zijn. Hij was een klein, droog, verweerd mannetje, en had een dunne, versleten jas aan. Men kon zien, dat hij gewoon was in alle weer en wind buiten te zijn, en dat hij niet om de kou gaf. De andere was goed doorvoed en goed gekleed, en zag er uit als een flinke, van zijn waardigheid bewuste boer.

"Houd nu hier stil," zei de boer, toen ze vlak voor het eilandje waren gekomen, waar de jongen lag. En meteen stootte hij met die piek in het water. Toen hij die terugtrok, kwam er een lange prachtige paling meê uit de diepte.

"Ziezoo!" zei hij, terwijl hij het dier van den palingsteker losmaakte. "Dat is er een, die er wezen mag. Nu geloof ik, dat we zooveel hebben, dat we wel naar huis kunnen gaan."

Maar zijn metgezel hief de riemen niet op. Hij zat rond te kijken [ 186 ]

"'t Is zoo mooi hier op 't meer vanavond," zei hij. En dat was het ook. 't Was heel stil, zoodat de heele waterspiegel in ongestoorde rust lag, behalve de streep, waardoor de boot was gekomen; die lg te glinsteren in den vuurgloed als een gulden weg. De heldere hemel was diep blauw en dicht met sterren bezaaid. 't Strand lag verscholen achter de rietbossen in 't westen. Daar verhief zich de Omberg, hoog en donker, veel kolossaler dan hij gewoonlijk was, en sneed een groot, driehoekig stuk uit het hemelgewelf.

De andere zag om, zoodat hij den vuurgloed uit de oogen kon houden, en keek rond.

"Ja, 't is hier mooi in Östergyllen," zei hij. "Maar het beste van het landschap is niet, dat het zoo mooi is."

"Wat is het dan?" vroeg de roeier.

"Ja, — dat het een land is, dat in eer en aanzien staat."

"Ja, dat kan wel zijn."

"En dan, dat men weet, dat het altijd zoo blijven zal."

"Hoe ter wereld kan men dat weten?" vroeg hij, die bij de riemen zat.

De boer richtte zich op, waar hij stond, en leunde op de piek.

"Er is een oud verhaal, dat in onze familie van vader op zoon is overgegaan, en daardoor kun je weten, hoe het met Oostgothland zal gaan," zei hij.

"Dat kon je me wel eens vertellen," zei de roeier.

"We zijn nu juist niet gewoon het aan iedereen te vertellen, maar voor een ouden kameraad wil ik het niet geheim houden.

"Op Ulvasa, hier in Oostgothland," ging hij voort, en nu was het aan zijn toon te hooren, dat hij over iets sprak, dat hij van anderen had gehoord, en dat hij van buiten kende, "woonde jaren geleden een vrouw, die de gave had in de toekomst te kunnen zien, en de menschen te kunnen zeggen, wat hun zou overkomen. En dat kon ze zóó zeker, en nauwkeurig doen, alsof het al gebeurd was. Daardoor werd ze ver in 't rond beroemd, en 't is te begrijpen, dat de menschen van heinde en ver kwamen toestroomen, om haar te bezoeken, en te hooren, wat ze zouden moeten doormaken aan lief en leed.

Op een dag, dat de vrouw van Ulvasa in haar zaal zat te spinnen, zooals de vrouwen vroeger plachten te doen, kwam er een arme boer de kamer in, en ging op de bank heel dicht bij de deur zitten.

"Ik zou graag willen weten, waar u aan zit te denken, lieve Vrouwe," zei de boer na een poosje.

"Ik zit aan verheven en heilige dingen te denken," antwoordde zij.

"Dan gaat het zeker niet aan, dat ik u naar iets vraag, wat mij na aan 't hart gaat," zei de boer. [ 187 ]

"Dat zal wel niet anders zijn, dan of je veel koren zult oogsten op je akker. Maar ik ben gewend vragen te krijgen van den keizer, hoe 't met zijn kroon zal gaan, en van den paus, wat er van zijn sleutels worden zal."

"Ja, zooiets is zeker niet gemakkelijk te beantwoorden," zei de boer. "Ik heb ook gehoord, dat niemand van hier gaat, zonder ontevreden te zijn met wat hij moest hooren."

Toen de boer dat zei, zag hij, dat de vrouw van Ulvasa zich op de lippen beet, en wat hooger op de bank ging zitten.

"Zoo," zei ze, "heb je dat van me gehoord? Dan kun je nu eens probeeren mij te vragen naar wat je wilt weten, en dan kun je zien, of ik niet zoo kan antwoorden, dat je tevreden ben."

Hierna aarzelde de boer niet met zijn vraag voor den dag te komen. Hij zei, dat hij gekomen was, om te vragen, hoe het in de toekomst met Oostgothland zou gaan. Er was niets, wat hij zóó liefhad als zijn geboortegrond, en hij meende, dat hij zelfs in zijn laatste ure nog gelukkig zou zijn, als hij op die vraag een goed antwoord kreeg.

"Is er niets anders, dat je weten wilt," zei de wijze vrouw, "dan denk ik wel, dat je tevreden zult zijn. Want, zoowaar ik hier zit, kan ik je verzekeren, dat het met Oostgothland zoo zal gaan, dat het altijd iets zal hebben om zich op te beroemen boven alle andere landen."

"Ja, dat is een goed antwoord, lieve Vrouwe," zei de boer, "en ik zou nu volkomen tevreden zijn, als ik maar kon begrijpen hoe zooiets mogelijk wezen kon."

"Waarom zou dat niet mogelijk zijn?" zei de vrouw van Ulvasa.

"Weet je niet, dat Oostgothland nu al wijd beroemd is? Of meen je, dat er een landschap in Zweden is, dat zich beroemen kan op het bezit van twee kloosters tegelijk, als Alvastra en Vetra, en dat zoo'n mooie domkerk heeft als die in Linköping?"

"Dat kan wel zoo zijn," zei de boer, "maar ik ben een oud man, en ik weet, dat er een tijd zal komen, dat ze ons niet zullen eeren, noch om Alvastra of Vetra, noch om de domkerk."

"Daar kun je gelijk aan hebben," zei de vrouw van Ulvasa, "maar daarom hoef je toch niet aan mijn voorspelling te twijfelen. Ik zal nu een nieuw klooster laten bouwen op Vadstena, en dat zou wel eens het meest beroemde in het noorden kunnen worden. Daarheen zullen armen en rijken als pelgrims stroomen, en allen zullen dit land prijzen, dat zulk een heilige plaats binnen zijn grenzen heeft."

De boer antwoordde, dat hij blij was dat te hooren, maar hij wist immers, dat alles vergankelijk was, en hij zou graag hooren wat het land in aanzien zou kunnen houden, als het klooster van Vadstena eens in discrediet kwam. [ 188 ]

"'t Is niet gemakkelijk het je naar den zin te maken," zei de vrouw van Ulvasa. "Maar zóó ver kan ik nog wel vooruit zien, dat ik je kan zeggen: eer het klooster van Vadstena zijn glans verliest, zal daarnaast een kasteel verrijzen, dat het prachtigste in zijn tijd zal wezen. Koningen en vorsten zullen het bezoeken, en het zal deze streek tot eer worden gerekend, zulk een sieraad te bezitten."

"Daar ben ik ook heel blij om, dat ik dat hoor," zei de boer.

"Maar ik ben een oud man, en ik weet, hoe het gewoonlijk gaat met alle heerlijkheid van deze wereld. En als het slot vervallen is, wat zal dan de oogen van de menschen op dit land vestigen?"

"Het is geen kleinigheid, wat je wil weten," zei de vrouw van Ulvasa, "maar ik kan wel zoover in de toekomst zien, dat ik merken kan, hoe er leven en beweging komt in de bosschen om Finspang heen. Ik zie, dat er hutten en smederijen verrijzen, en ik geloof, dat het heele land geëerd zal worden, omdat er nu ijzer bewerkt wordt."

De boer kon niet ontkennen, dat hij verbazend blij was dat te hooren. Maar als het nu eens zoo ongelukkig ging, dat ook Fispangs fabriek in aanzien afnam, dan zou het toch niet mogelijk zijn, dat er iets nieuws kwam, waar Oostgothland zich op beroemen kon.

"Je bent niet gemakkelijk te voldoen," zei de vrouw van Ulvasa, "maar ik kan nog wel zoover vooruit zien, dat ik merk, hoe er aan de oevers van het meer buitenhuizen als kasteelen worden opgebouwd, alsof ze van heeren waren, die oorlog hebben gevoerd in vreemde landen. Ik geloof, dat de heerenhoeven het land evenveel in aanzien zullen doen toenemen, als al het andere, waarover ik heb gesproken."

"Maar als er nu een tijd komt, dat niemand die heerenhoeven meer prijst?" hield de boer aan.

"Je hoeft niet zoo bang te wezen," zei de vrouw van Ulvasa.

"Ik zie, hoe er geneeskrachtige bronnen opborrelen op de velden van Medevi, bij het Wettermeer. Ik geloof, dat de bronnen op Medevi het land zoo beroemd zullen maken, als je maar wenschen kunt."

"Dat is een gewichtig ding om te hooren," zei de boer. "Maar als er nu een tijd komt, dat de menschen hun genezing bij andere bronnen zoeken?"

"Daar moet je niet bezorgd over wezen," antwoordde de vrouw van Ulvasa. "Ik zie, hoe de menschen door elkaar wemelen en werken, van Motala tot Mem. Zij graven een verkeersweg dwars door het land, en dan kom Oostgothlands roem weer op aller lippen."

Maar de boer bleef er ongerust uitzien. [ 189 ]"Ik zie, dat de watervallen in de rivier van Motala wielen in beweging gaan zetten," zei de vrouw van Ulvasa, en nu kwamen er een paar roode plekken op haar wangen, want ze begon ongeduldig te worden. "Ik hoor hamers dreunen in Motala, en weefstoelen slaan in Norrköping."

"Ja, het is goed, dat ik dat weet," zei de boer, "maar alles is veranderlijk. En ik ben bang, dat ook dat vergeten kan worden."

Toen nu de boer nog niet tevreden was, liep het geduld van de vrouw van Ulvasa ten eind.

"Je zegt, dat alles vergankelijk is," zei ze, "maar nu zal ik je toch iets noemen, dat altijd hetzelfde blijft. En dat is, dat zulke trotsche hardnekkige boeren, als jij er een ben, hier in 't land zullen zijn tot aan 't eind van de wereld."

Nauwelijks had de vrouw van Ulvasa dat gezegd, of de boer stond op, tevreden en blij, en dankte haar voor haar goed antwoord. Nu eindelijk was hij voldaan, zei hij.

"Nu begrijp ik volstrekt niet, wat je meent," zei de vrouw van Ulvasa.

"Ja, ik meen dit, lieve Vrouwe," zei de boer, "dat alles wat koningen en kloosterlingen, heeren en koopstadsburgers oprichten of bouwen, — dat alles bestaat maar enkele jaren. Maar als u me zegt, dat er in Oostgothland altijd boeren zullen zijn, die hun eer liefhebben, en standvastig zijn, dan weet ik, dat het land zijn ouden roem zal behouden. Want alleen zij, die gebukt gaan onder den eeuwigen arbeid in de aarde, kunnen dit land in welstand en aanzien houden door alle tijden heen."